Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8799

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
C/09/489495 / KG ZA 15-748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming De Vloek na opzegging gebruiksovereenkomst.

De voorzieningenrechter wijst de vordering van de gemeente Den Haag tot ontruiming van het pand Hellingweg 127 te Scheveningen toe. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er daadwerkelijk concrete sloop- en bouwplannen liggen. De gemeente heeft zich verplicht om het pand te slopen en het terrein bouwrijp te maken voor de ontwikkeling van een zeezeilcentrum. De gemeente maakt daarom terecht aanspraak op de ontruiming van het pand, aldus de voorzieningenrechter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2016/265 met annotatie van H.J. Bos

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/489495 / KG ZA 15-748

Vonnis in kort geding van 30 juli 2015

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE DEN HAAG,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in conventie,

tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. A.R. de Jonge te Den Haag,

tegen:

1 [gedaagde 1] ,

wonende, althans verblijvende te [verblijfplaats] ,

2. 'VERENIGING' DE VLOEK,

feitelijk gevestigd te Den Haag,

3. de maatschap

MAATSCHAP WATER & BROOD,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

4. [gedaagde 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

5. [gedaagde 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

6. [gedaagde 6] ,

wonende te [woonplaats] ,

7. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid

VERENIGING ZEEDRANCK & HAVENKUNST,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,

8. [gedaagde 8] ,

wonende te [woonplaats] ,

9. ZIJ DIE VERBLIJVEN OF WONEN IN DE GEBOUWDE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN, STAANDE EN GELEGEN AAN DE HELLINGWEG NR. 127 (2583 DZ) TE DEN HAAG, ZIJNDE DEZE ANDEREN DAN GEBRUIKERS DIE KRACHTENS EEN PERSOONLIJK OF ZAKELIJK RECHT IN VOORMELDE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN WONEN OF VERBLIJVEN EN VAN WIE DE NAMEN EN WOONPLAATSEN NIET BEKEND ZIJN,

van wie is verschenen:

9a. [gedaagde 9a] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

gedaagden in conventie,

gedaagden in conventie sub 2, 4, 5, 8 en 9a tevens eisers in voorwaardelijke reconventie,

advocaten: sub 2, 4 en 5: mr. C.J.M. van den Brûle te Den Haag,

sub 8 en 9a: mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag,

gedaagden sub 1, 3, 6, 7 en 9 (met uitzondering van [gedaagde 9a] ) zijn niet verschenen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds 'de Gemeente' en anderzijds ' [gedaagde 1] ', 'De Vloek', 'Water & Brood', ' [gedaagde 4] ', ' [gedaagde 5] ', ' [gedaagde 6] ', 'Zeedranck & Havenkunst', ' [gedaagde 8] ', ' [gedaagde 9a] ' (sub 9a) en 'de Overigen' (sub 9) (voor zover gezamenlijk bedoeld ook wel als 'gedaagden').

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akten houdende overlegging (van in totaal 48) producties van de Gemeente;

- de brieven van De Vloek, [gedaagde 4] en [gedaagde 5] van 3 en 7 juli 2015, waarbij (in totaal 22) producties zijn overgelegd;

- de akte houdende een voorwaardelijke eis in reconventie;

- de brief van de Gemeente van 7 juli 2015, met één productie;

- de producties 23 tot en met 27 van [gedaagde 8] en [gedaagde 9a] ;

- de op 9 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle verschenen partijen pleitnotities zijn overgelegd;

- de verstekverlening tegen [gedaagde 1] , Water & Brood, [gedaagde 6] , Zeedranck & Havenkunst en de Overigen op de zitting van 9 juli 2015.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

In conventie en reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Sinds 25 april 2000 is de Gemeente eigenaar van het pand, staande en gelegen aan de Hellingweg 127 te Den Haag, kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, sectie AK, nr 8932 (hierna aan te duiden als 'het Pand'). Het Pand bestaat uit twee loodsen en een buitenruimte en maakt onderdeel uit van het gebied Scheveningen-Haven.

2.2.

Op 5 juni 2002 is het Pand 'gekraakt'. Vervolgens heeft zich in het Pand de 'broedplaats' genaamd "De Vloek" gevestigd. Dit betreft een initiatief van kunstenaars en werklieden. Sindsdien wordt in het Pand ruimte geboden aan onder andere een restaurant, een concertzaal en andere initiatieven, zoals ateliers en oefenruimtes.

2.3.

Bij brief van 16 mei 2003 heeft de Gemeente het volgende bericht aan "Broedplaats de Vloek":

"Met excuses voor de late reactie kan ik u m.b.t. het gebruik van het pand Hellingweg 127 het volgende mededelen.

Het pand is eigendom van de gemeente Den Haag. U heeft het pand zonder toestemming van de gemeente Den Haag gekraakt.

Tijdens mijn bezoek op 24 juli 2002 aan de Hellingweg heb ik u gemeld dat het pand op termijn zal worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw. De Dienst Stedelijke Ontwikkelling van de gemeente Den Haag zal stedenbouwkundige en programmatische randvoorwaarden opstellen, op basis waarvan een ontwikkelaar wordt geselecteerd. Het is voor de gemeente van belang om over het pand te kunnen beschikken indien deze planvorming tot uitvoering komt.

Het beleid van de gemeente Den Haag m.b.t. tijdelijk leegstaand vastgoed biedt de mogelijkheid om panden onder bepaalde voorwaarden tijdelijk in bruikleen te geven aan bijvoorbeeld culturele initiatieven. U heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen een bruikleenovereenkomst. Wij hebben na intern overleg besloten om uw verzoek te honoreren, onder de voorwaarden dat het pand uitsluitend wordt gebruikt als culturele broedplaats en de brandweer een positief advies afgeeft m.b.t de brandveiligheid. Tegen de tijd dat de hierboven genoemde planvorming tot uitvoering komt zal de bruikleen worden opgezegd en het pand door u leeg moeten worden opgeleverd. Voor de brandweercontrole etc. zal binnenkort contact met u worden opgenomen."

2.4.

Op 6 juli 2009 heeft de Gemeente met een consortium, bestaande uit ING Vastgoedontwikkeling BV, ASR Vastgoed Ontwikkeling N.V. (hierna 'ASR') en Malherbe de Juvigny Vastgoed B.V. (hierna 'Malherbe'), een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de ontwikkelrechten van het gebied waarin het Pand is gelegen.

2.5.

Na een "Structuurvisie" en een "Nota van Uitganspunten Scheveningen-Havens", heeft de gemeenteraad op 18 januari 2010 het "Masterplan Scheveningen-kust" vastgesteld, inhoudend de plannen van de Gemeente ten aanzien van de herontwikkeling van het betreffende gebied. In het Masterplan is op de locatie van het Pand een zeezeilcentrum gepland.

2.6.

Na goedkeuring door de gemeenteraad heeft de Gemeente op 21 mei 2012 een Realisatieovereenkomst gesloten met ASR en Malherbe (als "Ontwikkelaars"), met betrekking tot de herontwikkeling van het gebied door en voor rekening van de Ontwikkelaars.

2.7.

Op 28 november 2013 heeft de gemeenteraad het nieuwe bestemmingsplan Scheveningen Haven vastgesteld. Dit plan is - na een beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - op 22 januari 2015 in gewijzigde vorm vastgesteld. Tegen het plangedeelte met betrekking tot de locatie van het Pand is geen beroep ingesteld, zodat dat deel van het bestemmingsplan in werking is getreden.

2.8.

Bij brief van 2 juli 2014 heeft de Gemeente aan de gebruikers van het Pand bericht dat het gebruik van het Pand vanwege de beoogde herontwikkeling op uiterlijk 5 januari 2015 moet eindigen en dat het Pand op die datum leeg en ontruimd moet worden opgeleverd. Bij brief van 26 november 2014 heeft de Gemeente aan de gebruikers medegedeeld dat de datum waarop het pand leeg dient te worden opgeleverd wordt verschoven van 5 januari 2015 naar uiterlijk 1 april 2015. In aansluiting daarop heeft de Gemeente - bij brief van 23 januari 2015 - de bruikleenovereenkomst met De Vloek opgezegd tegen 1 april 2015.

2.9.

In een brief van 26 september 2014 heeft de wethouder van Stedelijke Economie, Zorg en Havens aan de voorzitter van de Commissie Ruimte van Gemeente medegedeeld dat het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente van mening is dat er een inspanningsverplichting bestaat om binnen het redelijke mee te zoeken naar herhuisvesting van De Vloek. Het bestaan van die inspanningsverplichting heeft het college van Burgemeester en Wethouders nadien enige malen bevestigd, onder meer op 14 oktober 2014 in een brief aan de gemeenteraad.

2.10.

Ten behoeve van de ontwikkeling en realisatie van het bouwplan ter zake van de bouwkavel waarin het Pand is gelegen heeft de Gemeente op 14 oktober 2014 met Malherbe en ASR een Uitgifteovereenkomst gesloten. Op grond hiervan is Malherbe gehouden het bouwplan te realiseren en is de Gemeente verplicht zich in te spannen om de benodigde gemeentelijke procedures ten behoeve van de vergunningen voor het bouwplan voortvarend te laten verlopen. Daarnaast dient de Gemeente de bouwkavel in erfpacht uit te geven. In verband hiermee is de Gemeente jegens Malherbe en ASR verplicht de kavel bouwrijp te maken. Hieronder wordt verstaan de ontruiming en sloop van de bestaande opstallen, de verwijdering van kabels en leidingen, alsmede het verrichten van een bodemonderzoek en - zo nodig - het saneren van bodemverontreiniging.

2.11.

Met het oog op haar verplichtingen uit hoofde van de Uitgifteovereenkomst heeft de Gemeente op 13 februari 2015 een sloopmelding ingediend. Op 16 maart 2015 heeft de Gemeente ingestemd met de voorgenomen sloopwerkzaamheden. Met het oog op de uitvoering van deze werkzaamheden heeft firma VSM Sloopwerken op 17 maart 2015 een offerte uitgebracht. Deze is door de Gemeente op 25 maart 2015 geaccepteerd.

2.12.

Malherbe heeft op 17 februari 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd bij de Gemeente. Deze is op 10 april 2015 verleend en op 14 april 2015 gepubliceerd.

2.13.

Op 19 februari 2015 schreef de wethouder Stadsontwikkeling, Wonen, Duurzaamheid en Cultuur van de Gemeente het volgende aan De Vloek:

"Het college heeft in de commissiebrief van 14 oktober 2014 (RIS 276880)) uitgesproken te hechten aan broedplaatsen in de stad en zich in te spannen voor een goede overgang van de activiteiten van De Vloek naar een nieuwe locatie. Namens het college heb ik het voortouw genomen samen met De Vloek te zoeken naar een nieuwe locatie. De afgelopen maanden zijn samen met vertegenwoordigers van De Vloek verschillende locaties bekeken en is er intensief overlegd om een alternatieve locatie voor De Vloek te vinden.

Het college heeft vastgesteld dat van alle geïnventariseerde locaties de locatie gelegen aan de Beatrijsstraat 12 het beste alternatief is om de activiteiten van De V1oek onder te brengen. De gemeente is dan ook bereid het pand Beatrijsstraat 12 aan de gebruikers van De Vloek, onder nadere voorwaarden, in gebruik te geven. De bereidheid is uitdrukkelijk gekoppeld aan een tijdige, vrijwillige en volledige ontruiming van de locatie Hellingweg 127 door alle gebruikers van De Vloek.

Bruikleenovereenkomst

De afspraken over het gebruik van de locatie Beatrijsstraat 12 zullen worden vastgelegd in een aan u nog voor te leggen bruikleenovereenkomst. Voor het gebruik hoeft geen vergoeding te worden betaald. Wel dragen de gebruikers alle exploitatiekosten, waaronder de kosten van de nutsvoorzieningen, heffingen, verzekeringen en belastingen, alsmede de kosten voor het volledige onderhoud. De bruikleenovereenkomst wordt verder gesloten met alle gebruikers, zowel in persoon als - waarover ook eerder met u is gesproken - met een nog op te richten stichting of vereniging.

Vaststellingsovereenkomst

Daarnaast wenst de gemeente met alle gebruikers van De Vloek een vaststellingsovereenkomst te sluiten. In deze eveneens aan u nog voor te leggen vaststellingsovereenkomst leggen partijen vast dat de locatie Hellingweg 127 tijdig, vrijwillig en volledig wordt ontruimd. Dit betekent dat het pand uiterlijk 31 maart 2015 in lege en ontruimde staat wordt opgeleverd door iedereen die zich op de locatie Hellingweg 127 bevindt. Een ontruiming waarbij een of meer personen achterblijven, is voor de gemeente niet acceptabel en betekent dat de alternatieve locatie alsnog niet in gebruik zal worden gegeven. Er is duidelijk een koppeling tussen de integrale ontruiming van De Vloek en de terbeschikkingstelling van de alternatieve locatie.

(…)

Termijn

De gemeente hecht eraan dat zo snel mogelijk overeenstemming wordt bereikt over de vrijwillige ontruiming als hiervoor omschreven. Naar aanleiding van uw e-mail van 18 februari 2015 waarin u aangeeft meer tijd nodig te hebben om tot een reactie op dit aanbod te komen, is de gemeente bereid een laatste termijn te stellen die derhalve eindigt op vrijdag 27 februari 2015 om 12.00 uur. Na afloop van deze termijn zal geen nader uitstel meer worden verleend. Als voordien een reactie uitblijft, zal de gemeente dat dan ook als een weigering beschouwen.

Indien de aangeboden locatie door u wordt geaccepteerd, zend ik een concept-vaststellingsovereenkomst toe, waarin de afspraken omtrent de vrijwillige ontruiming nader worden vastgelegd. Ik benadruk hierbij nog dat een gedeeltelijke of voorwaardelijke aanvaarding van de locatie Beatrijsstraat 12 door de gemeente als een weigering van het door haar gedane aanbod wordt aangemerkt. In zoverre is dan ook sprake van een één en ondeelbaar aanbod van de gemeente."

2.14.

In aanvulling op voormelde brief is door de Gemeente aan (vertegenwoordigers van) de gebruikers van het Pand kenbaar gemaakt dat de bruikleenrelatie met betrekking tot het pand aan de Beatrijsstraat 12 te Den Haag een looptijd heeft van tien jaar, met dien verstande dat ook na vijf jaar een tussentijdse opzegging mogelijk is.

2.15.

Op 24 februari 2015 heeft de Gemeente - met het oog op de sloopwerkzaamheden -een watervergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Deze is op 2 april 2015 verleend.

2.16.

In verband met het bouwrijp maken van de grond heeft Buro S/L in opdracht van de Gemeente een actualiserend en een nader bodemonderzoek verricht. Hieruit bleek dat de betreffende bouwgrond deels sterk is verontreinigd en dat sanering nodig is. Vervolgens heeft nog een nader bodemonderzoek plaatsgevonden. Met het oog op de sanering van de grond heeft de Gemeente op 5 maart 2015 een zogenaamde 'BUS-melding' (waarbij BUS staat voor Besluit Uniforme Sanering) bij de Omgevingsdienst Haaglanden ingediend. Hierop heeft Omgevingsdienst Haaglanden op 18 maart 2015 aan de Gemeente bericht dat de melding voldoet en dat kan worden overgegaan tot de sanering.

2.17.

Op 10 april 2015 heeft Malherbe met het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de op de plaats van het Pand te realiseren nieuwbouw ten behoeve van het zeezeilcentrum.

2.18.

Op 15 mei 2015 heeft Malherbe aan de Gemeente bericht dat de benodigde voorbereidingen van de herontwikkeling zijn afgerond en dat met de voorbereiding van de bouw kan worden aangevangen. In verband hiermee verzoekt Malherbe de Gemeente zo snel mogelijk over te gaan om de ontruiming van de bouwkavel te bewerkstelligen en met de bouwrijpwerkzaamheden aan te vangen.

2.19.

Op 15 juni 2015 heeft de Gemeente met een groep gebruikers van het Pand (acht ondernemers) een bruikleenovereenkomst voor de duur van twaalf maanden gesloten met betrekking tot een bedrijfspand aan de Wegastraat/Polluxstraat te Den Haag. Deze gebruikers zullen het Pand vóór 22 juli 2015 verlaten.

2.20.

De overige gebruikers van het Pand hebben het aanbod van de Gemeente betreffende het alternatieve pand aan de Beatrijsstraat 12 te Den Haag niet geaccepteerd, in het bijzonder niet omdat zij zich niet kunnen vinden in de voorwaarde van de Gemeente dat het Pand volledig moet worden ontruimd.

2.21.

Malherbe heeft met Bakels en Ouwerkerk Bouwgroep B.V. te Leidschendam een aannemingsovereenkomst gesloten in verband met de bouw van het zeezeilcentrum.

2.22.

Blijkens gegevens van de Gemeentelijke Basisadministratie staat [gedaagde 1] ingeschreven op het adres van het Pand. Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat Water & Brood en Zeedranck en Havenkunst staan ingeschreven op het adres van het Pand. [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn de maten van Water & Brood. [gedaagde 6] en [gedaagde 8] zijn de bestuurders van Zeedranck & Havenkunst.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

De Gemeente vordert, zakelijk weergegeven:

I. gedaagden te veroordelen om het - door hen bewoonde, dan wel bij hen in gebruik zijnde - Pand binnen drie dagen na de betekening van het te wijzen vonnis te ontruimen, met machtiging om - zo nodig - de ontruiming op kosten van gedaagden zelf ten uitvoer te leggen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

II. te bepalen dat het te wijzen vonnis tot één jaar na de dag van de uitspraak of - indien de tenuitvoerlegging van het vonnis na verloop van een bepaalde termijn wordt toegestaan - tot één jaar na de dag waarop die termijn verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in het Pand, dan wel onderdelen ervan, bevindt of het Pand betreedt en telkens wanneer zich dit voordoet;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,

3.2.

Daartoe voert de Gemeente - samengevat - het volgende aan.

De gebruikers van het Pand weten al ruim 13 jaar dat zij het Pand moeten verlaten zodra de planvorming met betrekking tot het gebied waarin het Pand is gelegen tot uitvoering komt. Dat is uitdrukkelijk vastgelegd in de brief van de Gemeente van 16 mei 2013, waarin de bruikleenovereenkomst met betrekking tot het Pand is vastgelegd, terwijl de gebruikers van het Pand er ook nadien meerdere malen op zijn gewezen. Die situatie doet zich thans voor. Er bestaan op dit moment namelijk concrete plannen om tot de daadwerkelijke uitvoeringswerkzaamheden betreffende de herontwikkeling van het gebied, waarin het pand is gelegen, over te gaan. Ingevolge de onder 2.10 vermelde Uitgifteovereenkomst is de Gemeente jegens Malherbe verplicht om thans zo snel mogelijk over te gaan tot het bouwrijp maken van de bouwkavel, zodat Malherbe, althans de door haar ingeschakelde aannemer, kan aanvangen met de bouwwerkzaamheden. Na de opzegging van de bruikleenovereenkomst verblijven gedaagden zonder recht of titel in het pand. Voor zover één of meer van de gedaagden niet krachtens de bruikleenovereenkomst in het Pand verblijven en/of daar woonachtig zijn, is hun verblijf ook onrechtmatig. Daarmee maken zij immers een inbreuk op het eigendomsrecht van de Gemeente. Bovendien is het Pand niet bestemd als woonruimte. Het voortgezet verblijf van de gedaagden in het Pand verhindert dat de Gemeente haar contractuele verplichtingen ten opzichte van Malherbe nakomt. De Gemeente erkent dat zij jegens De Vloek een inspanningsverplichting heeft met het oog op een vervangende ruimte waar zij haar activiteiten kan voortzetten. Aan die verplichting heeft de Gemeente voldaan door het pand aan de Beatrijsstraat 12 te Den Haag aan te bieden. Dat aanbod is echter ten onrechte niet geaccepteerd.

3.3.

De verschenen gedaagden voeren gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig -hierna zal worden besproken.

In voorwaardelijke reconventie

3.4.

De Vloek, [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9a] vorderen voorwaardelijk, voor zover de in conventie gevorderde ontruiming jegens hen wordt toegewezen:

I. de Gemeente te bevelen alsnog het pand aan de Beatrijsstraat 12 te Den Haag, dan wel andere adequate vervangende huisvesting, ter beschikking te stellen, teneinde de activiteiten van De Vloek aldaar voort te kunnen zetten, zonder daarbij de voorwaarde te stellen dat de betreffende (bruikleen)overeenkomst door alle gedaagden in conventie moet worden ondertekend en/of dat de ondertekenaars van de overeenkomst garant staan voor de ontruiming van het Pand door anderen dan henzelf;

II. de Gemeente te veroordelen tot betaling van een boete van € 500.000,-- aan een nog nader te bepalen fonds ten behoeve van vrijplaatsen in Den Haag, indien blijkt dat na ommekomst van een in het vonnis op te nemen einddatum voor het bouwrijp maken van het betreffende terrein na twee maanden nog geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden;

III. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

Daartoe voeren zij - samengevat - het volgende aan.

Uit de door de Gemeente op zich genomen inspanningsverplichting vloeit voort dat De Vloek aanspraak kan maken op alternatieve ruimte. De in het kader van de onderhandelingen over het pand aan de Beatrijsstraat door de Gemeente opgeworpen eis dat een overeenkomst daarover met alle huidige gebruikers moet worden gesloten en dat de ondertekenaars ervoor garant dienen te staan dat het Pand geheel leeg zal worden opgeleverd, is een overspannen eis die wel moest leiden tot afwijzing van het aanbod van de Gemeente. Dat klemt temeer nu de Gemeente niet is ingegaan op verzoeken om concrete informatie over de bouwplannen. Gelet op dit laatste en nu het verleden heeft aangetoond dat (lang) niet altijd na een ontruimingsvonnis wordt overgegaan tot herontwikkeling, is het redelijk dat de Gemeente een boete verschuldigd is indien die situatie zich hier ook voordoet. Die boete kan worden aangemerkt als een redelijke en proportionele vorm van abstracte schadeberekening en vooral ook als een serieuze prikkel om te bewerkstelligen dat geen ontruiming wordt doorgezet zonder voldoende vertrouwen van de kant van de Gemeente dat de gepresenteerde plannen zullen worden doorgezet.

3.6.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

In conventie

Met betrekking tot de verschenen gedaagden

4.1.

De verschenen gedaagden hebben aangevoerd dat de Gemeente geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Daarin kunnen zij echter niet worden gevolgd. Indien de stellingen van de Gemeente - na een inhoudelijke beoordeling, waarvoor in het kader van dit preliminaire verweer geen plaats is - voor juist moeten worden gehouden, is daarmee het spoedeisende karakter van haar vordering gegeven.

4.2.

Centraal in de onderhavige procedure staat de vraag of de Gemeente mag overgaan tot de ontruiming van het Pand tegen de achtergrond van het door de Gemeente erkende belang van een 'broedplaats' als De Vloek. Dat - op zichzelf dus niet ter discussie staande - belang, vormt in feite de basis van het door de verschenen gedaagden gevoerde verweer.

4.3.

De Gemeente heeft De Vloek (als gedaagde sub 2) gedagvaard als
" 'VERENIGING' DE VLOEK ". Op de zitting heeft zij aangegeven dat zij vereniging tussen aanhalingstekens heeft geplaatst omdat zij niet weet of De Vloek wel een vereniging is. Op de zitting is gebleken dat De Vloek noch een (formele dan wel informele) vereniging, noch een andere rechtspersoon, noch een personenvennootschap is. De Vloek heeft aangevoerd dat zij een sociaal-culturele broed- c.q. vrijplaats is, waarbinnen kunstenaars, ambachtslieden en (culturele) ondernemers hun activiteiten (kunnen) ontplooien. Haar samenstelling is wisselend en bestaat uit een vaste kern van circa 40 personen. Op de zitting heeft zij aangegeven dat zij een "ongrijpbaar geheel" vormt. Als een (identificeerbaar) natuurlijk persoon kan zij dus ook niet worden aangemerkt. Ingevolge het Nederlandse burgerlijke procesrecht kunnen - met uitzondering van de in artikel 45 lid 4 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv') bedoelde situatie (krakers) - slechts natuurlijke personen, rechtspersonen en personenvennootschappen als procespartij optreden in een rechtsgeding. Uit het voorgaande volgt dat De Vloek geen van die kwaliteiten bezit. Dit betekent dat de Gemeente niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering voor zover deze zich richt tot De Vloek. Voor de goede orde wordt hierbij nog opgemerkt dat dat niet betekent dat de tot De Vloek behorende (rechts)personen het Pand niet behoeven te verlaten indien in dit vonnis wel de ontruiming van het Pand door de Overigen (gedaagden sub 9) wordt bevolen, aangezien zij (ook) tot die procespartij moeten worden gerekend.

4.4.

Aan het voorgaande doet overigens niet af dat de Gemeente een - hierna nog aan de orde komende - inspanningsverplichting heeft met het oog op vervangende ruimte ten behoeve van De Vloek in geval van een ontruiming van het Pand. Op die verplichting kunnen de tot De Vloek behorende (individuele) rechts- en natuurlijke personen zich jegens de Gemeente beroepen.

4.5.

Zeedranck & Havenkunst staat ingeschreven op het adres van het Pand en maakt kennelijk deel uit van De Vloek. Zij is echter niet in het geding verschenen. Haar bestuurders zijn [gedaagde 6] en [gedaagde 8] . De Gemeente heeft hen enkel in hun hoedanigheid van bestuurders van Zeedranck & Havenkunst gedagvaard (zie dag. sub 1.4). [gedaagde 6] is niet verschenen. [gedaagde 8] wel, maar - zo heeft hij uitdrukkelijk aangegeven op de zitting - enkel op persoonlijke titel en niet (mede) als bestuurder van Zeedranck & Havenkunst. Niet valt in te zien echter wat het 'persoonlijke' belang is van [gedaagde 8] bij de onderhavige kwestie. Te minder nu hij - blijkens de dagvaarding - niet woonachtig is of verblijft op het adres van het Pand. Met betrekking tot dat persoonlijke belang heeft [gedaagde 8] ook niets gesteld. Hooguit valt uit zijn stellingen op te maken dat hij sympathiseert met De Vloek, maar dat is onvoldoende om als verweer van een procespartij tegen de vordering van de Gemeente te worden aangemerkt. Een en ander betekent, dat - voor zover Zeedranck & Havenkunst wordt bevolen het Pand te ontruimen - ook [gedaagde 8] , als haar bestuurder, het Pand dient te verlaten. In dat geval zal ook de vordering van de Gemeente jegens [gedaagde 8] worden toegewezen.

4.6.

Water & Brood staat ingeschreven op het adres van het Pand en maakt kennelijk deel uit van De Vloek. Zij is echter - als gedaagde sub 3 - niet in het geding verschenen. [gedaagde 4] , [gedaagde 5] en [gedaagde 6] zijn haar maten/vennoten. De Gemeente heeft hen enkel in hun hoedanigheid van maat/vennoot van Water & Brood gedagvaard (zie dagv. sub 1.4). [gedaagde 6] is niet verschenen. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] wel, maar - blijkens hun verklaringen op de zitting - enkel op persoonlijke titel en niet (mede) als maat/vennoot van Water & Brood. Niet valt in te zien echter wat hun 'persoonlijke' belang is bij de onderhavige kwestie. Te minder nu zij - blijkens de dagvaarding - niet woonachtig zijn of verblijven op het adres van het Pand. Met betrekking tot dat persoonlijke belang hebben [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ook niets gesteld. Hooguit valt uit hun stellingen op te maken dat zij sympathiseren met De Vloek, maar dat is onvoldoende om als verweer van een procespartij tegen de vordering van de Gemeente te worden aangemerkt. Een en ander betekent, dat - voor zover Water & Brood wordt bevolen het Pand te ontruimen - ook [gedaagde 4] en [gedaagde 5] , als haar maten/vennoten, het Pand dienen te verlaten. In dat geval zal ook de vordering van de Gemeente jegens hen worden toegewezen.

4.7.

Voor wat betreft de verschenen gedaagden rest thans enkel nog het geschil tussen de Gemeente en [gedaagde 9a] . Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 9a] onderdeel uitmaakt van De Vloek. Daarvan zal dan ook niet worden uitgegaan. Met betrekking tot hem is - in feite - enkel aangevoerd dat hij 'bewoner' is van het Pand.

4.8.

Gelet op het vorenstaande en nu onweersproken is gesteld dat het Pand niet bestemd is voor bewoning, terwijl de bruikleenovereenkomst uit 2003 bewoning uitsluit, moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde 9a] een 'kraker' is. Als zodanig heeft hij het eigendomsrecht van de Gemeente betreffende het Pand geschonden. Voorts dient het kraken van een onroerende zaak te worden gekwalificeerd als een misdrijf, op grond van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis is het belang van die bepaling vooral gelegen in de bescherming van het eigendomsrecht van de ander (zie o.a. Kamerstukken II 2007/08, 31 560, nr. 3, p. 1). Daarmee is de onrechtmatigheid van het kraken van het Pand door [gedaagde 9a] gegeven.

4.9.

Van de zijde van de verschenen gedaagden zijn verschillende argumenten aangevoerd, op grond waarvan naar hun mening desondanks niet mag worden overgegaan tot de ontruiming van het Pand. Op grond van al het voorgaande regarderen die argumenten thans enkel nog [gedaagde 9a] .

4.10.

[gedaagde 9a] kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de herontwikkelingsplannen van de Gemeente onvoldoende concreet zijn. Op grond van de onder 2.4, 2.5., 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.12, 2.15, 2.16, 2.17, 2.18 en 2.21 vermelde feiten kan niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is van concrete herontwikkelings- en bouwplannen en dat de Gemeente (vrijwel) direct nadat het Pand is ontruimd zal overgaan tot het bouwrijp maken van de kavel waarop het Pand is gesitueerd, alsmede dat - nadat die activiteiten zijn afgerond - Malherbe, althans de door haar ingeschakelde aannemer, de bouwactiviteiten op de kavel zal starten. Mede gelet op de gemotiveerde weerlegging van het verweer door de Gemeente kan niet worden aangenomen dat de thans nog aanhangig zijnde bezwaarschriftprocedures tegen de verleende omgevingsvergunning, de - eventuele - noodzaak om separaat een watervergunning aan te vragen ten behoeve van de saneringswerkzaamheden en het naderende stormseizoen daaraan in de weg zullen (kunnen) staan. Op grond van een en ander gaat de voorzieningenrechter er niet van uit dat de kavel, na de ontruiming van het Pand en de sloop ervan, nog lang braak zal blijven liggen. Voorts is op grond van de processtukken - in het bijzonder het rapport van Regelink Ecologie & Landschap van 1 juli 2015 - niet aannemelijk dat de nestactiviteiten van de op het terrein gesignaleerde zwarte roodstaart nog zullen worden gestoord door een toewijzend vonnis.

4.11.

[gedaagde 9a] heeft zich tenslotte nog beroepen op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Het in dat artikel geregelde 'huisrecht' geldt in beginsel slechts in verhouding tot de overheid ('verticale werking'). In het midden kan blijven of de Gemeente in de onderhavige procedure moet worden aangemerkt als overheid in voormelde zin, nu zij hier optreedt als eigenaar van het Pand. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot het huisrecht moet worden afgeleid dat het gedwongen verlies van iemands huis ("home") de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat een ieder die het risico loopt van een dergelijke inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit te laten toetsen door de rechter, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. Door middel van de onderhavige procedure wordt [gedaagde 9a] in staat gesteld de proportionaliteit van de voorgenomen ontruiming te laten toetsen door de (onafhankelijke) rechter, zodat aan voormelde voorwaarde is voldaan.

4.12.

Met het oog op die proportionaliteitstoets acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Zoals ook al uit hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen volgt, behoeft de Gemeente de inbreuk door [gedaagde 9a] op zijn eigendomsrecht - in beginsel - niet te dulden. Daar komt bij dat al geruime tijd bekend was - ook bij de gebruikers van het Pand - dat de Gemeente wil overgaan tot herontwikkeling van het betreffende gebied en dat in die plannen geen plaats is voor handhaving van het Pand. Zoals hiervoor onder 4.10 overwogen, is sprake van (zeer) concrete herontwikkelingsplannen en kunnen de daadwerkelijke bouwactiviteiten aanvangen nadat het gebied bouwrijp is gemaakt. Voorts is de Gemeente jegens Malherbe contractueel verplicht om laatstbedoelde werkzaamheden, waaronder begrepen de sloop van het Pand, zo spoedig mogelijk uit te voeren. Bovendien kan niet worden aangenomen dat het Pand geschikt is voor bewoning. In publiekrechtelijke zin heeft het Pand ook een andere bestemming. Tot slot is van belang dat [gedaagde 9a] zijn beroep op het huisrecht en de mate waarin dit zou zijn geschonden niet, dan wel nauwelijks, nader heeft toegelicht, hetgeen wel van hem had mogen worden verwacht. Alles afwegende moet worden geconcludeerd dat de door de Gemeente beoogde ontruiming gerechtvaardigd is.

Met betrekking tot de niet verschenen gedaagden

4.13.

Mede bezien in het licht van het hetgeen met betrekking tot de verschenen gedaagden is overwogen, komen de vorderingen van de Gemeente tegen de niet-verschenen gedaagden (sub 1,3, 6, 7 en 9) noch onrechtmatig noch ongegrond voor.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat de Gemeente niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering jegens De Vloek en dat de gevorderde ontruiming jegens de andere gedaagden zal worden toegewezen. Nu de verschenen gedaagden de gemotiveerde stelling van de Gemeente dat er geen aanleiding is voor het vragen van inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 557a lid 2 Rv, niet hebben betwist, zullen die inlichtingen ook niet worden ingewonnen. Anders dan de verschenen gedaagden stellen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Gemeente met het oog op een eventuele herkraak belang heeft bij haar vordering ex artikel 557a lid 3 Rv om het vonnis gedurende een bepaalde periode ten uitvoer te kunnen leggen jegens een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging in het Pand bevindt. Die termijn zal worden vastgesteld op zes maanden na de dag waarop dit vonnis wordt uitgesproken. De ontruimingstermijn zal in redelijkheid worden bepaald op vijf dagen na de betekening van het vonnis. De gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, nu de deurwaarder de bevoegdheid heeft tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming over te gaan op grond van de artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv.

4.15.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de gedaagden, met uitzondering van De Vloek, hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Een proceskostenveroordeling van de Gemeente ten behoeve van De Vloek, als gedaagde partij, zou gelet op de uitkomst in de rede liggen. Echter nu De Vloek niet kan worden aangemerkt als rechtssubject en dus geen drager kan zijn van subjectieve rechten en plichten, heeft De Vloek daarbij geen belang. Overigens zouden de kosten van De Vloek zijn begroot op nihil, aangezien haar advocaat mede optrad voor andere gedaagden en ten behoeve van al haar cliënten gebruik maakte van dezelfde processtukken, zodat niet kan worden aangenomen dat de procedure jegens De Vloek heeft geleid tot extra kosten.

4.16.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

Als erkend staat vast dat de Gemeente een inspanningsverplichting heeft jegens de tot De Vloek behorende personen en bedrijven. De strekking van die verplichting is tussen partijen in geschil. Teneinde daaromtrent meer duidelijkheid te verschaffen en eventuele executieproblemen bij de ontruiming van het Pand te voorkomen, acht de voorzieningenrechter het wenselijk zich daarover in dit vonnis uit te laten.
Blijkens de onder 2.13 vermelde brief van 19 februari 2015 betreffende het aanbod van het pand aan de Beatrijsstraat 12 te Den Haag, welke locatie volgens de verschenen gedaagden op zichzelf een aanvaardbaar alternatief is, is de Gemeente bereid aan haar onderhavige verplichting te voldoen indien De Vloek (lees: de daartoe behorende personen en bedrijven) er voor garant staat dat iedereen die zich in het Pand bevindt meewerkt aan de ontruiming. Een dergelijke - verstrekkende - voorwaarde kan in redelijkheid echter niet worden gesteld, aangezien De Vloek dat niet in haar macht heeft. Aan de andere kant moet De Vloek - gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen - (kunnen) begrijpen dat de Gemeente wil weten met wie zij een eventuele bruikleenovereenkomst sluit met betrekking tot een alternatieve locatie. De tot De Vloek behorende personen en bedrijven, die de overeenkomst aangaan, dienen zich dan ook jegens de Gemeente te identificeren en het contract persoonlijk, dan wel deugdelijk vertegenwoordigd, te ondertekenen.

In reconventie

4.17.

De voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld is ingetreden, nu de in conventie gevorderde ontruiming van het Pand jegens [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9a] wordt toegewezen, zodat zal worden overgegaan tot de beoordeling van die vorderingen.

4.18.

Voor zover de reconventionele vorderingen zijn ingesteld door De Vloek, stranden deze reeds op grond van hetgeen in conventie onder 4.3 en 4.4 is overwogen. Daaruit volgt immers dat De Vloek niet kan optreden als procespartij en dus ook geen vordering kan instellen.

4.19.

De vordering betreffende het beschikbaar stellen van vervangende huisvesting is gebaseerd op de inspanningsverplichting van de Gemeente jegens de De Vloek, of beter gezegd de daartoe behorende personen en bedrijven (zie r.o. 4.3). Uit hetgeen in conventie ten aanzien van [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9a] is overwogen, volgt dat zij daartoe in de onderhavige procedure niet kunnen worden gerekend. Zij kunnen de Gemeente derhalve niet aanspreken op bedoelde verplichting, zodat de vordering zal worden afgewezen.

4.20.

De gevorderde (voorwaardelijke) boete is reeds niet voor toewijzing vatbaar nu - gelet op hetgeen in conventie onder 4.12 is overwogen - niet aannemelijk is dat de Gemeente na de ontruiming van het Pand niet snel zal overgegaan tot het bouwrijp maken van de kavel en dat vervolgens niet zal worden gestart met de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden.

4.21.

[gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 8] en [gedaagde 9a] zullen - als de in het ongelijk gestelde partij -worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de samenhang met het geschil in conventie, zullen die kosten worden begroot op nihil. Voor wat betreft De Vloek wordt kortheidshalve verwezen naar hetgeen onder 4.15 met betrekking tot haar is overwogen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

5.1.

verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar vordering jegens De Vloek;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] , Water & Brood, [gedaagde 4] , [gedaagde 5] , [gedaagde 6] , Zeedranck & Havenkunst, [gedaagde 8] , [gedaagde 9a] en de Overigen om het Pand (staande en gelegen aan de Hellingweg 127 te (2583 DZ) Den Haag, binnen vijf dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en niet opnieuw in gebruik te nemen of af te geven, zulks met al het hunne en al degenen die zich hunnentwege in het Pand mochten bevinden daaronder begrepen;

5.3.

bepaalt dat dit vonnis tot zes maanden na het uitspreken ervan ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging zonder recht of titel in het Pand (aan de Hellingweg 127 te (2583 DZ) Den Haag) bevindt of (één van de gebouwen van) het Pand betreedt en telkens wanneer zich dit voordoet;

5.4.

veroordeelt gedaagden, met uitzondering van De Vloek, hoofdelijk in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.533,05, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht en € 104,05 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw, alsmede te vermeerderen met de kosten verbonden aan de plaatsing van de dagvaarding in het AD/De Haagsche Courant en de wettelijke rente indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis worden voldaan;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

5.7.

wijst het gevorderde af;

5.8.

veroordeelt gedaagden, met uitzondering van De Vloek, in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Gemeente begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2015.

jvl