Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8949

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 277
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is jonger dan 27 jaar. Hij heeft met zijn houding en gedrag ondubbelzinnig laten zien dat hij niet aan de aan de bijstand verbonden arbeids- en re-integratieverplichtingen wil voldoen. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende aangegeven welke feiten redengevend zijn voor deze conclusie. In de gegeven situatie was verweerder gehouden eisers recht op bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwb in te trekken. Gelet op die verplichting was er voor een belangenafweging, zoals door eiser gewenst, geen ruimte.

Wetsverwijzingen
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 9, geldigheid: 2015-08-06
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen 30b, geldigheid: 2015-08-06
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 13, geldigheid: 2015-08-06
Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 9, geldigheid: 2015-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/277

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S. Teunissen).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 1 juli 2014 ingetrokken.

Bij besluit van 22 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met ingang van 1 januari 2015 is artikel I van de Invoeringswet Participatiewet in werking getreden (Stb. 2014, 270). Daarbij is onder meer de Wwb gewijzigd en ondergebracht in de Participatiewet. Omdat het bezwaarschrift is ingediend vóór inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet, is ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet op dit geval de Wwb van toepassing.
2. Eiser ontvangt sinds 31 augustus 2012 een bijstandsuitkering ingevolge de Wwb. Hij is geboren op [geboortedatum] en was ten tijde van belang jonger dan [leeftijd] jaar. Bij besluiten van 22 oktober 2013 en 12 december 2013 heeft verweerder eisers uitkering bij wijze van maatregel verlaagd met 30% respectievelijk 100%, telkens gedurende een maand. Bij besluit van 10 juli 2014 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wwb met ingang van 1 juli 2014 ingetrokken; dit is in het bestreden besluit na heroverweging gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat uit eisers houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen die horen bij een bijstandsuitkering niet wil nakomen.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerders motivering van het bestreden besluit, dat uit eisers houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt dat hij zijn verplichtingen niet wil nakomen, onvoldoende is gespecificeerd. Eiser heeft zich een aantal malen ziek gemeld, maar dit ligt volgens hem niet aan onwil of negatief gedrag. Op 1 juli 2014 heeft eiser verweerder te verstaan gegeven dat hij voor enige tijd naar het buitenland wil vertrekken. Eiser begrijpt niet hoe hieruit zou kunnen blijken van een ondubbelzinnig negatieve houding of negatief gedrag. Eiser belt steeds tijdig af bij ziekte en verhindering. Uit medische stukken komt volgens eiser naar voren dat hij een chronische maagaandoening heeft, die hem het werken onmogelijk maakt. Hierdoor, en niet uit onwil, moest hij afspraken afzeggen. Verweerder heeft het recht op bijstand ingetrokken zonder eiser vooraf eerst te waarschuwen. De gevolgen zijn voor eiser onevenredig nadelig ten opzichte van de belangen van verweerder.
4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wwb, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
4.2. Ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwb, heeft degene die jonger is dan [leeftijd] jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen, geen recht op algemene bijstand. Uit deze bepaling volgt dat verweerder gehouden is een bijstandsuitkering in te trekken, indien aan de in dat artikel genoemde vereisten wordt voldaan. Er is geen ruimte voor een belangenafweging.
5. In geschil is of uit eisers houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wwb niet wil nakomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en neemt daarbij de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking.
5.1. Verweerder heeft in het kader van eisers arbeidsinschakeling in de periode van augustus 2013 tot de intrekking van zijn bijstandsuitkering in juli 2014 diverse pogingen ondernomen om hem te laten deelnemen aan een zogenaamd IN-Werkweektraject bij het Haags Werkbedrijf, maar dit heeft er niet toe geleid dat eiser daar ook daadwerkelijk mee is begonnen. Zo verschijnt eiser zonder zich af te melden niet op afspraken met het Werkgevers Servicepunt van 28 augustus 2013 en van 3, 6, 10 en 12 september 2013. Dit blijft zonder gevolgen voor eisers uitkering. Naar eiser later uitlegt, heeft zijn afwezigheid te maken met het overlijden van een vriend. Op 23 september 2013 heeft eiser weer een afspraak bij het Werkgevers Servicepunt voor de start van het IN-Werkweektraject. Ook dan verschijnt hij niet zonder bericht van verhindering. Verweerder ziet daarin aanleiding om eisers uitkering bij wijze van maatregel te verlagen met 30% gedurende een maand. De volgende afspraak op 11 november 2013 om met het IN-Werkweektraject te beginnen zegt eiser af. Blijkens de verzuimcontrole op 15 november 2013 is eiser van de trap gevallen en heeft hij een aantal ribben gekneusd. Eiser wordt geacht per 18 november 2013 hersteld te zijn en verweerder maakt met hem een nieuwe afspraak voor 25 november 2013. Op deze afspraak verschijnt eiser ook niet, wederom zonder bericht van verhindering. Dit leidt vervolgens tot een maatregel van 100% gedurende een maand. Ook de vierde poging om eiser met het IN-Werkweektraject te laten beginnen op 10 februari 2014 mislukt. Eiser zegt opnieuw af, dit keer vanwege rugklachten naar aanleiding van een auto-ongeval. Ondanks verzoek daartoe van verweerder, heeft eiser deze rugklachten niet onderbouwd aan de hand van een doktersverklaring.
5.2. Vanwege de vele afmeldingen meldt verweerder eiser aan bij "Motivering". Eiser wordt uitgenodigd voor een gesprek op 28 februari 2014, maar meldt zich weer ziek. Wel verschijnt hij op 7 en 12 maart 2014. Voor de afspraak van 21 maart 2014 meldt hij zich echter weer ziek. Op 28 maart 2014 heeft verweerder een gesprek met eiser. Hij is dan nog steeds ziek en geeft aan dat hij op 10 maart 2014 naar de eerste hulp is geweest. Daar heeft hij antibiotica gekregen. Door het gebruik daarvan ging het beter met hem, maar hij zegt de kuur niet te hebben afgemaakt. Toen zijn de klachten weer begonnen.
5.3. Verweerder heeft eiser vervolgens door de GGD medisch laten keuren. De bevindingen van het medisch onderzoek zijn neergelegd in het sociaal medisch advies van 15 mei 2014. Onder het kopje "Bespreking" staat: "Medisch onderzoek wijst uit, dat cliënt nog niet zo lang bekend is met buikklachten. De huisarts is eenmaal geconsulteerd en er is geen vervolg beleid vastgesteld. Verder zijn er rugklachten na een val in november 2013. Cliënt heeft hiervoor een maal de huisarts geconsulteerd. Op grond van de medische gegevens zijn de ernstige problemen en beperkingen, die cliënt aangeeft in de anamnese niet te objectiveren. Cliënt heeft voor zijn klachten geen of nauwelijks medische hulp gevraagd. Medisch gezien is cliënt in staat deel te nemen aan het arbeidsproces en aan een traject. Gezien de klachten wordt cliënt redelijkerwijs niet ingezet voor zwaar fysieke werkzaamheden (niet tillen en sjouwen) en voorlopig halftime. Cliënt heeft dan de gelegenheid de klachten beter te laten onderzoeken. Als over drie maanden blijkt dat nader medisch onderzoek niet wordt verricht, of dat er geen onderliggende oorzaak kan worden vastgesteld, zijn er medisch gezien geen redenen voor beperkingen. Cliënt kan dan fulltime ingezet worden voor alle activiteiten met een normaal fysieke belasting. Herbeoordeling is zinvol als duidelijk is dat er sprake is van stoornissen (diagnoses), zodat kan worden vastgesteld met welke beperkingen rekening gehouden moet worden.
Conclusie: Beperkt arbeidsgeschikt in belastbaarheid. Opbouw is mogelijk."
5.3 Verweerder heeft eiser – in overeenstemming met het sociaal medisch advies – voor halve dagen geschikt geacht om deel te nemen aan een traject en nodigt eiser uit om daarmee op 16 juni 2014 bij het Haags Werkbedrijf te beginnen. Ook nu meldt eiser zich ziek met misselijkheidsklachten. Hij begrijpt niet dat verweerder hem niet met rust laat. Bij de daarop volgende verzuimcontrole stelt eiser dat de keuringsarts hem zou hebben gezegd dat hij drie maanden thuis mocht blijven. Verweerder heeft eiser daarop voor halve dagen ingedeeld bij de Haeghe Groep en nodigt hem uit voor 30 juni 2014. Op die datum meldt eiser zich weer ziek. Hij zegt dat hij griep, koorts en hartsteken heeft. Ten slotte deelt eiser verweerder op 1 juli 2014 mee dat hij een tijd naar het buitenland gaat. Op 31 augustus 2014 zegt hij weer terug in Nederland te zullen zijn.
5.4. De rechtbank komt aan de hand van het voorgaande tot de conclusie dat, hoewel verweerder eisers uitkering tweemaal bij wijze van maatregel, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, heeft verlaagd, dit eiser niet heeft bewogen zijn gedrag en houding te veranderen. Zwaarwegend acht de rechtbank voorts dat eiser zelfs niet eenmaal heeft geprobeerd om met het IN-Werkweektraject bij het Haags Werkbedrijf of bij de Haeghe Groep te beginnen. Hij is eenvoudigweg nooit verschenen, soms met bericht van verhindering maar ook diverse malen zonder bericht van verhindering. Verweerder heeft voorts meermalen verzocht om bewijsstukken ter onderbouwing van zijn reden van afwezigheid, die eiser vervolgens niet heeft gegeven. De medische klachten die eiser bij zijn ziekmeldingen heeft aangegeven zijn wisselend, vaag en – aldus het hiervoor genoemde sociaal medisch advies – niet objectiveerbaar. Uit het medisch onderzoek is niet naar voren gekomen dat eisers klachten zodanig zijn dat hij, zelfs niet voor halve dagen, kon beginnen met het traject. Bovendien heeft de keuringsarts rekening gehouden met eisers klachten door hem voor een periode van drie maanden maar voor halve dagen arbeidsgeschikt te achten. De niet onderbouwde stelling dat de keuringsarts zou hebben gezegd dat eiser drie maanden thuis mocht blijven, staat haaks op het sociaal medisch advies en acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk.
5.5. Dat de keuringsarts eiser in het sociaal medisch advies drie maanden de gelegenheid heeft gegeven om zich te laten onderzoeken zodat de onderliggende oorzaken van zijn klachten duidelijk zouden worden, leidt niet tot een ander oordeel. Ter zitting heeft eiser immers bevestigd dat een dergelijk onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Uit de medische informatie die eiser heeft overgelegd blijkt enkel dat hij zich op 10 maart 2014 – dus voor het onderzoek van de GGD – bij de huisarts heeft gemeld met maagklachten en dat hem hiervoor het medicijn domperidon is voorgeschreven. Eiser zou zich nadien nog wel tot de huisarts hebben gewend, maar hierover zijn geen stukken overgelegd. Eiser is in ieder geval niet doorverwezen naar een specialist en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij heeft verzocht om nader onderzoek. Daarmee blijven eisers klachten niet medisch objectiveerbaar. Het bestaan van een chronische maagaandoening als gevolg waarvan eiser niet in staat was om deel te nemen aan het IN-Werkweektraject, is in ieder geval niet aannemelijk geworden.
5.6 Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat eiser met zijn houding en gedrag ondubbelzinnig heeft laten zien dat hij niet aan zijn verplichtingen heeft willen voldoen. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende aangegeven welke feiten redengevend zijn voor deze conclusie. In de gegeven situatie was verweerder gehouden eisers recht op bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wwb in te trekken. Gelet op die verplichting was er voor een belangenafweging, zoals door eiser gewenst, geen ruimte.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. M.M. Meessen, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2015.

griffier wegens verhindering van de voorzitter is deze uitspraak ondertekend door de oudste rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.