Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8846

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/20076
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aangegeven het in de tussenuitspraak van 10 maart 2015 geconstateerde gebrek te willen herstellen en heeft bij brief van 28 mei 2015 het bestreden besluit aangevuld en een op 13 juni 2013 opgemaakt reclasseringsrapport betreffende eiser overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat er sprake is van criminogene factoren op grond waarvan de kans op recidive is ingeschat op laag gemiddeld. Niet is gebleken dat deze criminogene factoren sinds de datum van het reclasseringsrapport van juni 2013 ten gunste van eiser zijn gekeerd. Immers objectieve en controleerbare informatie over de periode van na het reclasseringsrapport tot 6 augustus 2014 (de datum van het bestreden besluit), ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de aanvullende motivering en onder verwijzing naar het reclasseringsrapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat het persoonlijk gedrag van eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Anders dan eiser meent, is dit standpunt thans niet op vermoedens gebaseerd, maar vindt het zijn grondslag in de informatie neergelegd in het reclasseringsadvies. Het zorgvuldigheidgebrek en motiveringsgebrek in het bestreden besluit zijn hiermee hersteld. Hetgeen eiser daartegen heeft ingebracht kan daaraan niet afdoen. Dat eiser in detentie goed gedrag heeft laten zien, heeft aangegeven de criminaliteit achter zich te willen laten, berouw heeft getoond en een brief heeft gestuurd naar het slachtoffer, maken de criminogene factoren voorts niet ongedaan, terwijl informatie over het gedrag van eiser na zijn detentie en na zijn terugkeer in Polen waaruit zou kunnen blijken dat hij die goede intenties feitelijk ten uitvoer heeft gelegd en dat dit heeft geresulteerd in een positieve gedragsverbetering, niet is overgelegd. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit onder instandlating van de rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/20076

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Poolse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemde-lingenwet 2000 (Vw), onder gelijktijdige beëindiging van het verblijf van eiser op grond van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38).

Bij besluit van 6 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 5 februari 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. Eiser en zijn gemachtigde hebben voorafgaand aan de zitting schriftelijk meegedeeld niet te zullen verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft op 10 maart 2015 een tussenuitspraak gedaan, waarin het onderzoek is heropend en verweerder, conform artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de gelegenheid is gesteld het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 28 mei 2015 van deze gelegenheid gebruik gemaakt en het bestreden besluit aangevuld. Voorts heeft verweerder bij dezelfde brief een reclasseringsrapport van 13 juni 2013 overgelegd.

Eiser heeft daarop bij fax van 13 juli 2015 zijn zienswijze kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, Awb bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op grond van artikel 8:57, derde lid, Awb gesloten. De uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 4 maart 2015 heeft de rechtbank onder rechtsoverweging 2.6 het volgende overwogen:

“De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en daardoor op een ondeugdelijke motivering berust, nu verweerder voor het oordeel dat in dit geval sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, heeft volstaan met de motivering dat “uit niets wat u in bezwaar hebt aangevoerd (..) een gedragsverbetering” blijkt. Hiermee heeft verweerder miskend dat het op grond van de richtsnoeren de nationale autoriteiten zijn die moeten aantonen dat het persoonlijke gedrag van de betrokkene een bedreiging voor de openbare orde vormt. Voorts is hetgeen in het primaire besluit is overwogen, te weten dat verweerder “aanneemt” dat geen verbetering in het gedrag van eiser is opgetreden omdat hij in detentie verblijft, onvoldoende omdat de conclusie dat geen sprake is van een positieve verandering in het gedrag van de vreemdeling gebaseerd moet zijn op een deugdelijk onderzoek naar de feiten.”

2. Verweerder heeft aangegeven het gebrek te willen herstellen en heeft bij brief van 28 mei 2015 het bestreden besluit aangevuld en een op 13 juni 2013 opgemaakt reclasseringsrapport betreffende eiser overgelegd, waarin - kort samengevat - het volgende staat vermeld:

De kans op recidive is ‘laag gemiddeld’. Het reclasseringsrapport constateert een viertal criminogene factoren. Zo heeft eiser veel schulden, zowel in Nederland als in Polen. Ook zijn vriendin in [plaats 1] heeft ‘forse financiële problemen’. Er is ‘een direct verband tussen de financiële situatie (…) en het delictgedrag’. Daarnaast leveren zijn ‘relaties met vrienden en kennissen’ een risico op. Zo beweerde eiser ten aanzien van de woningoverval te zijn ‘misleid’, terwijl hij zich in de helingzaak uit 2011 ook door uitspraken van anderen zou hebben laten leiden. Zijn daden hebben voorts een verband met zijn ‘denkpatronen, gedrag en vaardigheden’. Eiser heeft weliswaar spijt, maar hij geeft er ook blijk van problemen op ‘niet adequate wijze’ te hanteren, ‘grote risico’s’ te nemen en ‘onvoldoende oog te hebben voor de consequenties van zijn gedrag’. De reclassering houdt overigens de mogelijkheid open dat ‘eiser het risico willens en wetens heeft aanvaard en daarmee berekenend heeft gehandeld’. Ten slotte kan het drugsgebruik tot nieuwe criminaliteit leiden. Eiser gebruikt met regelmaat softdrugs en was bij de woningoverval onder invloed. Gebruik leidt volgens de reclassering tot een ‘verhoogd risico op strafbaar gedrag’. De rapporteur concludeert dat reclasseringsinterventies ten aanzien van drugsgebruik, schuldenproblematiek en cognitieve vaardigheden zijn geïndiceerd en zouden kunnen bijdragen aan het terugdringen van de kans op recidive. Dat eiser geen Nederlands spreekt, bemoeilijkt echter een succesvolle ondersteuning. Er wordt gewezen op het belang van een betaalde baan.

3. Verweerder heeft zich in de brief van 28 mei 2015 op het standpunt gesteld dat in het reclasseringsrapport staat vermeld dat de kans op recidive ‘laag gemiddeld’ is, maar dat dit allerminst betekent dat recidive is uitgesloten. Volgens cijfers van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum blijkt dat bij een laag risico op het toetsingsinstrument RISc ongeveer twintig procent binnen twee jaar recidiveert. Bij een gemiddeld recidiverisico is dat ongeveer veertig procent. Verweerder stelt voorts dat eiser niet heeft aangetoond dat hij vooruitgang heeft geboekt ten aanzien van de criminogene factoren drugsgebruik, schuldenproblematiek en cognitieve vaardigheden. Aan hem is de mogelijkheid geboden op de Nederlandse ambassade in Warschau te worden gehoord. Vervolgens is aan zijn gemachtigde een Engelstalige vragenlijst toegezonden, met het verzoek om schriftelijke beantwoording. Verweerder concludeert dat eiser geen of weinig contact met zijn gemachtigde onderhoudt. Een gehoor en een tijdige beantwoording van de vragen zijn daarom uitgebleven. Ook op 27 mei 2015 berichtte gemachtigde opnieuw dat eiser haar nog altijd niet had gebeld. Van eiser gaat nog altijd een actuele bedreiging uit. Hij heeft zich herhaald schuldig gemaakt aan misdrijven. Geen van de door de reclassering geconstateerde criminogene factoren is weggenomen, zodat zij hun invloed behouden. Daarbij is de enkele stelling bij de Vreemdelingenpolitie dat hij (in detentie) geen softdrugs meer zou gebruiken, onvoldoende. Ook het ontbreken van een regulier arbeidsverleden is relevant, nu de reclassering een zinvolle dagbesteding en een betaalde baan belangrijk vindt om niet terug te vallen. Over zijn huidige bestaan is niets bekend, behalve dat hij door Polen zou zwerven in weerwil van een bij de politie opgegeven adres in [plaats 2] . Dat hij berouw toonde, zich in detentie goed gedroeg en zei de criminaliteit achter zich te willen laten, leidt evenmin tot een ander oordeel. Goed gedrag in detentie betekent nog geen goed gedrag daarbuiten. Volgens de reclassering zijn training en begeleiding nodig wegens problemen met schulden, drugs en cognitieve vaardigheden. Gesteld noch gebleken is dat eiser die inmiddels heeft gehad of zich op andere wijze substantieel inzet om zijn leven te beteren.

4. Eiser voert hiertegen aan dat verweerder er onterecht vanuit gaat dat er nog altijd een actuele bedreiging uitgaat van eiser, omdat dit oordeel is gebaseerd op vermoedens. Zoals aangegeven, gebruikt eiser geen softdrugs meer en heeft hij veel berouw getoond. Daarnaast heeft hij in detentie goed gedrag laten zien en aangegeven de criminaliteit achter zich te willen laten. Ook is eiser bereid om eventuele schade te vergoeden aan het slachtoffer. Daarnaast heeft eiser tijdens zijn detentie de tijd benut om de Nederlandse taal eigen te maken. Eiser schaamt zich enorm ten opzichte van zijn moeder en wordt daarbij emotioneel als hierover vragen worden gesteld. Er bestaan bovendien geen criminogene factoren ten aanzien van huisvesting, wonen, opleiding, werken en leren. Bovendien heeft eiser zich uiterst emotioneel getoond over het door hem gepleegde delict en hij heeft eveneens een brief gestuurd via het parket aan het slachtoffer. Bij deze stand van zaken kan niet gesteld worden dat hier sprake is van gedrag van eiser dat een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de Nederlandse samenleving. Verweerder heeft niet kunnen aantonen dat het persoonlijk gedrag van eiser een bedreiging vormt voor de openbare orde.

5. De rechtbank is van oordeel dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat er sprake is van criminogene factoren op grond waarvan de kans op recidive is ingeschat op laag gemiddeld. Niet is gebleken dat deze criminogene factoren sinds de datum van het reclasseringsrapport van juni 2013 ten gunste van eiser zijn gekeerd. Immers, objectieve en controleerbare informatie over de periode van na het reclasseringsrapport tot 6 augustus 2014 (de datum van het bestreden besluit), ontbreekt. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat eiser geen softdrugs meer gebruikt is onvoldoende. Van de genoemde criminogene factoren kan daarom nog steeds worden uitgegaan. Bovendien geldt dat, indien van de juistheid van voornoemde stelling zou moeten worden uitgegaan, daarmee slechts één van de vier geconstateerde criminogene factoren is geëlimineerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met de aanvullende motivering en onder verwijzing naar het reclasseringsrapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat het persoonlijk gedrag van eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Anders dan eiser meent, is dit standpunt thans niet op vermoedens gebaseerd, maar vindt het zijn grondslag in de informatie neergelegd in het reclasseringsadvies. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het zorgvuldigheidgebrek en motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Hetgeen eiser daartegen heeft ingebracht kan daaraan niet afdoen. Dat eiser in detentie goed gedrag heeft laten zien, heeft aangegeven de criminaliteit achter zich te willen laten, berouw heeft getoond en een brief heeft gestuurd naar het slachtoffer, maken de criminogene factoren voorts niet ongedaan, terwijl informatie over het gedrag van eiser na zijn detentie en na zijn terugkeer naar Polen, waaruit zou kunnen blijken dat hij die goede intenties feitelijk ten uitvoer heeft gelegd en dat dit heeft geresulteerd in een positieve gedragsverbetering, niet is overgelegd. Volgens de reclassering zijn training en begeleiding nodig wegens problemen met schulden, drugs en cognitieve vaardigheden. Gesteld noch gebleken is dat eiser die inmiddels heeft gehad of dat hij zich op andere wijze substantieel heeft ingezet om zijn leven te beteren.

6. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens schending van het bepaalde in artikel 7:12 Awb. Nu verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, en hetgeen eiser daartegen heeft ingebracht geen doel treft, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

7. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.125,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en ½ punt voor de schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, wegingsfactor 1).

8. Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de rechtbank gelasten dat verweerder het betaalde griffierecht à € 165,- vergoedt.

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;

- draagt verweerder op € 165,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.125,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.