Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8890

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
AWB-14_11429u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1373, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eisers hebben aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. Zij hebben een beroep gedaan op de van de Regeling deel uitmakende definitieve regeling alsmede de overgangsregeling. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eisers contra-indicatie sub e wordt tegengeworpen in het kader van de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van de definitieve regeling. Eisers hebben zich gewend tot de Armeense autoriteiten, eisers zijn vrijwillig verschenen bij een terugkeerbijeenkomst met de IOM, eisers hebben laissez-passers aangevraagd en eisers hebben zich altijd coöperatief opgesteld tijdens de zeven gevoerde vertrekgesprekken met de DT&V. Eisers hebben tijdens de vertrek¬gesprekken niet verklaard niet mee te willen werken aan vrijwillige terugkeer naar Armenië, maar hebben enkel aangegeven pas tot vertrek te willen overgaan als de lopende verblijfs¬procedures waren afgerond. Tot slot heeft verweerder er onvoldoende blijk van gegeven de medische omstandigheden van de vader te hebben betrokken bij de weging of in het verleden door de zoon voldoende is meegewerkt aan terugkeer. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2098) volgt dat dit wel van verweerder mag worden verlangd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14 / 11429

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2015 in de zaak tussen

1. [naam eiser 1]eiser,

2. [naam eiser 2]eiser,

3. [naam eiseres]eiseres, en

4. [naam eiser 3]eiser,

gezamenlijk aan te duiden als: eisers,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft verweerder de (onderscheiden) aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2014 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, die bij brief van 10 juni 2014, aangevuld bij brieven van 23 augustus 2013 en 4 februari 2014, de gronden van het beroep heeft ingediend.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft tevens een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2015, waar eisers, bijgestaan door hun gemachtigde en A.L. Hakopian, tolk, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.P. Kallenbach, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Eisers hebben op 22 mei 2013 en 15 juli 2013 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de Regeling langdurig verblijvende kinderen (hierna: Regeling). Zij hebben een beroep gedaan op de van de Regeling deel uitmakende definitieve regeling alsmede de overgangsregeling, ten tijde van de aanvragen neergelegd in paragrafen B22/2 onderscheidenlijk B22/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Eiser 1, geboren op 16 september 1995, is de hoofdpersoon in het kader van deze aanvragen.

2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat eisers niet in het bezit zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunningen zijn aangevraagd en niet behoren tot één van de categorieën vreemdelingen die van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Volgens verweerder is er geen sprake van een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) of klemmende redenen van humanitaire aard die tot vergunningverlening zouden moeten leiden. Verder heeft verweerder de aanvragen op grond van de overgangsregeling afgewezen omdat eiser 1 niet voldoet aan voorwaarde dat hij op de startdatum van de peilperiode ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend. De aanvragen op grond van de definitieve regeling heeft verweerder afgewezen omdat sprake is van een contra-indicatie nu eisers onvoldoende hebben meegewerkt aan de op hun rustende vertrekplicht.

3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Ingevolge artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Ten aanzien van het beroep van eisers op de overgangsregeling overweegt de rechtbank als volgt.

5. Volgens paragraaf B22/3.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvragen, verleent verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de onder a tot en met d weergegeven vereisten. Een van die vereisten (a) houdt in dat het moet gaan om een vreemdeling die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode. Een ander vereiste (b) houdt in dat het moet gaan om een vreemdeling die zelf, dan wel ten behoeve van wie, ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend en na die aanvraag op de startdatum van de peilperiode ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven.

Verweerder hanteert als peilperiode 29 oktober 2012 tot 1 februari 2013. Indien een vreemdeling in de peilperiode 21 jaar wordt of indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt gedurende de peilperiode, werpt verweerder dit niet tegen.

Verweerder verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (de hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers eerst op 10 juni 2008 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend en dat zij op de einddatum van de peilperiode 4 jaar, 7 maanden en 9 dagen in Nederland hadden verbleven. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat zij niet voldoen aan het hiervoor met (b) aangeduide vereiste. Eisers stellen echter dat verweerder uit dient te gaan van de datum dat zij zich hebben gemeld bij de Nederlandse autoriteiten en te kennen hebben gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, te weten 16 maart 2008. Uitgaande van die datum hebben eisers hun asielaanvraag slechts 44 dagen te laat ingediend om aan voornoemd vereiste te voldoen. Eisers bepleiten een ruimhartige toepassing van dit vereiste.

7. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 5 maart 2015 (ECLI: NL:RVS:2015:753) dat verweerder in een situatie als deze, waar het gaat om begunstigend beleid tot het voeren waarvan hij niet was gehouden, een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. In de zaak die tot voornoemde uitspraak heeft geleid verbleven de vreemdelingen op de einddatum van de peilperiode vier jaar en 11 maanden in Nederland en oordeelde de Afdeling dat verweerder heeft mogen vasthouden aan het met (b) aangeduide vereiste van de overgangsregeling van vijf jaar verblijf in Nederland aan het einde van de peilperiode, welke periode aanvangt met de datum van de asielaanvraag. In onderhavige zaak verblijven eisers aan het einde van de peilperiode sinds de indiening van hun asielaanvragen circa vier maanden korter in Nederland dan de vreemdelingen waarover de Afdeling in voornoemde zaak heeft geoordeeld. Nu de Afdeling in voornoemde uitspraak heeft overwogen dat verweerder niet gehouden was het met (b) geduide vereiste van de overgangsregeling zodanig ruimhartig toe te passen dat de vreemdelingen in die zaak alsnog aan de voorwaarde zouden voldoen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder hiertoe in onderhavige zaak evenmin gehouden was. Van omstandigheden op grond waarvan meergenoemd vereiste in het geval van eisers ruimhartiger dient te worden toegepast, is de rechtbank niet gebleken. Bovendien volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling dat uitgegaan dient te worden van de datum van indiening van de asielaanvraag en niet van de datum van aanmelding bij de autoriteiten, zodat eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte 10 juni 2008 als aanvangsmoment hanteert, ook niet slaagt.

8. Voor afwijking van de overgangsregeling op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wegens bijzondere omstandigheden heeft verweerder geen aanknopingspunten hoeven zien. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7404) is voor een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb vereist dat de aangevoerde omstandigheden binnen de strekking en reikwijdte vallen van het gevoerde beleid inzake de uitoefening van de in de desbetreffende procedure aan de orde zijnde bevoegdheid. Voorts volgt uit die jurisprudentie dat omstandigheden die binnen de strekking en reikwijdte van dat beleid vallen en die bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken, niet als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, zijn aan te merken. Zoals door de Afdeling is overwogen in de hiervoor genoemde uitspraak van 5 maart 2015 is de omstandigheid dat er vreemdelingen zijn die niet voldoen aan het aan het met (b) aangeduide vereiste van de overgangsregeling, maar niettemin geruime tijd in Nederland verblijven en hier zijn geworteld, door verweerder bij de vaststelling van deze regeling betrokken. De overige door eisers aangevoerde omstandigheden vallen buiten de strekking en reikwijdte van de overgangsregeling. De aangevoerde omstandigheden zijn derhalve niet aan te merken als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.

9. Ten aanzien van het beroep van eisers op de definitieve regeling overweegt de rechtbank als volgt.

10. Volgens paragraaf B22/2 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van de aanvraag, verleent verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd en die voldoet aan de in de Regeling weergegeven vereisten. Verweerder verleent ook een verblijfsvergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling (de hoofdpersoon) aan wie een verblijfsvergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.

Verweerder verleent vorenbedoelde verblijfsvergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de onder a tot en met f van de definitieve regeling weergegeven contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag worden geconstateerd. Een van die contra-indicaties (e) houdt in dat de desbetreffende vreemdeling niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek (hierna: de contra-indicatie).

Voor de vaststelling of een vreemdeling al dan niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek beoordeelt verweerder of die vreemdeling in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan de wettelijke vertrekplicht. Hierbij wordt in elk geval van een vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:

1. de vertegenwoordiging van de eigen autoriteiten of die van een ander land waartoe toegang kan worden verkregen;

2. de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM), en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek te realiseren om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling; en

3. de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V), ten behoeve van facilitering bij het verkrijgen van de vereiste (reis)documenten, en deze dienst heeft aangegeven dat dit niet is geslaagd om redenen gelegen buiten de invloedssfeer van de desbetreffende vreemdeling.

11. Verweerder heeft met betrekking tot de aanspraken van eisers op grond van de definitieve regeling overwogen dat eisers weliswaar voldoen aan de in deze regeling gestelde voorwaarden, maar dat sprake is van de contra-indicatie. Uit de notitie van DT&V van 26 februari 2014 blijkt dat eisers zich nimmer hebben aangemeld bij de IOM. Voorts weegt voor verweerder zwaar dat eisers de door hun aangevraagde laissez-passers nimmer hebben afgehaald. Door deze niet af te halen hebben eisers onvoldoende meegewerkt aan hun vertrekplicht, aldus verweerder.

12. Eisers stellen dat er op hen geen vertrekplicht rustte in de periode tussen 10 juni 2008 ent 17 september 2013. Op 10 juni 2008 dienden eisers hun asielaanvragen in; hierop is in hoogste instantie pas in medio 2010 (vermoedelijk ergens tussen februari en mei) beslist. Op 8 maart 2010 heeft eiser 2 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking “medische noodsituatie”, ingediend. Deze aanvraag is op 6 december 2010 afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is pas op 17 september 2013 ongegrond verklaard. Eisers stellen zich op het standpunt dat nu zij de aanvraag- en bezwaarfase met betrekking tot voornoemde verblijfsvergunning in Nederland mochten afwachten, van hen in die periode niet gevergd kon worden mee te werken aan hun vertrek. Bovendien is aan eiser 2 met ingang van 6 december 2010 voor een periode van 6 maanden uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 verleend, op basis waarvan hij en zijn gezin tijdelijk rechtmatig verblijf hadden in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000.

13. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers zich hebben gewend tot de Armeense autoriteiten zodat het eerste element van de contra-indicatie, zoals genoemd in overweging 10, niet aan eisers kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft aan eisers wel het tweede element van de contra-indicatie tegengeworpen, inhoudende dat zij zich niet tot de IOM hebben gewend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit ten onrechte aan eisers tegenwerpt nu uit het advies van DT&V van 26 februari 2014 volgt dat eisers vrijwillig zijn verschenen op een terugkeerbijeenkomst waarbij de IOM ook aanwezig was. Eisers hebben gelet hierop wel degelijk contact gehad met de IOM, zij het niet door middel van het voeren van persoonlijke gesprekken, maar door het bijwonen van een in groepsverband gehouden terugkeerbijeenkomst. De rechtbank onderschrijft verder het door eisers ter zitting ingenomen standpunt dat het voor hen geen meerwaarde had om de IOM na de terugkeerbijeenkomst te benaderen voor het voeren van persoonlijke gesprekken. Eisers hadden immers reeds zonder tussenkomst van de IOM aanvragen ingediend voor laissez-passers, welke aanvragen zijn ingewilligd. Deze laissez-passers konden eisers zelfstandig afhalen op het moment dat zij daadwerkelijk tot vertrek wilden overgaan. Noch voor het aanvragen van de laissez-passers noch voor het ophalen ervan hadden eisers de hulp van de IOM nodig, zodat niet in valt te zien waarom van eisers desondanks gevergd wordt dat zij zich – buiten het bijwonen van de terugkeerbijeenkomst – nog zouden wenden tot de IOM.

14. Wat betreft het tegenwerpen van het derde element van de contra-indicatie overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015: 2095) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of eisers voldoende hebben meegewerkt aan hun vertrek van belang is of zij zich al dan niet coöperatief hebben opgesteld om aan hun vertrek mee te werken. Daarbij is met name van belang hoe zij zich tijdens de vertrekgesprekken met DT&V hebben opgesteld en of zij hebben meegewerkt aan het aanvragen van laissez-passers. Nu eisers zich hebben gewend tot DT&V en met deze dienst zeven vertrekgesprekken hebben gevoerd, waarbij gesteld noch gebleken is dat zij zich niet coöperatief hebben opgesteld, kan niet worden gezegd dat het niet buiten de invloedsfeer van eisers lag dat zij de vereiste (reis)documenten niet konden krijgen. Eisers hebben tijdens de vertrekgesprekken niet verklaard niet mee te willen werken aan vrijwillige terugkeer naar Armenië, maar hebben enkel aangegeven pas tot vertrek te willen overgaan als de lopende verblijfsprocedures waren afgerond. Bovendien hebben eisers laissez-passers aangevraagd, welke aanvragen zijn ingewilligd. Van het niet verkrijgen van de vereiste (reis)documenten is dan ook geen sprake. Dat eisers de laissez-passers niet hebben afgehaald kan hen vervolgens niet worden tegengeworpen nu zij van 8 maart 2010 tot 17 september 2013 de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser 2 tot het verlenen van een verblijfsvergunning op medische gronden in Nederland mochten afwachten. Bovendien was aan eisers medegedeeld dat zij de laissez-passers enkel zouden krijgen indien zij een (kopie van een) vliegticket van Nederland naar Armenië zouden over leggen. Indien dat van hen gevergd zou worden in het kader van de definitieve regeling, kan niet langer worden gesproken van het meewerken aan de vertrekplicht maar eerder van het effectueren van de vertrekplicht. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet bedoeld zijn met de hier aan de orde zijnde contra-indicatie.

15. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan eisers wordt tegengeworpen dat zij niet voldoende hebben meegewerkt aan hun vertrekplicht.

16. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder er geen blijk van heeft gegeven de medische omstandigheden van eiser 2 te hebben betrokken bij de weging of in het verleden voldoende is meegewerkt aan terugkeer. Uit verweerders besluitvorming blijkt niet of de gezondheidssituatie van eiser 2 en diens daarmee samenhangende verblijfsprocedures zijn betrokken bij de vraag of eiser 1 in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan zijn wettelijke vertrekplicht. Het enkel vermelden van de periode waarin aan eiser 2 uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 en de aanvraag- en bezwaarprocedure van verblijfsvergunning op medische gronden is daartoe onvoldoende. Van een weging in hoeverre voornoemde ontwikkelingen zijn betrokken bij de vraag in hoeverre eiser 1 aan zijn meewerkplicht heeft voldaan, is niet gebleken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2098) volgt dat dit wel van verweerder mag worden verlangd. Ook op dit punt lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek.

17. De rechtbank ziet, gelet op het feit dat aan het bestreden besluit motiveringsgebreken kleven en de aard van de geconstateerde gebreken, geen aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal voorts op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen die er toe strekt dat eisers niet zullen worden uitgezet totdat het nieuwe besluit is genomen.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat eisers het nieuwe besluit op bezwaar in Nederland mogen afwachten;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht (ad € 165,-) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2015.

w.g. E. van Rie w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen en andere belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.