Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8887

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
C/09/484520 / FA RK 15-1808
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgang/Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-3093 (voorlopige voorzieningen) en 15-1808 (omgangsregeling)

Zaaknummer: C/09/487354 (voorlopige voorzieningen) en C/09/484520 (omgangsregeling)

Datum beschikking: 6 mei 2015

Omgang/verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op de op 6 maart 2015 ingekomen verzoeken van:

[vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats]

advocaat: mr. L.P. Lagerweij te Delft.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[vrouw] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B.C.V.J. van Leur te Delft.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

- het verzoekschrift tot het treffen van een omgangsregeling van de zijde van de man;

- het verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 13 april 2015 van de zijde van de man;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift.

Op 20 april 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten.

Verzoek en verweer

De verzoeken van de vader strekken tot bepaling dat:

  • -

    een omgangsregeling wordt bepaald, zoals beschreven in het lichaam van het verzoek tot het treffen van een omgangsregeling;

  • -

    bij wege van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding een omgangsregeling wordt bepaald als omschreven in het lichaam van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Tevens heeft de vader de rechtbank verzocht om de moeder voor de duur van het geding te verbieden met de minderjarigen naar Helmond te verhuizen.

.

De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

De moeder heeft de rechtbank verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen, kosten rechtens.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Uit de moeder zijn geboren de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die door de vader is erkend;

- [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die door de vader is erkend.

- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.

Beoordeling

Samenhang van de onderhavige zaken met het verzoek tot gezamenlijk gezag

Door de vader is naast de onderhavige verzoeken tevens een verzoek ingediend om hem mede te belasten met het gezag over de minderjarigen. Dit verzoek is bij de rechtbank bekend onder het volgende nummer: FA RK 15-2769/486610. Dit verzoek zal op de hieronder te melden dag en tijd ter terechtzitting worden behandeld, gevoegd met de onderhavige verzoeken.

Verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen

Zoals hierboven reeds is opgemerkt is aanhangig bij deze rechtbank tussen genoemde partijen een verzoek tot bepaling van een omgangsregeling, een verzoek tot het treffen van een voorlopige omgangsregeling, alsmede een verzoek tot gezamenlijk gezag.

Ter terechtzitting is met partijen besproken dat de rechtbank in de onderhavige beschikking uitsluitend zal beslissen op het verzoek van de vader om de moeder voor de duur van het geding in de bodemprocedure te verbieden met de minderjarigen naar Helmond te verhuizen.

De verdere behandeling van het verzoek tot bepaling van een (voorlopige) omgangsregeling alsmede tot het gezamenlijk gezag zal nader ter terechtzitting worden behandeld op een nog te bepalen datum en tijdstip, nu tussen partijen vaststaat dat de behandeling van de vader in verband met zijn verslavingsproblematiek zal worden afgerond op 27 mei 2015 en nu de moeder thans nog onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zich inhoudelijk te verweren tegen het verzoek van de vader tot het gezamenlijk gezag.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de voorlopige voorziening het volgende.

Artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ziet op voorlopige voorzieningen binnen het kader van een dagvaardingsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) ook in een verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden gevraagd. Immers, in een dagvaardingsprocedure gaat het om voor de duur van de bodemprocedure een voorlopige beslissing te geven, die geldt totdat in de bodemzaak wordt beslist. Naar het oordeel van de rechtbank komt het geven van een dergelijke voorlopige beslissing in een verzoekschriftprocedure niet in strijd met enig wettelijk voorschrift.

Vereist voor de ontvankelijkheid van de vader ten aanzien van de voorlopige voorziening is wel dat deze een belang heeft bij zijn verzoek. Gelet op hetgeen de vader heeft gesteld als grond voor zijn verzoek kan hem een voldoende belang bij het verzoek niet worden ontzegd. Voorts wordt eveneens voldaan aan de in lid 2 van artikel 223 Rv gesteld voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek in de bodemprocedure. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vader in zijn verzoek tot het treffen van de verzochte voorlopige voorziening in de zin dat de moeder voor de duur van het geding wordt verboden om te verhuizen ontvankelijk is, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

De vader vordert samengevat - de moeder te verbieden om met de minderjarigen naar [plaats] te verhuizen. De vader heeft hiertoe gesteld dat de moeder hem niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van haar voornemen om naar [plaats] te verhuizen, hetgeen zij eerst een paar weken geleden door tussenkomst van het jeugdteam heeft gedaan. De vader heeft voorts verklaard dat de moeder bij haar beslissing onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van de minderjarigen en de vader. Immers, partijen zijn momenteel bezig om met behulp van het jeugdteam in [plaats] toe te werken naar een omgangsregeling tussen de minderjarigen en de vader en met het opnieuw opbouwen van het vertrouwen tussen partijen. Dit traject is nog niet afgerond. Voorts is ook de behandeling van de vader in verband met zijn verslavingsproblematiek nog niet afgerond. Deze behandeling zal op 27 mei aanstaande afgerond zijn. De vader is van mening dat de beslissing van de moeder om met de minderjarigen naar [plaats] te verhuizen slecht lijkt te zijn voorbereid en ook overigens niet in het belang van de minderjarigen is, nu de familie van de vrouw niet in [plaats] woont zodat daar geen sociaal netwerk aanwezig is en nu de moeder in [plaats] blijft werken. Daarnaast wordt de vader bij een eventuele verhuizing geconfronteerd met reiskosten, terwijl daarvoor de financiële middelen ontbreken.

De moeder heeft verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat de vader ernstige verslavingsproblematiek heeft gehad en mogelijk thans nog heeft. Voorts heeft de vader zich agressief opgesteld jegens de moeder, waardoor zij zich in de voormalige woning van partijen, waarin zij thans nog met de minderjarigen verblijft, niet langer veilig voelt. De moeder heeft voor een verhuizing naar [plaats] gekozen omdat zij in Brabant een groter sociaal netwerk heeft dan in [plaats] , omdat haar familie in de buurt van [plaats] woonachtig is. Zij heeft verklaard dat zij reeds een huurwoning heeft gevonden in [plaats] en dat zij inmiddels de eerste huurtermijn heeft voldaan. Zij wenst dan ook op een zo kort mogelijke termijn met de minderjarigen naar [plaats] te vertrekken. De moeder heeft overleg gehad met het jeugdteam over de aanstaande verhuizing; het jeugdteam ziet geen belemmeringen en heeft haar geadviseerd over de communicatie hierover naar de vader.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het gezamenlijk gezag brengt met zich dat over belangrijke beslissingen, zoals over het thans voorliggende voornemen van de moeder tot verhuizing, tussen gezaghebbende ouders overeenstemming moet bestaan, althans dat de niet-verhuizende gezaghebbende ouder de verhuizing moet accepteren of gedogen. Het uitblijven van overeenstemming levert een geschil op zoals bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek. Krachtens jurisprudentie dient de rechtbank bij de beoordeling van een dergelijk geschil de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop en dient een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen (HR 25 april 2008, LJN: BC5901). Het gaat dan om enerzijds het belang van de moeder om met de minderjarigen naar [plaats] te verhuizen en aldaar een eigen leven op te bouwen, en anderzijds het belang van de vader om intensief betrokken te blijven bij de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Thans is evenwel sprake van een situatie waarin er slechts één gezagsouder is. Nu evenwel – naast het verzoek tot het treffen van een omgangsregeling - een verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de minderjarigen te belasten aanhangig is bij deze rechtbank, ziet de rechtbank hierin aanleiding tot het nemen van een beslissing inzake het door de vader verzochte verbod van de door de moeder voorgenomen verhuizing met de minderjarigen naar [plaats] .

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de door de moeder voorgenomen verhuizing met de minderjarigen naar [plaats] vooralsnog dient te worden verboden.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de moeder in beginsel het recht heeft om haar leven in vrijheid te kunnen inrichten. Dit recht vindt evenwel zijn begrenzing in de belangen van de minderjarigen en de vader. Hoewel de wens van de moeder om naar [plaats] te verhuizen op grond van hetgeen zij ter terechtzitting heeft gesteld te begrijpen valt, is de noodzaak van en het belang bij de verhuizing naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan. De moeder heeft aangegeven zich niet langer voldoende veilig te voelen in [plaats] en graag dichter bij haar familie te willen wonen. Zij heeft echter geen omstandigheden aangevoerd die het voor haar noodzakelijk maken om in [plaats] te wonen. Zo heeft de moeder er geen werk – zij werkt in [plaats] en blijft daar ook werken – en heeft zij weliswaar familie in Brabant, maar niet in [plaats] , zodat zij niet specifiek aan die plek is gebonden.

Aangezien partijen op dit moment dicht bij elkaar wonen en op het moment waarop de vader bekend werd met het voornemen van de moeder om te verhuizen doende waren de onderlinge verhoudingen en het onderlinge vertrouwen te verbeteren alsmede tot een opbouw van een omgangsregeling te komen tussen de vader en de minderjarigen, is het aannemelijk dat een verhuizing van de moeder juist op dit tijdstip zeer nadelig zal zijn voor het nog te voeren overleg over de opbouw van een zorg c.q omgangsregeling en voor het tot stand brengen van een functionele en duurzame ouderrelatie. Ondanks hetgeen de moeder heeft gesteld over de treinverbinding tussen [plaats] en [plaats] en de mogelijkheid tot regelmatig contact tussen de vader en de minderjarigen is de verhuizing zonder meer aan te merken als een complicerende factor voor het overleg en voor de realisering van een omgangsregeling. Immers, thans wonen beide partijen in [plaats]. De verhuizing maakt dat een regeling waarbij de zorg min of meer evenredig is verdeeld niet meer uitvoerbaar zal zijn omdat de minderjarige dan op één plek naar school zal gaan. De rechtbank acht het zowel in het belang van de minderjarige als in het belang van de vader dat de vader een belangrijke rol in de verzorging en opvoeding van de minderjarige kan blijven spelen en dat zij op regelmatige basis contact met elkaar blijven houden.

Alle hierboven genoemde omstandigheden en belangen wegende is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarigen en de vader in dit stadium van de procedure dient te prevaleren boven het belang van de moeder bij een verhuizing naar [plaats] , met name gezien het feit dat de moeder de noodzaak van die verhuizing vooralsnog onvoldoende heeft kunnen aantonen en de verhuizing (in ieder geval op termijn) een significante wijziging in de opbouw van het contact tussen de vader en de minderjarigen met zich zal brengen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader om de verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar [plaats] voor de duur van deze procedure te verbieden, toewijzen.

Nu het traject bij het jeugdteam thans nog voortduurt en nu de behandeling van de vader in verband met zijn verslavingsproblematiek niet eerder dan op 27 mei 2015 is afgerond zal de rechtbank bepalen dat de overige verzoeken, te weten tot het bepalen van een (voorlopige) omgangsregeling en tot het gezamenlijk gezag op 22 juni 2015 ter terechtzitting zullen worden behandeld om 9.50 uur.

Deze beschikking geldt tevens als oproeping voor die behandeling ter terechtzitting.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vader om de moeder te verbieden met de minderjarigen te verhuizen voor de duur van het geding in de bodemprocedure, toe;

bepaalt dat de gevoegde behandeling van het verzoek inzake het gezag (FA RK 15-2769/486610) alsmede inzake de (voorlopige) omgangsregeling, zal plaatsvinden op de terechtzitting van 22 juni 2015 te 9.50 uur;

bepaalt dat deze beschikking heeft te gelden als oproeping;

bepaalt dat de raadslieden bescheiden waarop zij zich ter terechtzitting willen beroepen uiterlijk zeven dagen vóór de dag der terechtzitting in afschrift aan de wederpartij en aan de rechtbank moeten doen toekomen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de (voorlopige) omgangsregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H. Dragtsma, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.W.J. van der Krogt als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 mei 2015.