Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9098

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7556
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gezamernlijke huishouding. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Niet in geschil is dat eiser in de van belang zijnde periode inkomsten uit arbeid genoot en dat verweerder voor de beoordeling van het recht van (-) op bijstand met deze inkomsten geen rekening heeft kunnen houden. Verweerder was daarom ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wwb bevoegd om de aan (-) ten onrechte of te veel verstrekte bijstand mede van eiser terug te vorderen. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan verweerder in eisers geval niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Participatiewet 1, geldigheid: 2015-08-05
Participatiewet 78z, geldigheid: 2015-08-05
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 3, geldigheid: 2015-08-05
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 53a, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2015-08-05
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 54, geldigheid: 2015-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 14/9266

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. El Hachmioui),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S. Teunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2014 (primair besluit I) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 28 februari 2007 tot en met 28 februari 2014 ingetrokken en van haar een bedrag van € 90.361,88 teruggevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 27 februari 2014 (primair besluit II) heeft verweerder de in de hiervoor genoemde periode verstrekte bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag ter grootte van €3.066,- teruggevorderd. Bij besluit van 28 februari 2014 (primair besluit III) heeft verweerder de vordering van € 90.361,88 verhoogd met de daarover afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

Eiseres heeft tegen de primaire besluiten I en II bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij besluit van 25 augustus 2014 (het bestreden besluit) het tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiseres beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Daar is dit beroep gevoegd met het beroep van M.A. [naam 1] (registratienummer SGR 15/899) behandeld. De beroepen zijn na de zitting weer gesplitst. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is artikel I van de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden (Stb. 2014, 270). Daarbij is onder meer de Wwb gewijzigd en ondergebracht in de Participatiewet. Omdat het bezwaarschrift is ingediend vóór inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet, is ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet op dit geval de Wwb van toepassing.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1 Eiseres ontving vanaf 10 december 2001 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wwb, naar de norm van een alleenstaande ouder. Verweerder heeft op 21 december 2011 een anonieme melding ontvangen, inhoudende dat eiseres al jaren zou samenwonen met [naam 1] op het adres [adres] te [woonplaats] . Eiseres heeft twee kinderen, die beiden door [naam 1] zijn erkend. Door verweerder op 10 november 2011 uitgevoerd onderzoek van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) heeft uitgewezen dat de woon- of verblijfplaats van [naam 1] onbekend is. Uit dossieronderzoek is verweerder vervolgens gebleken dat op 2 mei 2007 een huisbezoek heeft plaatsgevonden bij diens moeder [moeder] . Volgens de van dit huisbezoek opgemaakte rapportage heeft [moeder] tijdens het huisbezoek min of meer te kennen gegeven dat [naam 1] bij eiseres zou wonen. De jongste dochter was toen net geboren en het geboortekaartje dat verweerder aantrof in de woning van [moeder] vermelde de namen van eiseres, [naam 1] en het adres van eiseres. Een dag later heeft [moeder] vervolgens weer ontkend dat haar zoon met eiseres zou samenwonen. Na dit dossieronderzoek heeft verweerder vervolgens van 19 november 2012 tot en met 14 december 2012 observaties uitgevoerd bij de woning van eiseres. Daaruit is naar voren gekomen dat [naam 1] gedurende die gehele periode bij eiseres heeft verbleven. Zijn auto stond dagelijks in de buurt van de woning van eiseres geparkeerd en hij verliet elke ochtend diezelfde woning om van daaruit naar zijn werk te gaan. Uiteindelijk heeft in 2013 en 2014 nog bijzonder onderzoek door de sociale recherche plaatsgevonden. De resultaten daarvan zijn onder meer neergelegd in het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2014. De resultaten van dat onderzoek en de eerdere observaties zijn voor verweerder aanleiding geweest om het recht van eiseres op bijstand over de periode van 28 februari 2007 tot en met 28 februari 2014 in te trekken en van haar uiteindelijk een bedrag van € 118.291,44 bruto terug te vorderen. Daarnaast heeft verweerder van haar een bedrag van € 3.066,- aan bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag teruggevorderd. Deze besluiten heeft verweerder na heroverweging gehandhaafd op de grond dat eiseres in het bewuste tijdvak een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met M. [naam 1] op het adres [adres] te Den Haag en dit niet aan verweerder heeft gemeld.
3. In beroep heeft eiseres betwist dat zij in het bewuste tijdvak met [naam 1] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd op haar woonadres. In dat kader heeft zij – voor zover hier van belang – het volgende aangevoerd. Zij kampt sinds haar jeugd met psychische problemen. Verweerder is volgens eiseres op de hoogte van haar situatie en het contact met [naam 1] . De hooglopende ruzies uit het verleden staan volgens eiseres een duurzame relatie tussen hen in de weg. Ook de politie en de moeder van [naam 1] bevestigen volgens haar dat beeld. Zo wordt er tijdens het huisbezoek aan de moeder melding gemaakt van heftige ruzie dan wel mishandeling betreffende eiseres en [naam 1] . Uit de rapportages van verweerder van 8 december 2009 en 26 februari 2010 kan ook worden afgeleid dat de desbetreffende consulent het niet aannemelijk acht dat de ex van eiseres bij haar woont. De periodes dat zij met [naam 1] is samen geweest zijn volgens eiseres eerder incidenteel te noemen en dat dit samenzijn is gezien berust op toeval. Zo is [naam 1] in 2006 en eind 2013 wat vaker bij eiseres geweest in verband met het overlijden van haar oma. Eiseres wijst er verder op dat [naam 1] op diverse adressen ingeschreven heeft gestaan. Voor het overige sliep hij geregeld bij zijn vader, oom, tante, vrienden, collega's en in de auto. De waarneming dat hij in de periode van 4 december 2012 tot en met 14 december 2012 elke dag rond 6 uur van haar adres vertrok, betreft slechts een periode van tien ochtenden en zegt weinig over de plaats waar hij sliep. Bovendien zijn die waarnemingen gedaan circa een jaar na de anonieme melding. Eiseres betoogt vervolgens dat haar verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. Zij heeft in paniek haar huis en kinderen moeten achterlaten om een verklaring op het politiebureau af te leggen. De verklaringen wijken op essentiële punten af van de werkelijke situatie en hebben voornamelijk betrekking op de periode na het overlijden van haar oma. Toch blijkt uit haar verklaringen dat er geen sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg. De verklaringen van de buren zijn onderling tegenstrijdig en zeggen bovendien weinig over de constante aanwezigheid van [naam 1] . Eiseres stelt dat er in haar situatie sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee verweerder in zijn besluitvorming rekening had moeten houden: haar persoonlijke- en medische situatie, haar psychische toestand en de zorg die zij heeft over haar minderjarige kinderen. Zij heeft nooit de bedoeling gehad om de inlichtingenplicht te schenden. Het langdurige onderzoek van verweerder levert een ongeoorloofde inbreuk op haar privacy op, aldus eiseres. Ook meent zij dat verweerder op onrechtmatige wijze bewijs heeft verkregen en dat haar zaak niet fair is behandeld. Dat is volgens haar in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De rechtbank overweegt het volgende.
4.1 Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor eiseres belastend besluit. Het is aan verweerder om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de vereisten voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust.
4.2 Tussen partijen is in geschil of eiseres met [naam 1] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwb wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.
4.3 De rechtbank stelt vast dat eiseres moeder is van twee kinderen: [kind 1] (geboren op [datum 1] ) en [kind 2] (geboren op [datum 2] ). [naam 1] is de vader van [kind 2] en hij heeft daarnaast ook het eerste kind van eiseres erkend. Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding is daarom alleen nog bepalend of eiseres en [naam 1] beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.4 Verweerder heeft onderzoek verricht of laten verrichten naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verstrekte Wwb-uitkering. In 2012 is daartoe locatieonderzoek gedaan en in 2013/2014 heeft de sociale recherche bijzonder onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 24 februari 2014 en het proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2014.
4.4.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de Wwb, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, tot het instellen van onderzoek bevoegd was. Voor zover verweerder met dit onderzoek of de lange duur ervan, zoals eiseres heeft gesteld, inbreuk op haar privacy heeft gemaakt, heeft die inbreuk derhalve een wettelijke grondslag. Daarnaast had dit onderzoek ook een gerechtvaardigd doel. Dit doel houdt in het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, waaronder mede moet worden begrepen het tegengaan en bestrijden van misbruik van en fraude met sociale uitkeringen. Verweerder had als oogmerk het verrichten van onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand, zoals bedoeld in artikel 53a van de Wwb, hetgeen met dit doel in overeenstemming is. Verder geldt dat de rechtbank niet is gebleken dat de inbreuk op de privacy door de gehanteerde onderzoeksmiddelen onevenredig zwaar is geweest in verhouding tot het hiervoor beschreven doel. Gesteld noch gebleken is dat verweerder een minder ingrijpend onderzoeksmiddel ter beschikking stond om de rechtmatigheid van de verleende bijstand te onderzoeken. Dit betekent dat geen sprake is van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM. Verder geldt dat de rechtbank evenmin is gebleken dat verweerder na de anonieme melding van 31 oktober 2011 onnodig lang heeft gewacht met het starten van het onderzoek. In 2012 is daarmee een begin gemaakt en in 2013/2014 is het onderzoek afgerond.
4.4.2 De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de bevindingen van de onderzoeken de conclusie rechtvaardigen dat eiseres en [naam 1] vanaf de geboorte van hun dochter [kind 2] op 28 februari 2007 gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden in de woning van eiseres op de [adres] te Den Haag. De rechtbank acht daarbij allereerst van belang dat [naam 1] in zijn tweede, op 17 februari 2014 afgelegde, verklaring duidelijk heeft aangegeven dat hij vanaf de geboorte van zijn dochter [kind 2] bij eiseres woont, met een onderbreking van hooguit een maand. Hoewel hij ter zitting van die verklaring is teruggekomen, ziet de rechtbank geen grond waarom [naam 1] niet aan die verklaring mag worden gehouden. Niet aannemelijk is gemaakt dat er tijdens de verhoren ontoelaatbare druk op hem is uitgeoefend. Hier komt bij dat zijn verklaring in belangrijke mate aansluit bij die van eiseres. Eiseres heeft immers op 17 februari 2014 onder meer verklaard dat er in 2007 en 2008 periodes zijn geweest dat [naam 1] afwisselend wel en niet bij haar woonde. In 2009 en 2010 is hij volgens de verklaring van eiseres regelmatig bij haar langsgekomen of verbleef hij de meeste tijd bij haar. Eiseres weet niet meer precies wanneer hij bij haar is komen wonen, wel dat dat in ieder geval al enkele jaren het geval is. Ook heeft eiseres erkend dat [naam 1] in september 2012, maart 2013 en december 2013 haar huur heeft betaald, omdat hij toen bij haar woonde. Eiseres heeft, laatstelijk ter zitting, betoogd dat zij niet aan haar afgelegde verklaringen mag worden gehouden. De rechtbank ziet daar echter geen reden voor, nu ook ten aanzien van haar verklaringen niet is gebleken dat deze onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onjuist zijn of om een andere reden buiten beschouwing zouden moeten blijven. Van schending van artikel 6 van het EVRM is de rechtbank evenmin gebleken.
4.5 In het kader van het bijzonder onderzoek zijn ook getuigen gehoord. De rechtbank acht van belang de verklaringen van twee bewoners van het appartementencomplex [adres] ( [naam 2] en [naam 3] ). Ook die ondersteunen het standpunt dat [naam 1] ten tijde van belang bij eiseres woonde. De hiervan afwijkende verklaringen van [naam 4] en [naam 5] acht de rechtbank minder zwaarwegend. [naam 4] is de moeder van eiseres, zodat zij niet als objectieve getuige kan worden aangemerkt, en [naam 5] heeft verklaard weinig contact te hebben gehad met eiseres en [naam 1] .
4.6 Ten slotte acht de rechtbank het van belang dat de uitkomst van het locatieonderzoek en de waarnemingen die in het kader van het bijzonder onderzoek zijn gedaan in de periode van respectievelijk 19 november 2012 tot en met 14 december 2012 en van 8 tot en met 18 september 2013 ook ondersteunen dat eiseres en [naam 1] in die periodes hun gezamenlijk hoofdverblijf hadden op het adres van eiseres. In die tijdvakken verbleef [naam 1] immers dagelijks bij eiseres.
4.7 Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiseres en [naam 1] ten tijde van belang hun gezamenlijke hoofdverblijf op het adres van eiseres hadden. Gelet op het uit de relatie geboren kind en het door [naam 1] daarnaast (ook) erkende kind, is daarmee gegeven dat zij in de bewuste periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Voor zover door en namens eiseres nog is gewezen op argumenten die zouden maken dat geen sprake is van wederzijdse zorg (en derhalve evenmin van een gezamenlijke huishouding) geldt dat de rechtbank deze onbesproken zal laten gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wwb.

4.8

Nu sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam 1] , kan eiseres niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand waardoor zij reeds op die grond geen recht op bijstand heeft naar de norm voor een alleenstaande ouder. Omdat zij de gezamenlijke huishouding bovendien niet aan verweerder heeft gemeld, heeft zij ook de op haar ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wwb rustende inlichtingenplicht geschonden.

4.9

Herziening en intrekking van het recht op bijstand is ingevolge de Wwb geregeld in artikel 54 van de Wwb. Dit artikel is met ingang van 1 juli 2013 gewijzigd. Tot die datum was de herziening en intrekking van bijstand een bevoegdheid. Vanaf die datum is het bestuursorgaan verplicht tot herziening of intrekking over te gaan. Bij deze verandering van wetgeving zijn geen specifieke bepalingen van overgangsrecht gegeven. Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358) omtrent de zogeheten temporele werking van wetgeving, waarin de rechten en verplichtingen van een belanghebbende centraal staan, moeten, wanneer – zoals hier – bij de verandering van wetgeving geen specifiek overgangsrecht is gegeven, de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben. Dit betekent dat wanneer een vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving gelegen datum of tijdvak (opnieuw) wordt beoordeeld, daarbij de oude bepalingen inzake rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel van toepassing blijven.

4.10

Eiseres heeft door de schending van de inlichtingenplicht in de periode van 28 februari 2007 tot en met 28 februari 2014 ten onrechte bijstand ontvangen. Op haar situatie is, gelet op wat onder 4.9 is overwogen, in de periode van 28 februari 2007 tot 1 juli 2013, artikel 54, derde lid, van de Wwb, van toepassing zoals deze bepaling luidde tot 1 juli 2013. Verweerder was ingevolge die bepaling bevoegd het recht op bijstand over die periode in te trekken. De door eiseres geschetste feiten en omstandigheden zijn niet van dien aard dat verweerder in haar situatie niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. In de periode na 1 juli 2013 (tot en met 28 februari 2014) was verweerder verplicht het recht van eiseres op bijstand in te trekken. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan verweerder in het geval van eiseres had moeten afzien van intrekking van dit recht. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de gehele periode artikel 54, derde lid, van de Wwb heeft toegepast, zoals dat luidde ná 1 juli 2013. Dat betekent dat verweerder de intrekking van het recht op bijstand in de periode van 28 februari 2007 tot 1 juli 2013 onjuist heeft beoordeeld. Nu de rechtbank niet is gebleken dat eiseres door deze werkwijze in haar belangen is geschaad, ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten.

4.11

Ten aanzien van terugvordering van bijstand en de daarbij te hanteren toetsingsmaatstaf stelt de rechtbank voorop dat artikel 58, eerste lid, van de Wwb per 1 januari 2013 is gewijzigd in die zin dat verweerders bevoegdheid tot terugvordering vanaf die datum een verplichting is geworden. Deze wijziging is ingevolge artikel XXV, zesde lid, van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving niet van toepassing op vorderingen die zijn ontstaan vóór die datum. Naar vaste jurisprudentie ontstaat een vordering pas met het terugvorderingsbesluit. Nu de besluiten tot terugvordering in het geval van eiseres allemaal ná 1 januari 2013 zijn genomen, en de vordering daarom ook na die datum is ontstaan, is op dit geval artikel 58, eerste lid, van de Wwb van toepassing zoals dat luidt na de wijziging van 1 januari 2013.

4.12

Het voorgaande betekent dat verweerder in de situatie van eiseres gehouden was de ten onrechte uitgekeerde bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb, zoals dat luidt ná 1 januari 2013, terug te vorderen. Niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan verweerder in dit geval van terugvordering had moeten afzien. Nu verweerder verplicht was de ten onrechte verstrekte bijstand terug te vorderen, was er voor een belangenafweging, zoals door eiseres betoogd, geen plaats.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. B. Hammer, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.