Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8800

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
4187874 RP VERZ 15-50336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift ex artikel 36 WOR in verband met instelling Groepsondernemingsraad Rijk afgewezen: besluit tot instelling GOR-Rijk is bevoegd genomen, instelling GOR-Rijk is bevorderlijk voor de medezeggenschap binnen de overheid en zetelverdeling op grond van voorlopig reglement is niet in strijd met WOR

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 33
Wet op de ondernemingsraden 34
Wet op de ondernemingsraden 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0704
JAR 2015/215
AR 2015/1425
JAR 2015/215

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Den Haag

CB

Zaaknr.: 4187874 RP VERZ 15-50336

29 juli 2015

Beschikking op verzoekschrift ex artikel 36 WOR in de zaak van:

De Departementale Ondernemingsraad Ministerie van Veiligheid en Justitie,
gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

De Centrale Ondernemingsraad Dienst Justitiële Inrichtingen,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

De Ondernemingsraad Shared Service Center ICT,

gevestigd en kantoorhoudende te Gouda,

De Ondernemingsraad Immigratie- en Naturalisatiedienst,

gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,

De Ondernemingsraad Nederlands Forensisch Instituut,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

De Medezeggenschapsraad Openbaar Ministerie,

gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

De Ondernemingsraad Raad voor de Kinderbescherming Zuidwest Nederland,

gevestigd en kantoorhoudende te Breda,


verzoekende partijen,

de Departementale Ondernemingsraad Ministerie van Veiligheid en Justitie hierna te noemen “de DOR V&J” en alle verzoekende partijen gezamenlijk ook als “de Ondernemingsraden”,

gemachtigden: mr. dr. S.F.H. Jellinghaus, mr. J. Janssen en mr. K.M.J.R. Maessen,


tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon De Staat der Nederlanden,

zetelend te ’s-Gravenhage,
verwerende partij,

hierna te noemen “de Staat”,

gemachtigde: mr. M.B. de Witte-van den Haak.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen bij de griffie op 8 juni 2015;

  • -

    het verweerschrift.

1.2

Op 3 juli 2015 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij die gelegenheid zijn namens de Ondernemingsraden mevrouw M. Schellekens en de heren A.P. de Zwart, M.A. Boersma, A. Maruan, dr. M. Hoytink en A. van Dijke met de gemachtigden, en zijn namens de Staat de heren W. Hagg en O.F.J. Welling met de gemachtigde verschenen. Van het verhandelde heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van de Ondernemingsraden heeft pleitaantekeningen en de gemachtigde van de Staat heeft een pleitnotitie overgelegd.

1.3

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Teneinde de medezeggenschap binnen de Rijksoverheid vorm te geven zijn binnen de ministeries en zelfstandige onderdelen daarvan ongeveer 220 ondernemingsraden ingesteld, waarvan alleen al binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie 87 ondernemingsraden.

2.2

Binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn onder meer de ondernemingsraden ingesteld, die verzoekers zijn in het onderhavige verzoekschrift. Op het niveau van dit departement is de DOR V&J ingesteld, waarin vertegenwoordigers van de onderliggende ondernemingsraden zijn vertegenwoordigd.

2.3

Vanuit de Ministerraad is de wens geuit om te komen tot het instellen van rijksbrede medezeggenschap en het instellen van een groepsondernemingsraad, de GOR-Rijk, waarin de medezeggenschap van alle ministeries, met uitzondering van het Ministerie van Defensie, gebundeld wordt.

2.4

Op 22 mei 2015 is een besluit genomen met de volgende tekst:

Besluit van 22 mei 2015 tot instelling GOR Rijk

Hierbij stellen wij per 27 mei 2015 de Groepsondernemingsraad Rijk (GOR Rijk) in. De GOR Rijk is de groepsondernemingsraad voor de volgende ondernemingen:

- het Ministerie van Algemene Zaken

- het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

- het Ministerie van Buitenlandse Zaken;

- het Ministerie van Economische Zaken;

- het Ministerie van Financiën;

- het Ministerie van Infrastructuur en Milieu;

- het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

- het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

- het Ministerie van Veiligheid & Justitie;

- het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Het besluit is getekend door de bewindslieden van alle genoemde ministeries.

3 Het verzoek, de onderbouwing daarvan en het verweer

3.1

De Ondernemingsraden verzoeken om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair, (a) voor recht te verklaren dat het besluit d.d. 22 mei 2015 inzake het instellen van een GOR-Rijk nietig is, (b) voor recht te verklaren dat het besluit d.d. 22 mei 2015 inzake het instellen van een GOR-Rijk onbevoegd is genomen, (c) voor recht te verklaren dat het besluit d.d. 22 mei 2015 inzake het instellen van een GOR-Rijk alleen interne werking toekomt en derhalve niet kan leiden tot de feitelijke instelling van de GOR-Rijk, (d) voor recht te verklaren dat instelling van een GOR-Rijk niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR, (e) de ondernemer te verplichten om zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het besluit inzake het instellen van een GOR-Rijk, alsmede alle reeds verrichte uitvoeringshandelingen terug te draaien binnen 7 dagen na het wijzen van deze beschikking, subsidiair, (f) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk in strijd is met de WOR, omdat het niet het aantal leden dat uit elke betrokken ondernemingsraad kan worden gekozen vaststelt (artikel 34 lid 7 jo. artikel 34 lid 3 WOR), (g) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk in strijd is met de WOR, althans een goede toepassing van de WOR in de weg staat, omdat de berekening van het aantal zetels onvoldoende duidelijkheid biedt en uitgaat van niet-actuele gegevens, (h) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk in strijd is met de WOR, althans een goede toepassing van de WOR in de weg staat, omdat het aantal fte’s als uitgangspunt wordt genomen voor de zetelverdeling, in plaats van het aantal in de onderneming werkzame personen (artikel 34 lid 7 jo. artikel 34 lid 3 WOR), (i) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk een verboden onderscheid op basis van arbeidsduur met zich meebrengt, omdat het aantal fte’s als uitgangspunt wordt genomen voor de zetelverdeling, (j) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk in strijd is met de WOR, althans een goede toepassing van de WOR in de weg staat, omdat het beginsel van evenredige vertegenwoordiging ten onrechte niet wordt toegepast, (k) voor recht te verklaren dat het voorlopig reglement GOR-Rijk in strijd is met de WOR, althans een goede toepassing van de WOR in de weg staat, omdat geen sprake is van een zo veel mogelijk representatieve afspiegeling van de onderliggende geledingen, (l) de ondernemer te verplichten om zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het besluit inzake het instellen van een GOR-Rijk, alsmede alle reeds verrichte uitvoeringshandelingen terug te draaien binnen 7 dagen na het wijzen van deze beschikking, althans een zodanige voorziening te treffen als in goede justitie noodzakelijk wordt geacht.

3.2

De Ondernemingsraden onderbouwen hun verzoeken met stellingen, die uiteenvallen in drie deeldomeinen. In de eerste plaats stellen de Ondernemingsraden dat het besluit tot instelling van de GOR-Rijk nietig is, althans onbevoegd is genomen. In de tweede plaats stellen zij dat de instelling van de GOR-Rijk niet bevordelijk is voor de medezeggenschap binnen de overheid, omdat er onvoldoende samenhang dan wel onvoldoende gemeenschappelijk belang bestaat tussen de verschillende departementen, waarvan de medezeggenschap zou samenkomen in de GOR-Rijk. En in de derde plaats doet de voorgestelde zetelverdeling in de GOR-Rijk geen recht aan de grote verschillen in personeelsopbouw tussen de verschillende departementen.

3.3

De Staat voert op elk van de drie deeldomeinen verweer tegen de stellingen van de Ondernemingsraden.

4. De beoordeling

De ontvankelijkheid van de Ondernemingsraden

4.1

Artikel 36 lid 1 WOR bepaalt dat een verzoek als het onderhavige door ‘iedere belanghebbende’ kan worden gedaan. Het is vervolgens aan de kantonrechter om te bepalen of de verzoekende partijen daadwerkelijk belanghebbende zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat de Ondernemingsraden belanghebbenden zijn in deze procedure en zijn zij ontvankelijk in hun verzoeken.

Het besluit tot instelling van de GOR-Rijk

4.2

Aan de instelling van de GOR-Rijk ligt het in rechtsoverweging 2.4 genoemde besluit van 22 mei 2015 ten grondslag, dat als Productie 1 bij het verweerschrift is overgelegd. Dat besluit is een besluit dat getekend is door de bewindslieden van de in het besluit genoemde ministeries: het Ministerie van Algemene Zaken, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Financiën , het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

4.3

Partijen hebben als uitgangspunt genomen dat het de Ministerraad is geweest die tot instelling van de GOR-Rijk heeft beslist. De kantonrechter volgt partijen echter niet in de stelling dat de Minsterraad heeft besloten tot de instelling van een GOR-Rijk. Deze stelling is overigens tijdens de mondelinge behandeling van de zijde van de Staat in die zin genuanceerd dat het besluit niet is een besluit van de Ministerraad als zodanig. De instelling van de GOR-Rijk is besproken en besloten in de Ministerraad, maar vervolgens hebben de bewindslieden van de ministeries, die betrokken zijn bij de instelling van de GOR-Rijk een afzonderlijk besluit genomen: het besluit van 22 mei 2015.

4.4

Nu het niet de Minsterraad is geweest, die tot instelling van de GOR-Rijk heeft besloten, dient nog steeds de vraag te worden beantwoord of het besluit (van 22 mei 2015) tot instelling van de GOR-Rijk een geldig besluit is, dat bevoegd is genomen.

4.5

Artikel 33 leden 2 en 3 WOR bepalen (lid 2) de ondernemer die meer dan twee ondernemingsraden heeft ingesteld voor een aantal door hem in stand gehouden ondernemingen stelt voor een aantal van de door hem in stand gehouden ondernemingen een groepsondernemingsraad in indien dit bevorderlijk is voor de goede toepassing van deze wet ten aanzien van deze ondernemingen en (lid 3) het tweede lid van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van in een groep verbonden ondernemers, die te zamen twee of meer ondernemingsraden hebben ingesteld. Of het besluit bevorderlijk is voor de goede toepassing van de WOR is een vraag die eerst aan de orde kan komen, indien het besluit op een juiste wijze en geldig is genomen.

4.6

De te beantwoorden vraag is derhalve of de juiste personen namens de Staat het besluit tot instelling van de GOR-Rijk hebben genomen, indien de instelling van de GOR-Rijk geschiedt op de grond van lid 2 van artikel 33 WOR, of dat betrokken ondernemers daartoe hebben besloten, indien lid 3 van artikel 33 WOR toepassing vindt.

4.7

Partijen verschillen niet van mening over de vraag wie in deze als ondernemer(s) in de zin van de WOR zijn aan te merken: de Staat is ondernemer en en de ondernemers van de onderscheiden ministeries zijn de ministers van die ministeries. Het laatste vloeit overigens ook voort uit artikel 44 Grondwet, waar is bepaald dat een ministerie onder leiding staat van een minister.

4.8

Anders dan een privaatrechtelijke rechtspersoon heeft de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden niet als vennootschappelijk orgaan een directie of bestuur, die de rechtspersoon naar buiten toe vertegenwoordigt. De Ministerraad, als die al tot instelling van de GOR-Rijk had besloten, hetgeen, zoals in rechtsoverweging 4.3 naar voren is gekomen, niet het geval is, is dat in ieder geval niet. De Ministerraad, volgens artikel 45 lid 3 van de Grondwet, beraadslaagt en besluit over algemeen regeringsbeleid. De Ministerraad is dus niet het orgaan dat de Staat naar derden toe kan binden als het gaat om specifieke besluiten, zoals het instellen van een ondernemingsraad.

4.9

Het besluit van 22 mei 2015 in aanmerking nemende blijkt dat de ministers van alle betreffende ministeries gezamenlijk, maar ook afzonderlijk hebben besloten tot de instelling van de GOR-Rijk. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter tot instelling van de GOR-Rijk besloten met inachtneming van lid 3 van artikel 33 WOR. De betrokken ministers hebben in hun hoedanigheid van ‘ondernemers’ in de zin van de WOR, die elk voor wat betreft hun ‘ondernemingen’, d.w.z. hun ministeries, ondernemingsraden hebben ingesteld, besloten tot instelling van de GOR-Rijk, omdat zij menen dat dat voor de goede toepassing van de WOR bevorderlijk is. Dat zij daaraan voorafgaand in de Ministerraad hierover hebben gediscussieerd en wellicht zelfs een beginselbesluit hebben genomen, doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat het besluit is gepresenteerd als besluit van de Ministerraad, zoals de Ondernemingsraden hebben gesteld.

4.10

Concluderend op het vraagstuk of het besluit tot instelling van de GOR-Rijk op de juiste wijze en bevoegd is genomen, komt de kantonrechter tot het oordeel dat dat het geval is. De primaire verzoeken onder (a), (b) en (c) zullen om die reden worden afgewezen.

De goede werking van de WOR

4.11

Met de Ondernemingsraden neemt de kantonrechter voor de beantwoording van de vraag of de instelling van de GOR-Rijk de goede werking van de WOR bevordert tot uitgangspunt dat de taken op het gebied van medezeggenschap daar plaatsvinden, waar deze het meest effectief kunnen zijn voor aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of voor de meerderheid van de betrokken ondernemingen. Voorwaarde daarbij is dat de ondernemingen een zekere samenhang vertonen in aard, structuur en management.

4.12

De Ondernemingsraden hebben aangevoerd dat er onvoldoende samenhang tussen de betrokken ministeries bestaat en dat er nauwelijks aangelegenheden van gemeenschappelijk belang zijn. Van de zijde van de Staat is naar voren gebracht dat er wel degelijk aangelegenheden van gemeenschappelijk belang zijn en dat deze in aantal en omvang zullen toenemen, omdat de overheid steeds meer als een eenheid en steeds meer ‘rijksbreed’ werkt.

4.13

De kantonrechter volgt de Staat in deze stelling. Zoals uit de, mede van de zijde van de Ondernemingsraden geciteerde, notitie Behoedzaam Opbouwen (Productie 7 bij verzoekschrift) blijkt, is binnen de rijksdienst een sterke beweging gericht op sterkere samenwerking tussen de ministeries. In Bijlage 2 bij die notitie worden ook enkele voorbeelden gegeven van onderwerpen van gemeenschappelijk belang. Dat deze onderwerpen er zijn, wordt door de Ondernemingsraden in de kern ook niet ontkend. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken dat er een zekere samenhang bestaat tussen de betrokken ministeries, nog afgezien van het feit dat het regeringsbeleid wordt uitgevoerd door de ministeries, die daarmee in wezen gezamenlijk de uitvoeringsorganen van de Staat vormen, en alleen daardoor al voldoende samenhang hebben.

4.14

Ten aanzien van de vraag of het organiseren van de medezeggenschap voor gemeenschappelijke aangelegenheden in de GOR-Rijk effectief en doelmatig is, overweegt de kantonrechter het volgende. Als er, zoals in de vorige rechtsoverweging is overwogen, aangelegenheden van gemeenschappelijk belang zijn is het organiseren van de medezeggenschap op het gemeenschappelijk niveau al snel effectief en doelmatig. Want het alternatief is dat de medezeggenschap over telkens dezelfde onderwerpen op (meer) decentraal niveau plaatsvindt door verschillende ondernemingsraden in hun overleg met verschillende bestuurders. Dat is ook juist de grondslag van de wens van de betrokken ministers in hun hoedanigheid van ‘ondernemers’ van hun ministeries om de GOR-Rijk in te stellen. Onder omstandigheden kan decentraal overleg in verschillende ondernemingsraden juist belemmerend zijn om voor aangelegenheden van gemeenschappelijk belang tot gemeenschappelijk gedragen medezeggenschap te komen.

4.15

In het argument van de Ondernemingsraden dat de medezeggenschap daar moet plaatsvinden, waar in overwegende mate zeggenschap bestaat (en dat het instellen van de GOR-Rijk strijdig is met dat uitgangspunt), vindt de kantonrechter juist aanleiding om de instelling van de GOR-Rijk bevorderlijk te achten voor de goede toepassing van de WOR. Aangelegenheden van gemeenschappelijk belang komen ter tafel van de groepsondernemingsraad, waar vertegenwoordigers van de verschillende onderliggende geledingen elk vanuit hun eigen vertrekpunt de medezeggenschapaangelegenheden kunnen belichten om, indien mogelijk, tot een gemeenschappelijk gedragen standpunt te komen. De kantonrechter is dus, in tegenstelling tot de Ondernemingsraden, van oordeel dat de medezeggenschap voor aangelegenheden van gemeenschappelijk belang op het niveau van de groepsondernemingsraad moet worden georganiseerd, omdat daar in overwegende mate de zeggenschap dient plaats te vinden.

4.16

Aan het voorgaande doet niet af dat er wellicht vooralsnog weinig onderwerpen van gemeenschappelijk belang zullen zijn en dat deze waarschijnlijk steeds een hoog abstractieniveau zullen hebben. Dat laatste is onvermijdelijk, gelet op de toets dat de aangelegenheden van gemeenschappelijk belang moeten zijn en slechts onderwerpen, die alle of de meerderheid van de betrokken ministeries betreffen, voor behandeling in de GOR-Rijk in aanmerking komen.

4.17

Alles bijeengenomen komt de kantonrechter tot het oordeel dat de instelling van de GOR-Rijk de goede werking van de WOR bevordert. Bijgevolg zal het primaire verzoek onder (d) en daarmee ook het verzoek onder (e) worden afgewezen.

De zetelverdeling

4.18

Nu de primaire verzoeken zullen worden afgewezen, zullen de subsidiaire verzoeken worden behandeld. Als subsidiaire verzoeken hebben de Ondernemingsraden zich op het standpunt gesteld dat het (voorlopig) reglement van de GOR-Rijk in strijd is met WOR, omdat, kort gesteld en samengevat, de zetelverdeling in de GOR-Rijk niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de WOR.

4.19

Het voorlopig reglement bepaalt dat ministeries met een personele bezetting tot 10.000 fte twee leden afvaardigen voor de GOR-Rijk, ministeries met een personele bezetting tussen de 10.000 fte en 20.000 fte drie leden en ministeries met een personele bezetting van meer dan 20.000 fte vier leden. Gelet op hun omvang zullen alle in rechtsoverweging 4.2 genoemde ministeries, met uitzondering van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Veiligheid en Justitie twee leden afvaardigen, zullen het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Veiligheid & Justitie respectievelijk drie, vier en vier leden afvaardigen. Op deze manier zal de GOR-Rijk in de aanvang bestaan uit 25 leden.

4.20

De Ondernemingsraden menen dat met een dergelijke zetelverdeling in de GOR-Rijk afbreuk wordt gedaan aan het uitgangspunt in de WOR dat de samenstelling van de GOR-Rijk dient plaats te vinden op basis van evenredige vertegenwoordiging. In het uiterste geval heeft het kleinste ministerie wat aantallen fte betreft, het Ministerie van Algemene Zaken, met 346 fte en twee leden in de GOR-Rijk een onevenredig grote invloed ten opzichte van de twee grootste ministeries, het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Veiligheid en Justitie, met elk ongeveer 30.000 fte en met dus bijna het honderdvoudige aantal fte, maar met slechts elk vier leden in de GOR-Rijk.

4.21

Op basis van deze getalsverhoudingen stelt de kantonrechter vast dat de GOR-Rijk een onwerkbare omvang zou krijgen als strikt zou worden vastgehouden aan het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging en het aantal fte de maatstaf zou zijn voor het aantal zetels in de GOR-Rijk. Het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Veiligheid en Justitie zouden dan omtrent 100 leden hebben ten opzichte van het Ministerie van Algemene Zaken met één lid in de GOR-Rijk.

4.22

Indien van het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging wordt afgestapt, is met de grote getalsmatige verschillen in fte tussen de verschillende ministeries, elke (andere) zetelverdeling arbitrair, met dien verstande dat een keuze gemaakt zal moeten worden tussen een werkbare omvang van de GOR-Rijk en een zetelverdeling die tot zover mogelijk- recht doet aan de getalsverhoudingen tussen de ministeries en mits met de gemaakte keuze de uitgangspunten van de WOR op het gebied van de afvaardiging van onderliggende ondernemingsraden naar de GOR-Rijk geen geweld wordt aangedaan.

4.23

Het uitgangspunt van de WOR ten aanzien van de zetelverdeling in een centrale – of groepsondernemingsraad is neergelegd in artikel 34, leden 3 en 7, die luiden: (lid 3) Het aantal leden dat uit elke ondernemingsraad of groepsondernemingsraad kan worden gekozen, wordt vastgelegd in het reglement van de centrale ondernemingsraad. Het reglement bevat voorts voorzieningen dat de verschillende groepen van de in de betrokken ondernemingen werkzame personen zoveel mogelijk in de centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn. (…) en (lid 7) Ten aanzien van een groepsondernemingsraad zijn de voorgaande leden, met uitzondering van het tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4.24

Het enige hieromtrent in de WOR vastgelegde uitgangspunt is derhalve dat de verschillende groepen van de in de betrokken ondernemingen werkzame personen in de GOR-Rijk vertegenwoordigd zijn. Wat er ook zij van de visie van de Ondernemingsraden ten aanzien van de zetelverdeling, moet de constatering zijn dat aan dat uitgangspunt is voldaan: het voorlopig reglement van de GOR-Rijk voorziet erin dat van alle betrokken ministeries tenminste twee afgevaardigden in de GOR-Rijk vertegenwoordigd zijn.

4.25

Artikel 34 lid 3 WOR is in wezen sinds omstreeks 1976 vrijwel ongewijzigd gebleven. De kantonrechter heeft gezocht naar aanwijzingen voor de gewenste zetelverdeling in een centrale – of groepsondernemingsraad. In de Nota naar aanleiding van het Eindverslag in verband met de wijziging van de WOR (Tweede Kamer, zitting 1975-1976, kamerstukken 13 054, Nr. 8) is een aanknopingspunt te vinden over de te hanteren normen in verband met de vertegenwoordiging in een groepsondernemingsraad. In de laatste alinea van de Nota wordt het volgende gelezen:

De leden van de V.V.D.-fractie hebben gevraagd, op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan artikel 34, derde lid, inhoudende dat het reglement voorzieningen moet bevatten dat de verschillende groepen werknemers zoveel mogelijk in de centrale ondernemingsraad vertegenwoordigd zijn, nu er sprake is van getrapte verkiezingen. Voorts zouden zij gaarne toegelicht zien welke normen daarbij in acht gehouden moeten worden.

Deze laatste vraag kan niet in het algemeen beantwoord worden. Iedere centrale ondernemingsraad zal bij het vaststellen van zijn reglement in concreto gestalte moeten geven aan de algemene norm van artikel 34, derde lid. Daarbij zal rekening moeten worden gehouden met de getalsverhoudingen van de verschillende groepen. Maar ook zal erop gelet moeten worden dat door de getrapte wijze van verkiezen niet belangrijke minderheidsgroepen buiten de centrale ondernemingsraad worden gehouden.

4.26

Op grond van het citaat in de vorige rechtsoverweging, dat nog steeds toepassing kan vinden, is de kantonrechter van oordeel, dat het beginsel dat iedere geleding, ook die geledingen, die getalsmatig ondervertegenwoordigd zijn, in de centrale – of groepsondernemingsraad vertegenwoordigd is, belangrijker is dan het beginsel van evenredige vertegenwoordiging.

4.27

In rechtsoverweging 4.19 is al gebleken dat het voorlopig reglement het aantal leden van de GOR-Rijk vaststelt en voorts is onvoldoende gebleken dat de gebruikte gegevens niet actueel zijn. Dat in het voorlopig reglement het aantal fte als uitgangspunt wordt genomen in plaats van het aantal in de ondernemingsraad werkzame personen acht de kantonrechter gelet op de grote getalsmatige verschillen tussen de betrokken ministeries evenmin in strijd met de WOR. Een correctie van fte naar aantal werkzame personen zal naar alle waarschijnlijkheid niet tot wijziging in de zetelverdeling in de GOR-Rijk leiden. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt evenmin een verboden onderscheid op basis van arbeidsduur gemaakt, indien het aantal fte als uitgangspunt wordt genomen voor de zetelverdeling, omdat in het stelsel van de WOR werknemers met een part-time dienstverband een gelijk stemrecht hebben als werknemers met een full-time dienstverband.

4.28

Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat de voorgestelde zetelverdeling in de GOR-Rijk niet in strijd is met de WOR en evenmin de goede toepassing van de WOR in de weg staat. Hierbij neemt de kantonrechter mede in overweging dat het ingevolge artikel 34 lid 2 WOR straks aan de GOR-Rijk zelf is om zijn eigen reglement vast te stellen, waarin de zetelverdeling definitief wordt geregeld. Het huidige voorlopig reglement wordt dan door dat reglement vervangen.

4.29

Alles bijeen genomen komt de kantonrechter tot de slotsom dat ook de subsidiaire verzoeken van de Ondernemingsraden zullen worden afgewezen.

Kostenveroordeling

4.30

Voor een veroordeling van de Ondernemingsraden in de proceskosten is geen plaats, gelet op artikel 22a WOR.

5 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de primaire en de subsidiaire verzoeken van de Ondernemingsraden af.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.