Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9034

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 9248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 35c, geldigheid: 2015-08-06
Successiewet 1956 35b, geldigheid: 2015-08-06
Wet inkomstenbelasting 2001 3.2, geldigheid: 2015-08-06
Wet inkomstenbelasting 2001 4.10, geldigheid: 2015-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2035
ERF-Updates.nl 2015-0283
V-N Vandaag 2015/1733
Belastingadvies 2015/18.10
V-N 2016/9.17

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/9248

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 878.725.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tot bijstand vergezeld van

[naam] . Namens verweerder zijn verschenen [vertegenwoordigers]

Overwegingen

Feiten

1. Op 12 maart 2011 is [erflater] (erflater) overleden.

2. Tot zijn overlijden was erflater enig aandeelhouder van [BV] (Holding BV). Holding BV hield tot 1997 alle aandelen in [Werk BV] (Werk BV). In 1997 heeft erflater 53% van de aandelen in Werk BV overgedragen aan eiser.

In 1999 heeft hij de resterende aandelen overgedragen aan eiser.

3. Werk BV dreef een onderneming op het gebied van designmeubelen en interieuradviezen. De onderneming werd uitgeoefend in een winkelpand gelegen in de [woonboulevard] in [plaats] . Het winkelpand behoort toe aan Holding BV en werd aan Werk BV verhuurd. In de maand juli 2011 is Werk BV failliet verklaard.

4. Erflater heeft alle certificaten van aandelen in Holding BV aan eiser gelegateerd. Het betreft 13 gewone aandelen en 76 preferente aandelen.

5. Eiser heeft in zijn aangifte erfbelasting verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). Met dagtekening 4 maart 2014 is aan eiser de aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 878.725. De BOR is niet toegepast.

Geschil
6. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de BOR.

7. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe aan dat:

- Holding BV een materiële onderneming drijft;

- Holding BV een belang had bij Werk BV dat qua risico en zeggenschap gelijk staat aan een aandelenbelang.

8. Eiser concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag erfbelasting.

9. Verweerder weerspreekt dat Holding BV een materiële onderneming drijft. Bovendien is niet voldaan aan het voortzettingsvereiste en de cumulatief preferente aandelen kwalificeren niet. Voorts heeft Holding BV geen aandelenbelang in Werk BV zodat de toerekeningsfictie van artikel 35c, vijfde lid, van de Successiewet 1956 (SW; tekst 2011) niet van toepassing is.

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. Ingevolge artikel 35b van de SW kan op verzoek van de verkrijger een voorwaardelijke vrijstelling worden verleend als tot de verkrijging ondernemingsvermogen behoort als bedoeld in artikel 35c, dat wordt verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging als bedoeld in het vijfde lid.

13. Ingevolge artikel 35b, vijfde lid, van de SW wordt onder een bedrijfsopvolging verstaan: een verkrijging van ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35c, van een erflater of schenker die voldoet aan de bezitstermijn als bedoeld in artikel 35d, mits de verkrijger gedurende vijf jaren voldoet aan het voortzettingsvereiste, bedoeld in artikel 35e.

14. Voor zover hier van belang luidt artikel 35c van de SW als volgt:

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder de verkrijging van ondernemingsvermogen verstaan de verkrijging van:

a. een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan;

b. (…);

c. vermogensbestanddelen die bij de erflater of schenker behoorden tot een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits het lichaam waarop het belang betrekking heeft een onderneming drijft als bedoeld in onderdeel a, of een medegerechtigdheid houdt als bedoeld in onderdeel b, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen voor zover die waarde toerekenbaar is aan:

1°. bedoelde onderneming of medegerechtigdheid, en

2°. het beleggingsvermogen van dat lichaam tot maximaal 5 percent van de ingevolge onder 1° toegerekende waarde;

(…)

5. Ingeval het lichaam waarin de erflater of schenker een aanmerkelijk belang als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, hield, een belang heeft in een ander lichaam, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de bezittingen en schulden van dat andere lichaam, met inachtneming van de omvang van dat belang, toegerekend aan eerstbedoeld lichaam, mits:

a. de erflater of schenker in dat andere lichaam indirect een aanmerkelijk belang hield als bedoeld in afdeling 4.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of

b. de erflater of schenker in dat andere lichaam indirect een belang hield van minder dan 5% doch ten minste 0,5% en:

1°. dat belang bij een van zijn rechtsvoorgangers krachtens erfrecht, huwelijksvermogensrecht of schenking een indirect aanmerkelijk belang heeft gevormd als bedoeld in onderdeel a;

2°. dat belang uitsluitend is verwaterd door vererving, overgang krachtens huwelijksvermogensrecht of schenking, en

3°. direct voorafgaande aan de verwatering van dat belang tot beneden de 5% dat andere lichaam een onderneming dreef of een medegerechtigdheid hield als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

Ingeval het aandelenkapitaal van de vennootschap waarin de erflater of schenker indirect een belang hield uit meerdere soorten aandelen bestaat, geschiedt de toerekening met inachtneming van de waarde in het economische verkeer van die aandelen. Dit lid vindt met betrekking tot indirect gehouden preferente aandelen alleen toepassing indien deze zijn uitgegeven in het kader van een bedrijfsoverdracht die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”

15. Van een onderneming is sprake bij aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid, die is gericht op het deelnemen aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk om winst te behalen.

16. Eiser stelt primair dat Holding BV een onderneming drijft in onroerend goed. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat de in dat kader te verrichten en verrichte werkzaamheden naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van een rendement dat het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaat. Van meer dan normaal vermogensbeheer is ook sprake als bijzondere kennis er in belangrijke mate toe bijdraagt dat met de exploitatie van het onroerend goed voordeel is of wordt behaald. Eiser heeft in dat verband gesteld dat erflater en hij deelnamen aan de winkeliers- en de ondernemersvereniging in [woonboulevard] , dat Holding BV een lening heeft verstrekt aan Werk BV en dat erflater en hij door hun expertise in staat zijn om het winkelpand rendabel te exploiteren.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De kennis van de meubelbranche en de deskundigheid op het gebied van de binnenhuisarchitectuur zijn van belang voor de winkel. Weliswaar kon, zolang de winkel bestond, het winkelpand verhuurd worden aan Werk BV, maar daarmee heeft eiser nog niet aannemelijk gemaakt dat op basis van die kennis en deskundigheid met de exploitatie van het winkelpand voordelen waren te verwachten die het bij een normaal vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan. Hetzelfde geldt voor de deelname aan de winkeliers- en ondernemersvereniging en de door eiser gestelde lening aan Werk BV. Met betrekking tot de door eiser gestelde lening overweegt de rechtbank voorts dat verweerder heeft betwist dat Holding BV een lening heeft verstrekt aan Werk BV. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat eiser de lening van € 215.000 voor de inkomstenbelasting heeft aangegeven in box 3. Alsdan is er sprake van een lening in privé gevolgd door een kapitaalstorting in Werk BV.

18. Eiser heeft subsidiair gesteld dat Holding BV een onderneming drijft op het gebied van interieuradviezen en binnenhuiskunst. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat erflater altijd betrokken is geweest bij Werk BV, dat hij tot zijn overlijden iedere dag aanwezig was in de winkel en dat zijn werkzaamheden onder andere bestonden uit het adviseren van klanten en het maken van ontwerpen. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat erflater veel heeft gedaan voor Werk BV. De rechtbank acht evenwel niet aannemelijk gemaakt dat erflater de desbetreffende werkzaamheden heeft verricht voor Holding BV. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er door Holding BV vanaf 2006 niet werd gefactureerd voor deze werkzaamheden. Uit de overgelegde winst- en verliesrekening blijkt voorts dat Holding BV enkel verhuuropbrengsten had. Van andere opbrengsten is niet gebleken.

19. Meer subsidiair heeft eiser een beroep gedaan op artikel 35c, eerste lid, letter c, van de SW juncto artikel 35c, vijfde lid, van de SW. Daarvoor heeft hij aangevoerd dat Holding BV weliswaar geen aanmerkelijk belang heeft in Werk BV, maar dat Holding BV wel een zodanig belang heeft bij Werk BV dat qua risico en zeggenschap gelijk staat aan een aandelenbelang. Eiser is van mening dat daarom het winkelpand en de “lening” van € 215.000 kwalificeren als ondernemingsvermogen waarop de BOR van toepassing is.

20. Ingevolge de even genoemde artikelen wordt onder voorwaarden het vermogen van een werkmaatschappij toegerekend aan de holdingmaatschappij indien (i) de schenker of erflater indirect een aanmerkelijk belang hield in de werkmaatschappij in de zin van afdeling 4.3 Wet inkomstenbelasting 2001, of (ii) het belang in de werkmaatschappij kleiner is dan 5% maar groter dan 0,5% en daarbij wordt voldaan aan de voorwaarden zoals neergelegd in sub 1, 2 en 3 van het vijfde lid, onderdeel b, van artikel 35c van de SW (zie overweging 14).

21. Nog daargelaten of, zoals eiser meent, een toerekening van het vermogen van Werk BV aan Holding BV meebrengt dat ook het vermogen van Holding BV als ondernemingsvermogen gaat kwalificeren, faalt eisers beroep op deze bepalingen reeds omdat Holding BV geen aandelenbelang heeft in Werk BV. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om ook in een geval als het onderhavige waarin de holdingmaatschappij geen aandelenbelang heeft in de desbetreffende werkmaatschappij het vermogen van die werkmaatschappij toe te rekenen aan de holdingmaatschappij.

22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. N. Djebali, voorzitter, en mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. J.P.F. Slijpen, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.