Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:9000

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
C/09/488667 / FA RK 15-3664
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorziening in de voogdij wegens minderjarigheid moeder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-3664

Zaaknummer: C/09/488667

Datum beschikking: 17 juli 2015

Voorziening in de voogdij wegens minderjarigheid van de moeder

(artikel 1:246 jo 1:253q BW)

Beschikking op het op 18 mei 2015 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,

locatie Den Haag,

hierna: de Raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[moeder]

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: -;

[vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat -;

en

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

de beoogd voogdes van de na te melden minderjarige en voogdes van de moeder;

hierna ook: Jeugdbescherming west.

Als informant wordt aangemerkt:

[grootmoeder]

de grootmoeder (moederszijde).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de brief d.d. 18 mei 2015, bij de rechtbank binnengekomen d.d. 19 mei 2015, van de zijde van de Raad.

Op 11 juni 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, de heer [naam] namens de Raad en mevrouw [naam] namens Jeugdbescherming west. De moeder en de grootmoeder zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.

Ter zitting is gebleken dat de moeder en de grootmoeder wel op de hoogte zouden zijn van de zitting, maar er onduidelijkheid bestond over het wel of niet kunnen verschijnen op deze zitting. De rechter acht het van belang dat de zitting wordt voortgezet in het bijzijn van de moeder. Partijen zijn daarom opnieuw opgeroepen voor een volgende zitting.

Op 19 juni 2015 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, de vader, de grootmoeder, mevrouw R. Uddin namens de Raad en mevrouw I. van Duijn namens Jeugdbescherming west.

De minderjarige moeder heeft haar mening ook in raadkamer kenbaar gemaakt.

Verzoek

Het verzoek strekt ertoe de Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden te belasten met de voogdij over het thans geboren kind van de moeder.

Feiten

- Uit de moeder is het volgende minderjarige kind geboren:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] (hierna: de minderjarige), die kennelijk door de vader is erkend.

- De minderjarige verblijft bij de moeder die op haar beurt haar verblijfsplaats bij de grootmoeder heeft.

- De grootmoeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de moeder.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 24 januari 2015 is de moeder onder toezicht gesteld van 24 januari 2012 tot 24 januari 2013.

- De genoemde kinderbeschermingsmaatregel is laatstelijk verlengd bij beschikking van deze rechtbank d.d. 23 januari 2015 van 24 januari 2015 tot 24 januari 2016 met behoud van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (als rechtsopvolger van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden).

Beoordeling

De Raad heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een gezagsvacuüm, nu de minderjarige moeder wegens haar minderjarigheid onbevoegd is het ouderlijk gezag over de minderjarige uit te oefenen. De Raad heeft verzocht Jeugdbescherming west te belasten met de voogdij over de minderjarige als onafhankelijke en neutrale instantie. De Raad acht een meerderjarigheidsverklaring van de moeder thans niet in het belang van de minderjarige, nu de moeder zelf nog baat heeft bij aansturing en ondersteuning en in het kader daarvan een ondertoezichtstelling loopt. De optie om de vader met het gezag te belasten acht de Raad, mede gelet op de prille relatie en de omstandigheid dat de vader een ander meisje heeft zwanger gemaakt, (vooralsnog) niet aanbevolen. Evenmin vindt de Raad het een optie om de grootmoeder of de grootvader (moederszijde) met de voogdij te belasten, aangezien de dochters van de grootmoeder onder toezicht staan en de mogelijkheid bestaat dat met het bepalen van de voogdij bij een van beiden de positieve ontwikkeling die te zien is in de verstandhouding tussen de grootmoeder en de grootvader wordt doorkruist.

De rechtbank stelt vast dat uit de geboortedatum van de minderjarige moeder, [geboortedatum] volgt dat zij – in verband met haar minderjarigheid – op grond van artikel 1:246 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onbevoegd is tot het uitoefenen van het gezag over de minderjarige. Nu niet op andere wijze in het gezag is voorzien zal de rechtbank op grond van artikel 1:295 BW, volgens de raad, een voogd dienen te benoemen.

De rechtbank neemt het advies van de Raad en de gronden waarop dit berust over en oordeelt dat de moeder niet op grond van artikel 1:253ha BW meerderjarig dient te worden verklaard. Daarnaast acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige als de vader met het gezag wordt belast, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de vader ook een kind bij een andere vrouw heeft verwekt. Hoewel de vader en de moeder ter terechtzitting hebben aangegeven deze omstandigheid met elkaar te hebben besproken en mogelijke onenigheid daarover te hebben uitgesproken, acht de rechtbank de relatie van partijen nog zodanig pril dat deze niet als bestendig kan worden aangemerkt. Ook zal de rechtbank de grootmoeder van de minderjarige niet met de voogdij belasten, nu haar kinderen onder toezicht staan. Gelet op het voorgaande dient de rechtbank op grond van artikel 253q lid 3 BW een voogd te benoemen. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen de verzochte voogdijbenoeming door Jeugdbescherming west. De rechtbank zal daarom, met in achtneming van het navolgende, Jeugdbescherming west als neutrale instantie – die zich hiertoe schriftelijk en ter terechtzitting bereid heeft verklaard – met de voogdij over de minderjarige belasten. De rechtbank overweegt hierbij dat Jeugdbescherming west ter terechtzitting heeft toegezegd dat de minderjarige een andere gezinsvoogd zal krijgen dan de gezinsvoogd van de moeder, dit om verstrengeling van belangen te voorkomen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat Jeugdbescherming west zich aan deze toezegging zal houden.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het bovenstaande als volgt.

Ingevolge artikel 1:305, eerste lid, BW houdt de stichting die hem toevertrouwde minderjarige uit huis plaatst, de Raad schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden. De rechtbank stelt vast dat dit slechts een controlemechanisme van de Raad betreft die achteraf, dus na een uithuisplaatsing van de minderjarige, zijn werking heeft. In artikel 1:306 BW is bepaald dat een gecertificeerde instelling een aan hem toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland kan plaatsen zonder toestemming van de rechtbank.

Alhoewel volgens Jeugdbescherming west momenteel niet aan een scheiding van de minderjarige van haar moeder wordt gedacht acht de rechtbank – mede gelet op hetgeen tijdens het gesprek van de minderjarige met de rechter naar voren is gekomen – het niet in het belang van de minderjarige dat zij zonder voorafgaande rechterlijke toetsing van haar moeder kan worden gescheiden. Hierbij is gelet op het bepaalde in artikel 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), waarin is bepaald dat Staten die partij zijn bij het Verdrag waarborgen dat kinderen niet van hun ouders worden gescheiden, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat Jeugdbescherming west reeds veel beslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de moeder en de minderjarige, vanwege de ondertoezichtstelling van de moeder en nu zij in deze procedure tot voogdes over de minderjarige wordt benoemd. De rechtbank acht het daarom in het belang van de minderjarige te bepalen dat een mogelijke scheiding van de minderjarige en de moeder eerst door Jeugdbescherming west aan de rechter dient te worden voorgelegd. De rechtbank zal derhalve naar analogie van artikel 1:306 BW bepalen dat Jeugdbescherming west de minderjarige en de moeder niet kan scheiden door de minderjarige elders te plaatsen zonder voorafgaande toetsing van de rechter.

De rechtbank zal beslissen als na te melden.

Beslissing

De rechtbank:

benoemt tot voogdes over de minderjarige:

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] ,

de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, met de beperking van de bevoegdheid om de minderjarige zonder voorafgaande rechterlijke uitspraak gescheiden van de moeder elders te plaatsen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Vink, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L. Mos als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2015.