Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8773

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
C/09/459714 / HA ZA 14-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid echtgenoot wegens onttrekkingen aan financiële middelen van Haags kerkgenootschap en twee stichtingen voor privé-doeleinden. Aansprakelijkheid van echtgenote voor deel van onrechtmatige onttrekkingen op grond van artikel 2:9 BW en artikel 6:166 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0306
AR 2015/1422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel

Vonnis van 24 juni 2015

in de zaak met zaak- en rolnummer C/09/459714 / HA ZA 14-193 van:

1. de stichting

STICHTING CULTUREEL BEHEER PALEISSTRAAT 8,

gevestigd te Den Haag,

2. het kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

DOOPSGEZINDE GEMEENTE TE ’S-GRAVENHAGE,

gevestigd te Den Haag,

3. de stichting

STICHTING STEUNFONDS OLDESLO,

gevestigd te Voorburg,

eiseressen,

advocaat: mr. T. Welschen te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

beide wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. I.H.M. Baas te Den Haag.

Eiseressen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als de Stichting Beheer, de Doopsgezinde Gemeente en het Steunfonds Oldeslo, en gezamenlijk als eiseressen. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden aangeduid, en gezamenlijk als gedaagden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 augustus 2013;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van eiseressen van 5 maart 2014 (met producties 1-13);

  • -

    de akte houdende aanvulling c.q. wijziging eis van de zijde van eiseressen van 19 maart 2014;

  • -

    het rolbericht van 27 maart 2014 waarbij van de zijde van eiseressen processen-verbaal van beslaglegging zijn overgelegd;

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde 1] (met producties 1-7);

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde 2] (met producties);

  • -

    het tussenvonnis van 18 juni 2014, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief van de griffier van deze rechtbank van 24 juli 2014, waarbij de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer;

  • -

    het rolbericht van eiseressen van 13 augustus 2014, waarbij producties 14-22 zijn overgelegd;

  • -

    de brief van mr. Welschen van 13 augustus 2014, met als bijlagen producties 23-30;

  • -

    de brief van mr. Baas van 14 augustus 2014 met producties 8-11;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie voor de meervoudige kamer van 28 augustus 2014 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte uitlaten tevens voorwaardelijke eis vernietiging decharge van de zijde van eiseressen van 1 oktober 2014;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 2] van 29 oktober 2014.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. De brieven van 17 september 2014 van mr. Baas en van 18 september 2014 van mr. Welschen zijn aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van partijen ingegaan.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echtgenoten. Zij zijn niet in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

De Doopsgezinde Gemeente is een kerkgenootschap. Het bestuur wordt kerkenraad genoemd. [gedaagde 1] was vanaf 1 april 2001 tot en met 31 december 2009 penningmeester bij de Doopsgezinde Gemeente. [gedaagde 2] heeft vanaf 1 januari 2010 de functie van penningsmeester overgenomen van [gedaagde 1] , en die vervuld tot en met 30 juni 2013.

2.3.

De Doopsgezinde Gemeente is eigenaar van het kerkgebouw aan de Paleisstraat 8 te Den Haag (hierna: het kerkgebouw).

2.4.

De Stichting Beheer is op 19 september 2002 opgericht en heeft volgens de Statuten als doel ten behoeve van de Doopsgezinde Gemeente opbrengsten te genereren uit de verhuur van het kerkgebouw, en het afwikkelen van de financiële en administratieve werkzaamheden die voortvloeien uit de verhuur en het onderhoud (artikel 2 van statuten). De Stichting Beheer beheert en onderhoudt het kerkgebouw. Een batig exploitatiesaldo wordt ter beschikking gesteld aan de Doopsgezinde Gemeente, en een negatief saldo wordt door de gemeente als vordering op de stichting overgenomen (artikel 8 lid 6 van de statuten). In de Statuten is voorts vermeld dat, indien er geldmiddelen nodig zijn die niet beschikbaar zijn binnen de Stichting Beheer, deze middelen kunnen worden verkregen via een rekening-courantverhouding met de Doopsgezinde Gemeente (artikel 4 aanhef en onder b van de statuten). In artikel 5 van de statuten (“Bestuur”) is bepaald dat de penningmeester van de kerkenraad van de Doopsgezinde Gemeente tevens de penningmeester is van de Stichting Beheer. Eén van de leden van de kerkenraad woont de vergaderingen van de Stichting Beheer bij. De Stichting Beheer kan worden beschouwd als een dochter van de Doopsgezinde Gemeente. [gedaagde 1] was vanaf de oprichting penningmeester van de Stichting Beheer tot en met 30 juni 2013. Hij is op 30 mei 2013 geschorst.

2.5.

Het Steunfonds Oldeslo heeft als doel het de minder draadkrachtige bewoners van Woonzorgcentrum Oldeslo mogelijk te maken de kosten van voorzieningen te dragen en bij te dragen aan de recreatieve genoegens van deze personen. [gedaagde 1] was van

1 juli 1993 tot en met 4 juli 2013 voorzitter van het Steunfonds Oldeslo. Verder was hij van 11 april 2007 tot en met 30 april 2010 interim-directeur bij het Woonzorgcentrum Oldeslo.

2.6.

Op 28 mei 2013 hebben de kerkenraad van de Doopsgezinde Gemeente en het bestuur van de Stichting Beheer in hun gezamenlijke vergadering besloten een onderzoek in te stellen naar door hen geconstateerde grootschalige uitgaven door [gedaagde 1] , die het karakter van privébetalingen leken te hebben. In afwachting van de resultaten is [gedaagde 1] vanaf 30 mei 2013 geschorst uit zijn bestuursfuncties. De geconstateerde onttrekkingen door [gedaagde 1] betroffen zowel de Doopsgezinde Gemeente, de Stichting Beheer als ook het Steunfonds Oldesloo. Ook [gedaagde 2] is met ingang van 30 mei 2013 als penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente geschorst.

2.7.

[gedaagde 1] heeft – in een poging van partijen om tot een minnelijke regeling te komen – op 9 juli 2013 een schriftelijke verklaring ondertekend, waarin was vermeld dat hij voor “tenminste EUR 150.000” gelden van eiseressen ten eigen bate had aangewend. Voorts was in die verklaring vermeld dat hij zijn volle medewerking zal verlenen aan het onderzoek naar de hoogte van de schade en als blijk van goede wil een voorschot van € 10.000 zal storten op de rekening van de Doopsgezinde Gemeente. [gedaagde 1] heeft dit bedrag daadwerkelijk gestort. De verklaring was opgesteld door de Doopsgezinde Gemeente.

2.8.

Leden van de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer hebben vervolgens een onderzoeksteam ingesteld om de betalingen en geldstromen tussen eiseressen te inventariseren. Aan de hand van bankafschriften zijn de gestelde dubieuze pinopnames, overboekingen en overschrijvingen van [gedaagde 1] in kaart gebracht.

2.9.

[gedaagde 1] heeft tot op heden een totaalbedrag van € 45.000 aan eiseressen terugbetaald.

3 Het geschil

3.1.

Eiseressen vorderen, na wijzigingen van eis – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

met betrekking tot de Stichting Beheer

  • -

    een verklaring voor recht dat gedaagden, al dan niet tezamen, onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Stichting Beheer, althans dat zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van de Stichting Beheer, en dat zij, al dan niet hoofdelijk, verplicht zijn tot vergoeding van de geleden schade;

  • -

    gedaagden hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen tot betaling aan de Stichting Beheer van een bedrag van € 194.909,74 te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de datum van de respectieve onttrekkingen, zoals te ontlenen aan productie 14 bij de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

met betrekking tot de Doopsgezinde Gemeente:

  • -

    een verklaring voor recht dat gedaagden, al dan niet tezamen, onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Doopsgezinde Gemeente, althans dat zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van de Doopsgezinde Gemeente, en dat zij, al dan niet hoofdelijk, verplicht zijn tot vergoeding van de geleden schade;

  • -

    gedaagden hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen tot betaling aan de Doopsgezinde Gemeente van een bedrag van € 450.976,85 te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de datum van de respectieve onttrekkingen, zoals te ontlenen aan productie 15 bij de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    voorwaardelijk, vernietiging van de decharge jegens [gedaagde 2] ;

met betrekking tot het Steunfonds Oldeslo:

  • -

    een verklaring voor recht dat gedaagden, al dan niet tezamen, onrechtmatig hebben gehandeld jegens het Steunfonds Oldeslo, althans dat zij ongerechtvaardigd zijn verrijkt ten koste van het Steunfonds Oldeslo, en dat zij, al dan niet hoofdelijk, verplicht zijn tot vergoeding van de geleden schade;

  • -

    gedaagden hoofdelijk, dan wel ieder voor zich, te veroordelen tot betaling aan het Steunfonds Oldeslo van een bedrag van € 185.051,46, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de datum van de respectieve onttrekkingen, zoals te ontlenen aan productie 16 bij de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

met betrekking tot alle eiseressen:

- veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure waaronder begrepen de beslagkosten;

subsidiair:

met betrekking tot alle eiseressen:

  • -

    [gedaagde 1] te veroordelen tot nakoming van de afspraken zoals neergelegd in de verklaring van 9 juli 2013;

  • -

    veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de beslagkosten.

3.2.

Eiseressen leggen aan hun vorderingen – kort gezegd – het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad, al dan niet in groepsverband (artikel 6:166 BW). Vanaf april 2010 zijn vele betalingen door het Steunfonds Oldeslo gedaan aan de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer. Deze betalingen zijn door laatstgenoemden geaccepteerd zonder dat daarvoor enige grondslag was. Vanaf 1 januari 2010 was [gedaagde 2] penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente. Vóór 2010 werden grote bedragen direct aan de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer onttrokken zonder dat deze vanuit de het Steunfonds Oldeslo werden “vergoed”. Voor geen van die onttrekkingen is toestemming verleend door de besturen van eiseressen en daarmee werd niet binnen de doelstelling van eiseressen gehandeld. Eiseressen vorderen hetgeen aan hen “als groep” is onttrokken, waarbij zij niet vorderen de bedragen die binnen hen onrechtmatig zijn rondgesluisd. De betalingen van de ene eiseres aan de andere eiseres zijn dus niet meegerekend. Eiseressen wensen slechts verhaal te halen voor de schade die zij als groep hebben geleden. Eiseressen hebben een totaalbedrag van € 830.938,05 te vorderen van gedaagden in verband met onrechtmatige onttrekkingen. [gedaagde 2] is voorts aansprakelijk op grond van artikel 2:9 BW ten opzichte van (in ieder geval) de Doopsgezinde Gemeente voor de geleden schade door de onrechtmatige onttrekkingen. Als subsidiaire grondslag voeren eiseressen aan dat gedaagden ongerechtvaardigd zijn verrijkt. Ten aanzien van [gedaagde 1] hebben eiseressen subsidiair nakoming van de afspraak zoals vastgelegd in de verklaring van

9 april 2013 (zie 2.7) gevorderd.

3.3.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen en verweren zal de rechtbank, voor zover relevant, hierna bij de beoordeling ingaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

De rechtbank zal in het navolgende (onder A) eerst de vorderingen van de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer jegens [gedaagde 1] beoordelen over de periode 2003-2010, (onder B) vervolgens de vorderingen van de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer jegens [gedaagde 2] , daarna (onder C) de vorderingen van eiseressen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] over de periode 2010-2013. De vorderingen van het Steunfonds Oldeslo strekken zich alleen uit over de periode 2010-2013.

Beoordelingskader

4.2.

De artikelen 6:162 BW en/of 2:9 BW vormen in de eerste plaats het relevante beoordelingskader. In verband met artikel 2:9 BW is het volgende van belang.

4.3.

Op grond van artikel 2:9 BW (oud) is iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Deze bepaling is per 1 januari 2013 gewijzigd, maar nu de aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemaakte verwijten zich voornamelijk hebben voorgedaan ruim voor de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 2:9 BW gaat de rechtbank uit van artikel 2:9 BW zoals die bepaling gold tot 1 januari 2013.

4.4.

Voor aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle (relevante) omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult (vgl. HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997,360 Staleman/Van de Ven, r.o. 3.3.1). De omstandigheid dat gehandeld is in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, moet in dat verband als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Indien de aldus aangesproken bestuurder echter feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert, dient de rechter deze feiten en omstandigheden uitdrukkelijk in zijn oordeel te betrekken (vgl. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, NJ 2003,455 Schwandt/Berghuizer Papierfabriek, r.o. 3.4.5). In verband met de tweede volzin van art. 2:9 BW (vanaf “tenzij” ) wijst de rechtbank erop, dat bij een meerhoofdig bestuur een eventuele taakverdeling tussen bestuurders niet wegneemt dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een zaak is van het gehele bestuur: iedere bestuurder draagt daarvoor verantwoordelijkheid (vgl. Hof Leeuwarden 22 september 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BJ8485, r.o. 9.3 en Hof Amsterdam 12 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1192, JOR 2012/348, NRK/X), r.o. 3.3.2). Daarbij geldt in het onderhavige geval voorts als uitgangspunt dat op eiseressen de stelplicht en de bewijslast rust om de aansprakelijkheid constituerende feiten en omstandigheden in afdoende mate te stellen en – ingeval van voldoende gemotiveerde betwisting – ook te bewijzen.

A. Aansprakelijkheid [gedaagde 1] jegens de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer in de periode 2003 tot 2010

4.5.

De Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer houden [gedaagde 1] aansprakelijk voor de schade die zij lijden als gevolg van de onrechtmatige onttrekkingen door [gedaagde 1] aan de financiële middelen van de kerk. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), eiseressen (gelet op de grondslag van hun vorderingen) concrete feiten en omstandigheden moeten stellen – en zo nodig moeten bewijzen – waaruit de door hen gestelde onrechtmatigheid van de onttrekkingen blijkt.

4.6.

De Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer hebben in de dagvaarding (en de akte wijziging van eis) een concrete opstelling geproduceerd van de bedragen die [gedaagde 1] volgens hen heeft onttrokken. Eiseressen hebben ter onderbouwing van hun vorderingen een groot deel van de administratie van ieder van hen overgelegd, waarbij steeds een overzicht is verstrekt van de gestelde onrechtmatige onttrekkingen door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . De rechtbank leidt uit de uitgebreide processtukken en producties af dat eiseressen een grootschalig onderzoek hebben verricht naar de afschrijvingen, geldopnames en overboekingen in de beschikbare administraties. Zij hebben daartoe de bankafschriften van de Stichting Beheer, de Doopsgezinde Gemeente en het Steunfonds Oldeslo onderzocht en op basis daarvan de pinopnames, overboekingen en overschrijvingen door [gedaagde 1] in kaart gebracht.

4.7.

Eiseressen hebben in hun onderzoek grofweg twee categorieën uitgaven geanalyseerd. Het betreft in de eerste plaats betalingen in restaurants, hotels (ook in het buitenland), contributies van netwerkclubs zoals Sociëteit de Witte en de Amstelclub, contante opnames van grote geldbedragen en afbetalingen op

(privé-)creditcards. Volgens eiseressen kan ten aanzien van dit deel van de uitgaven zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat deze ten bate van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gedaan. De uitgaven pasten niet bij de activiteiten van de Doopsgezinde Gemeente, de Stichting Beheer en het Steunfonds Oldeslo, en de bestuurders hebben geen toestemming gegeven voor dergelijke uitgaven.

4.8.

In de tweede plaats betreft het andere uitgaven, waarvan niet op het eerste gezicht duidelijk was of die uitgaven verband hielden met de activiteiten van de kerk. Eiseressen hebben de data van deze uitgaven vergeleken met de boekingen van de Stichting Beheer en de activiteiten van de kerk (in de agenda), teneinde na te gaan of die uitgaven verband konden houden met een evenement in de kerk. Ook zijn die uitgaven vergeleken met de beschikbare facturen in de administratie van de Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente. Bij twijfel over de rechtmatigheid van de uitgaven is aan gedaagden het voordeel van de twijfel gegeven.

4.9.

Eiseressen stellen dat [gedaagde 1] bij de Stichting Beheer in de periode van 2003 tot 2010 een totaalbedrag van € 123.555,40 onrechtmatig heeft onttrokken (productie 14 bij dagvaarding), te weten:

- een bedrag van € 30.112,89 aan pasopnames en opladen van chipkaart,

- een bedrag van € 43.774,47 aan pinbetalingen voor privé-aankopen bij betaalautomaten van winkels, hotels en restaurants,

- een bedrag van € 41.887,26 aan salarisbetalingen van [gedaagde 1] (met uitkering van vakantiegeld en eindejaarsuitkering) en aan de kinderen van gedaagden voor meer uren dan daadwerkelijk door hen werden gewerkt, en

- een bedrag van € 7.780,78 aan betalingen van facturen voor privé-aankopen (zoals wijn, contributies De Amstelclub, en computerzaken), die zijn verricht vanaf de bankrekening van de Stichting Beheer.

4.10.

Verder stellen eiseressen dat [gedaagde 1] (met pasnummer 542) bij de Doopsgezinde Gemeente in de periode van 2004 tot 2010 een totaalbedrag van € 300.982,25 onrechtmatig heeft onttrokken (productie 15 bij dagvaarding), te weten:

- een bedrag van € 214.221,93 aan kasopnames voor opladen van chipkaart en pinopnames,

- een bedrag van € 40.556,82 aan pinbetalingen voor privé-aankopen bij betaalautomaten van winkels of hotels,

- een bedrag van € 46.203,50 aan aflossing op de creditcards van [gedaagde 1] .

4.11.

De rechtbank leidt uit de overgelegde overzichten en bankafschriften af dat de betalingen door [gedaagde 1] vanaf de rekening van de Doopsgezinde Gemeente (onder meer) de volgende kenmerken hadden: meermalen de Amstelclub, Sligro, boekhandel Paagman, wijnhandel Van Riel, banketbakker Huize van Wely en Jarreau, bonbons Leonidas, restaurants Parkheuvel, De Tuin en Pizzahut, bloemist, tuincentrum de Bosrand, en voorts in 2008 een overschrijving naar Uniconcepts Reizen voor een bedrag van € 12.540,40.

4.12.

Als het gaat om de Stichting Beheer, dan betreft het betalingen met (onder meer) de volgende kenmerken: meermalen “remise salaris”, diner, wijn Gall&Gall en wijnhandel Van Riel, Akkerman vulpen, Dixons, Sligro, restaurants La vie en table, Le Bistroquet, Callas, La Cloche, Waterproef, Savelberg en Seinpost, schoenenwinkel Dungelmann, slagerij Van der Zalm, banketbakker Jarreau, bakkerij en banket, tuincentrum Intratuin, boekhandel Paagman, de Amstelclub, bonbons Leonidas, Ninaber van Eyben, hotels de Bijhorst, De Gouden Leeuw, Hotel Vianen en hotel Schiphol, Victoria Interiors, Huize van Wely, meermalen voor grote bedragen de Mediamarkt, Shell en ANWB.

4.13.

[gedaagde 1] heeft erkend dat hij een deel van de onttrekkingen voor privédoeleinden heeft gedaan: bij de Stichting Beheer een totaalbedrag van € 16.517,35 en bij de Doopsgezinde Gemeente een totaalbedrag van € 5.981,97. Hiermee is gegeven dat [gedaagde 1] jegens de Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde 1] was penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer, en voorzitter van het Steunfonds Oldeslo. Door het doen van privéuitgaven uit de financiële middelen van de kerk heeft hij blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde 1] is dan ook gehouden de schade die eiseressen als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling hebben geleden, te vergoeden. In geschil is de omvang van de onrechtmatige onttrekkingen.

4.14.

[gedaagde 1] heeft in de door eiseressen overgelegde overzichten van onttrekkingen aangekruist welke uitgaven in zijn herinnering (sowieso) privé waren. Dat betrof volgens [gedaagde 1] vooral de hotels en de dure restaurants (zoals Savelberg, Waterproef, Callas etc.), alsook inkopen bij de slagerij, Jarreau, Huize van Wely e.d. Verder heeft [gedaagde 1] ter comparitie toegelicht dat de overschrijving naar Uniconcepts Reizen voor een bedrag van € 12.540,40 vanuit de Doopsgezinde Gemeente, een betaling voor een (mede door hem gemaakte) studiereis van de Zorggroep Oldael was die vanuit de Stichting Zorggroep Oldael had moeten worden terugbetaald. Volgens [gedaagde 1] heeft hij deze betaling gedaan vanuit de Doopsgezinde Gemeente omdat er geen toestemming werd gegeven door het Steunfonds Oldeslo. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op het ontbreken van toestemming – vast staat dat [gedaagde 1] dit bedrag voor privédoeleinden heeft onttrokken.

4.15.

[gedaagde 1] heeft voor het overige betwist dat door hem gedane uitgaven voor privédoeleinden waren. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het uitgebreide financiële onderzoek door eiseressen en de zorgvuldige onderbouwing met bewijsstukken, van [gedaagde 1] mag worden verwacht dat hij heel concreet aandraagt waarom bepaalde posten door hem wél als privé zijn aangemerkt en andere posten niet. Met andere woorden: waarom sommige restaurants wél en andere niet, waarom op sommige data aankopen van de Mediamarkt wél privéuitgaven waren en op andere data niet, en waarom Huize van Wely wél en de banketbakkers geen privéuitgaven waren enzovoort. Voor zover hij dat heeft nagelaten – en dat is met uitzondering van de drie hierna te bespreken punten het geval – komt dat voor zijn rekening en risico.

Betalingen ten behoeve van de exploitatie van de Stichting Beheer?

4.16.

[gedaagde 1] heeft betoogd dat een groot deel van de betalingen niet voor hem in privé is gedaan, maar ten behoeve van de exploitatie van het kerkgebouw. Zo was het volgens hem gebruikelijk om de organisatoren en gasten van de evenementen een presentje mee te geven, zoals bloemen, een boek, fles wijn of bonbons. Verder heeft hij inkopen moeten doen voor de activiteiten van de Stichting Beheer, zoals broodjes (Dungelmann), kerstversiering en decoratie, wijn en overige boodschappen. Dankzij zijn inspanningen heeft het kerkgebouw goede omzetten gegenereerd, naar eigen zeggen was hij de drijvende kracht achter de exploitatie van het kerkgebouw, onder meer door organisatie van evenementen als CDA-congressen, vergaderingen van de Raad van State, muziekfestivals, symposia van de overheid, recepties en concerten van diverse ambassades. Ook voert [gedaagde 1] aan dat het lidmaatschap van de Amstelclub bedoeld was om te netwerken voor de Stichting Beheer, en dat hij jaarlijks ongeveer € 1.000 aan representatiekosten opvoerde voor de begroting van de Stichting Beheer. Volgens [gedaagde 1] stuurde hij de facturen voor representatiekosten naar het administratiekantoor Boone.

4.17.

De Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente hebben ter comparitie bevestigd dat door de Stichting Beheer ook wel de catering van evenementen werd verzorgd. Zij hebben echter betwist dat de gevorderde bedragen op dergelijke evenementen zien. De Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente hebben de evenementenagenda van de Stichting Beheer vergeleken met de uitgaven c.q. onttrekkingen die door [gedaagde 1] zijn gedaan en zij hebben geconstateerd dat deze niet gelijk liepen. Daar waar dit wel synchroon liep, hebben zij deze bedragen buiten de schadevordering gehouden. Zij hebben rondom die data ruimhartig alle kosten toegerekend aan het betreffende evenement, aldus de Stichting Beheer. Eiseressen hebben verder nog gewezen op “verdachte” uitgaven. Zo heeft [gedaagde 1] aan het begin van het schooljaar in 2008 een uitgave van € 900 bij boekhandel Paagman gedaan, terwijl er in die periode helemaal geen activiteiten waren bij de kerk. Om die reden hebben eiseressen het vermoeden geuit dat [gedaagde 1] schoolboeken voor zijn kinderen heeft aangeschaft.

4.18.

De rechtbank overweegt als volgt. In de kern betoogt [gedaagde 1] dat hij als “party- of cateringmanager” ten behoeve van evenementen in het kerkgebouw inkopen heeft gedaan. Weliswaar hebben eiseressen deze gang van zaken erkend, maar zij hebben evenzeer gemotiveerd toegelicht dat de gevorderde bedragen juist niet ten behoeve van die evenementen waren, en dus privéuitgaven van [gedaagde 1] betroffen. [gedaagde 1] heeft in dit verband een dossiernotitie overgelegd (productie 7 bij conclusie van antwoord). In die notitie heeft [gedaagde 1] echter grotendeels onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat de gevorderde bedragen niettemin zijn gemaakt ten behoeve van activiteiten en evenementen in het kerkgebouw. [gedaagde 1] kon in dat verband niet volstaan met de mededelingen in de notitie dat de uitgaven betrekking hadden op activiteiten voor de Stichting Beheer. Zo had van [gedaagde 1] mogen worden verwacht dat hij zelf, aan de hand van zijn agenda en/of de door eiseressen overgelegde bankafschriften, een vergelijking had gemaakt en had geverifieerd of de inkopen en de evenementendata synchroon liepen. [gedaagde 1] kan, bij gebreke van voldoende inspanning van zijn kant, niet volstaan met een in algemene termen vervat verweer dat het onderzoek van zijn zijde wordt bemoeilijkt doordat kasstukken en facturen zouden ontbreken. Temeer omdat het juist tot zijn taakomschrijving behoorde als penningmeester om alle uitgaven nauwkeurig en geordend bij te houden, en daarover verantwoording af te leggen.

4.19.

Op grond van de notitie van [gedaagde 1] is de rechtbank echter met betrekking tot twee posten van oordeel dat [gedaagde 1] , mede gezien de aard van de uitgaven, voldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van onrechtmatige onttrekkingen. Eiseressen hebben naar aanleiding van die betwisting onvoldoende toegelicht dat de betreffende posten betrekking hebben op onrechtmatige onttrekkingen. Het betreft de posten Van Kleef automatisering (volgens [gedaagde 1] ten behoeve van computers voor de Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente, terwijl uit de stukken naar voren komt dat de Stichting en de Doopsgezinde Gemeente over computers beschikten) en Apresa taxateurs (volgens [gedaagde 1] ten behoeve van taxatie van kunstwerken van Oldeslo, terwijl het de rechtbank minder waarschijnlijk voorkomt dat [gedaagde 1] een dergelijke taxatie in privé heeft laten verrichten). Tot slot is de rechtbank gebleken dat [gedaagde 1] met betrekking tot de in de schadeopstelling van eiseressen opgenomen pinbetaling op 29 maart 2004 ten laste van de Stichting Beheer van € 300 dubbel in de opstelling is opgenomen. Dit leidt ertoe dat een bedrag van in totaal € 7.083

(€ 5.741,75 + € 1.041,25 + € 300) wordt afgewezen.

4.20.

Ten aanzien van de kasopnamen, heeft [gedaagde 1] ter comparitie nog verklaard dat hij niet zelf heeft bijgehouden hoeveel geld hij heeft onttrokken: “ik durf u niet een exact bedrag te noemen dat ik mijzelf heb toegeëigend, ik heb geen idee. (…)”. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat eiseressen de gevorderde onttrekkingen, in het licht van het summiere verweer van [gedaagde 1] en met uitzondering van een bedrag van € 7.083, voldoende hebben bewezen. Het komt voor rekening en risico van [gedaagde 1] dat hij – en overigens niemand – thans niet meer kan achterhalen en bewijzen welke bedragen hij ten eigen bate heeft onttrokken aan eiseressen. De rechtbank komt onder de gegeven omstandigheden niet toe aan bewijslevering.

Salarisbetalingen aan [gedaagde 1] voor evenementenorganisatie?

4.21.

[gedaagde 1] heeft verder nog betoogd dat een groot deel van de onttrekkingen

(€ 71.175,70) heeft bestaan uit rechtmatige salarisbetalingen aan hemzelf. Dit punt komt (in hoofdlijnen) ook terug in de hiervoor genoemde dossiernotitie. Volgens [gedaagde 1] heeft hij met de Doopsgezinde Gemeente afspraken gemaakt over een uurvergoeding van € 25 voor de werkzaamheden die hij verrichtte ten behoeve van de exploitatie van het kerkgebouw. Dit waren werkzaamheden die [gedaagde 1] naast zijn functie van penningmeester van de Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente verrichtte (waarvoor hij geen vergoeding kreeg). [gedaagde 1] heeft op dit punt toegelicht dat in 2002, toen door de Doopsgezinde Gemeente is besloten om het kerkgebouw commercieel te exploiteren en daartoe de Stichting Beheer werd opgericht, met Diligentia een exploitatieovereenkomst is gesloten. Een door Diligentia gedetacheerde werkneemster zou tegen een uurvergoeding de programmering, PR en organisatie ter hand nemen. Nadat twee achtereenvolgende detacheringen waren beëindigd, heeft [gedaagde 1] deze werkzaamheden zelf verricht. [gedaagde 1] heeft toen aan het bestuur voorgesteld om dezelfde vergoeding als de koster te rekenen, een bedrag van € 25 per uur. Daarvan is echter niets op schrift gesteld. Ter comparitie heeft [gedaagde 1] verklaard dat het toenmalige bestuur, bestaande uit de heren [ex-bestuurslid 1] (inmiddels overleden) en [ex-bestuurslid 2] , hem hebben gevraagd om de dagelijkse leiding van de Stichting Beheer op zich te nemen, naast het penningmeesterschap.

4.22.

De Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente hebben betwist dat er concrete salarisafspraken met [gedaagde 1] zijn gemaakt die het toenmalige bestuur heeft goedgekeurd. Bovendien is het volgens de statuten van de Stichting Beheer niet toegestaan om als onbezoldigd bestuurder salaris te ontvangen. Verder stellen eiseressen dat uit de jaarstukken niet kon worden afgeleid dat er salarisbetalingen aan [gedaagde 1] werden gedaan, omdat er alleen een post “betaling personeelskosten” stond vermeld, zonder vermelding van het salaris per persoon.

4.23.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Al aangenomen dat [gedaagde 1] hierover indertijd wel met bestuursleden heeft gesproken (hetgeen hij stelt, maar de Doopsgezinde Gemeente betwist), is dit onvoldoende om een dergelijke afspraak aan te nemen. Temeer omdat in artikel 5 lid 9 van de statuten is bepaald dat het bestuur niet is toegestaan aan één van zijn leden ten behoeve van de Stichting Beheer betaalde diensten te laten verrichten. Een dergelijke bepaling dient ertoe waarborgen te geven voor situaties waarin sprake kan zijn van een tegenstrijdig belang bij bestuurders. [gedaagde 1] heeft niet gesteld, en evenmin is gebleken dat alle bestuurders zijn gekend in het maken van de door hem gestelde salarisafspraak (in weerwil van artikel 5 lid 9 van de Statuten) en daartoe op enig moment unaniem hebben besloten.

4.24.

Voor zover [gedaagde 1] (subsidiair) een beroep heeft gedaan op artikel 6:100 BW (voordeelstoerekening) op de grond dat hij gedurende vele jaren activiteiten voor de Stichting Beheer heeft verricht die niet direct verband hielden met zijn functie als penningmeester en dat de Stichting Beheer daarvan heeft geprofiteerd, faalt dit betoog. Voor verrekening van voordeel is vereist dat een en dezelfde gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is, naast schade ook voordeel voor de benadeelde heeft opgeleverd. Dat is hier niet het geval, want het door [gedaagde 1] gestelde voordeel voor de Stichting Beheer (namelijk: het onbezoldigd verrichten van werkzaamheden waarvoor een commerciële vergoeding gerechtvaardigd zou zijn) is geen gevolg van de onrechtmatige onttrekkingen, die tot financieel nadeel bij de Stichting Beheer hebben geleid.

Salarisbetalingen aan [gedaagde 2] en/of de kinderen van [gedaagde 1] ?

4.25.

Tenslotte stelt de Stichting Beheer nog dat [gedaagde 1] onrechtmatige salarisbetalingen heeft gedaan aan zijn kinderen, welke betalingen eigenlijk voor zijn echtgenote [gedaagde 2] waren. Uit de gegevens van het administratiekantoor Boone blijkt volgens hen dat er salarisbetalingen aan [gedaagde 2] zijn verricht, hetgeen eveneens volgt uit notulen en e-mailcorrespondentie. Volgens de Stichting Beheer was er met [gedaagde 2] een afspraak gemaakt dat zij haar werkzaamheden voor de stichting gratis zou verrichten als een klant niet om een partymanager vroeg, en dat – als dat wel het geval was – de kosten daarvan werden doorberekend aan de klant zodat het de Stichting Beheer geen geld zou kosten.

4.26.

[gedaagde 1] heeft toegelicht dat [gedaagde 2] nimmer salaris heeft ontvangen, en zijn kinderen wel voor werkzaamheden die zij zelf hebben verricht, maar nooit voor meer uren dan zij hebben gewerkt. [gedaagde 2] heeft verder betwist dat zij ooit salaris heeft ontvangen, en al helemaal niet via haar kinderen.

4.27.

Gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv, zal de rechtbank de Stichting Beheer toelaten tot het leveren van bewijs dat [gedaagde 2] – in weerwil van de afspraak dat zij niet betaald zou krijgen voor werkzaamheden ten behoeve van de Stichting Beheer – salaris heeft ontvangen, en dat het salaris dat aan de kinderen van [gedaagde 1] is uitbetaald niet overeenkwam met (hoger was dan) het door hen gewerkte aantal uren.

B. Aansprakelijkheid [gedaagde 2] jegens de Doopsgezinde Gemeente en de Stichting Beheer in de periode 2003 tot 2010

4.28.

Eiseressen houden zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk voor het totaal aan onttrekkingen in de periode vanaf 2003 tot en met mei 2013. Eiseressen hebben echter niet gesteld, en evenmin is gebleken dat [gedaagde 2] in de periode voordat zij penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente werd (in januari 2010) betrokken is geweest bij de gestelde onrechtmatige onttrekkingen door [gedaagde 1] . Dat zij als echtgenote van [gedaagde 1] heeft geprofiteerd van die onttrekkingen, zoals eiseressen stellen, heeft [gedaagde 2] gemotiveerd betwist. Zij heeft verklaard dat zij van die onttrekkingen door [gedaagde 1] (in die periode) niet op de hoogte was en voorts dat zij met haar gezin niet op grote(re) voet leefde dan voorheen. Eiseressen hebben daartegenover geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen die – indien bewezen – tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde 2] in de periode vóór 2010 niettemin op enigerlei wijze betrokken was bij die onttrekkingen of daarvan heeft geprofiteerd, en evenmin dat sprake was van een voldoende bewuste afstemming van hun gezamenlijke (vermeend frauduleus) handelen of van consensus tussen hen over dat handelen.

4.29.

Eiseressen hebben zich bij akte na comparitie nog op het standpunt gesteld dat [gedaagde 2] als bestuurder van de Doopsgezinde Gemeente op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de vordering van de gemeente op [gedaagde 1] over de periode voorafgaand aan haar aantreden als bestuurder, voor zover [gedaagde 1] voor die vordering geen verhaal biedt. Zij stellen daartoe dat van [gedaagde 2] mocht worden verwacht dat zij direct na haar aantreden als bestuurder had “ingegrepen” en dat, als zij dat had gedaan, de vordering van de Doopsgezinde Gemeente op [gedaagde 1] (per 1 januari 2010: € 336.014,88), nog had kunnen worden geïncasseerd, omdat hij toen meer verhaal bood dan op dit moment (volgens productie 16 van [gedaagde 2] : € 168.513). De rechtbank verwerpt dit standpunt van eiseressen reeds op de grond dat op basis van de stellingen van eiseressen niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde 2] haar taak als bestuurder heeft verzaakt door de onttrekkingen van vóór 1 januari 2010 niet (eerder) te ontdekken en evenmin dat zij (in volle omvang) bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de vordering van de Doopgezinde Gemeente op [gedaagde 1] zoals die thans ter beoordeling staat.

4.30.

De conclusie luidt dat dus dat [gedaagde 2] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor enig onrechtmatig handelen vóór 2010 (al dan niet of in groepsverband) of ongerechtvaardigd is verrijkt. Ten aanzien van onttrekkingen van voor 2010 is alleen [gedaagde 1] aansprakelijk.

C. Aansprakelijkheid [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens eiseressen in de periode 2010 tot en met mei 2013

4.31.

Eiseressen stellen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij de Stichting Beheer in de periode van 2010-2013 een totaalbedrag van € 71.293,65 onrechtmatig hebben onttrokken (productie 14 bij dagvaarding), te weten:

- een bedrag van € 16.930 aan pasopnames en opladen van chipkaart,

- een bedrag van € 25.075,21 aan pinbetalingen voor privé-aankopen bij betaalautomaten van winkels, hotels en restaurants,

- een bedrag van € 29.288,44 aan salarisbetalingen van [gedaagde 1] (met uitkering van vakantiegeld en eindejaarsuitkering) en aan de kinderen van gedaagden voor meer uren dan daadwerkelijk door hen werden gewerkt.

4.32.

Verder stellen eiseressen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (met pasnummer 542) bij de Doopsgezinde Gemeente in de periode van 2010-2013 een totaalbedrag van € 149.994,42 onrechtmatig hebben onttrokken (productie 15 bij dagvaarding), te weten:

- een bedrag van € 117.627,68 aan kasopnames voor opladen van chipkaart en pinopnames,

- een bedrag van € 5.130,03 aan pinbetalingen voor privé-aankopen bij betaalautomaten van winkels of hotels,

- een bedrag van € 27.236,71 aan aflossing op de creditcards van [gedaagde 1] .

4.33.

Het Steunfonds Oldeslo stelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij het Steunfonds Oldeslo in de periode van 2010 tot en met mei 2013 een totaalbedrag van € 185.051,46 onrechtmatig hebben onttrokken (productie 16 bij dagvaarding), te weten:

  • -

    een bedrag van € 237.260 aan pasopnames en opladen van chipkaart,

  • -

    een bedrag van € 49.147,96 aan pinbetalingen voor privé-aankopen bij betaalautomaten van winkels, hotels en restaurants.

4.34.

Vast staat het volgende. Over de hele periode hebben bewoners van Woonzorgcentrum Oldeslo een totaalbedrag van € 101.000 gestort op de rekening van het Steunfonds Oldeslo. Dit geld werd, bij gebreke van een pinautomaat, maandelijks contant door het bestuur (veelal [gedaagde 1] ) aan de bewoners betaald. Verder zijn er stortingen door [gedaagde 1] gedaan op de rekening van het Steunfonds Oldeslo van € 2.780. Deze twee bedragen (€ 103.780) hebben eiseressen in mindering gebracht op de onttrekkingen. Het onderzoek naar de onttrekkingen binnen het Steunfonds Oldeslo is gedaan op basis van rekeningafschriften alleen. In die periode had het steunfonds slechts één bankrekening, waarvan alleen [gedaagde 1] een pinpas had en alleen [gedaagde 1] de mogelijkheid had tot internetbankieren. De penningmeester van het Steunfonds Oldeslo had hierover niet de beschikking. Vanaf 1 januari 2010 heeft het Steunfonds Oldeslo een totaalbedrag van € 88.496,68 aan de Doopsgezinde Gemeente betaald. [gedaagde 2] was vanaf die datum penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente.

Aansprakelijkheid van [gedaagde 1]

4.35.

Allereerst leidt de rechtbank ook hier uit de overgelegde overzichten en bankafschriften af dat de betalingen door [gedaagde 1] vanaf de rekeningen van de Doopsgezinde Gemeente, de Stichting Beheer en het Steunfonds Oldeslo (onder meer) de volgende kenmerken hadden: meermalen de Amstelclub, Sligro, boekhandel Paagman, wijnhandel Van Riel, banketbakker Huize van Wely en Jarreau, bonbons Leonidas, restaurants Parkheuvel, De Tuin en Pizzahut, bloemist, tuincentrum etc, meermalen “remise salaris”, diners, wijn, Sligro, bloemen, bakkerij en banket, tuincentrum Intratuin, boekhandel Paagman etc.

4.36.

De rechtbank stelt ook hier voorop dat [gedaagde 1] heeft erkend dat hij een bedrag van € 8.995,64 onrechtmatig heeft onttrokken van het Steunfonds Oldeslo, van de Stichting Beheer een bedrag van € 16.517,35 en bij de Doopsgezinde Gemeente een bedrag van € 5.981,97. Hiermee is het onrechtmatig handelen van [gedaagde 1] gegeven. [gedaagde 1] heeft voor het overige betwist dat door hem gedane uitgaven onrechtmatig c.q. voor privédoeleinden waren. In geschil is nog de omvang van de privé-onttrekkingen. De rechtbank is – zoals zij hiervoor reeds heeft overwogen in 4.15 ten aanzien van de periode van 2003 tot 2010 – van oordeel dat, gelet op het uitgebreide financiële onderzoek door eiseressen en de zorgvuldige onderbouwing met bewijsstukken, van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat hij heel concreet had aangedragen waarom bepaalde posten door hem wél als privé zijn aangemerkt en andere posten niet. Met andere woorden: waarom sommige restaurants wél en andere niet, waarom Huize van Wely wél en de banketbakkers geen privéuitgaven waren enzovoort. Om die reden volstaat de algemene betwisting van [gedaagde 1] op dit punt niet, evenmin als het verweer van [gedaagde 1] dat hij als “party- of cateringmanager” ten behoeve van evenementen in het kerkgebouw inkopen heeft gedaan, zoals besproken hiervoor in 4.18.

Aansprakelijkheid van [gedaagde 2]

ten aanzien van de Doopsgezinde Gemeente

4.37.

[gedaagde 2] was als penningmeester op grond van artikel 2:9 BW tegenover de Doopsgezinde Gemeente gehouden tot een behoorlijke vervulling van haar taak. Tot haar taak behoorde als bestuurder niet alleen de algemene gang van zaken, maar als penningmeester ook bij uitstek de financiële aangelegenheden van de Doopsgezinde Gemeente. Zij had een bijzondere verantwoordelijkheid op dat vlak en zal zich niet snel kunnen disculperen voor tekortkomingen die betrekking hebben op het financieel beleid.

4.38.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] onvoldoende invulling aan haar bestuurstaak heeft gegeven en als penningmeester het risico van onregelmatigheden en onttrekkingen niet afdoende heeft onderkend. [gedaagde 2] heeft in haar functie van penningmeester onvoldoende toezicht gehouden op de zojuist genoemde onttrekkingen, pinopnames, overboekingen en rekening-courant transacties. Hiervan valt [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Zij heeft onvoldoende maatregelen ondernomen om dit risico te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Weliswaar heeft zij zich enige moeite getroost om de administratie van de Doopsgezinde Gemeente te stroomlijnen, zoals lijkt te volgen uit de overgelegde verslagen, notities en notulen over financiële aangelegenheden (producties 3-6 bij antwoordakte). Dit is echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat [gedaagde 2] daadwerkelijk voldoende toezicht heeft gehouden op de verschillende geldstromen, de bankrekeningen en rekening-courantverhoudingen. Verder is het volgende van belang.

4.39.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] verklaren gelijkelijk dat [gedaagde 1] na het aantreden van [gedaagde 2] als penningmeester bij de Doopsgezinde Gemeente aanbleef als boekhouder, dat hij [gedaagde 2] heeft ingewerkt in de administratie (en de kerkgewoontes) en dat hij – in feite – nog enige tijd samen met haar het penningmeesterschap heeft vervuld. [gedaagde 2] heeft verklaard dat zij kritischer had moeten zijn en dat zij dat heeft nagelaten vanuit de vertrouwensrelatie met haar echtgenoot. Niettemin leidt de rechtbank uit de diverse geldstromen en de verklaringen van [gedaagde 2] ter comparitie af dat bij haar wel degelijk enig bewustzijn aanwezig was dat haar echtgenoot (minst genomen) onverklaarbare transacties deed als boekhouder van de Doopsgezinde Gemeente, penningmeester van de Stichting Beheer en voorzitter van het Steunfonds Oldeslo. Als voorbeeld dienen (i) de eerste pinbetaling van de ABN-rekening van de Doopsgezinde Gemeente na aantreden van [gedaagde 2] , van € 1.327,39 ten behoeve van Hotel Schweizerhof te Engelberg, een wintersporthotel waar [gedaagde 2] met [gedaagde 1] in december 2009 haar vakantie doorbracht, (ii) de aflossing van de Doopsgezinde Gemeente op de privé-creditcard van [gedaagde 1] , en (iii) de betalingen ten laste van de Doopsgezinde Gemeente ten behoeve van bewoners van Stichting Steunfonds Oldeslo, vanwege liquiditeitstekorten bij die stichting, zonder dat er werd terugbetaald.

4.40.

Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [gedaagde 2] op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk is voor de schade die de Doopsgezinde Gemeente heeft geleden als gevolg van haar onbehoorlijke taakvervulling. Zij is daarmee samen met [gedaagde 1] op de voet van artikel 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk voor vergoeding van dezelfde schade. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Doopsgezinde Gemeente voldoende inzichtelijk gemaakt dat in de periode van 2010 tot en met mei 2013 een totaalbedrag van € 149.994,42 is onttrokken.

ten aanzien van het Steunfonds Oldeslo en de Stichting Beheer

4.41.

Vanuit het Steunfonds Oldeslo heeft [gedaagde 1] bedragen gestort op de rekening van de Doopsgezinde Gemeente zonder goede omschrijving; vanaf 2010 een totaalbedrag van bijna € 89.000 (zie bijvoorbeeld de aflossing op de credit card van [gedaagde 1] ). [gedaagde 2] heeft bijgedragen aan het creëren van een gelegenheid dat (kort gezegd) [gedaagde 1] vanuit het Steunfonds Oldeslo de gaten in de Doopsgezinde Gemeente, en via de bestaande rekening-courantverhouding tussen de Stichting Beheer en de Doopsgezinde Gemeente, kon dichten. [gedaagde 2] heeft, terwijl zij het “onverstandig vond” (zo heeft zij ter comparitie verklaard) een soort rekening-courantverhouding laten bestaan tussen de Doopsgezinde Gemeente en het Steunfonds Oldeslo, terwijl daarvoor formeel gezien geen enkele grondslag was, en had bij sommige betalingen in dit verband “geen goed gevoel”. Alhoewel volgens [gedaagde 2] de bedragen steeds zijn verantwoord in de jaarrekeningen van de Doopsgezinde Gemeente als vorderingen van het Steunfonds op de Doopsgezinde Gemeente, past het niet bij de verantwoordelijke rol van penningmeester van de Doopsgezinde Gemeente om ongebruikelijke geldstromen – bij gebreke van een duidelijk zicht op die stromen – dan maar in de jaarrekening als vorderingen te vermelden. [gedaagde 2] is vanuit haar functie als penningmeester bij de Doopsgezinde Gemeente onvoldoende “gespitst” geweest op ongebruikelijke geldstromen in die rekening-courantverhouding. In die zin heeft zij aldus als bestuurder bijgedragen aan het schade toebrengende gedrag van [gedaagde 1] ten aanzien van het Steunfonds Oldeslo. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde 2] op grond van artikel 6:166 BW, en dus naast [gedaagde 1] hoofdelijk, aansprakelijk is voor dit gedeelte van de schade van het Steunfonds Oldeslo

(€ 88.496,68).

4.42.

Ten aanzien van de overige onttrekkingen bij het Steunfonds Oldeslo door [gedaagde 1] bestaan onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afstemming heeft plaatsgevonden over het handelen van [gedaagde 1] of dat er tussen hen op een bepaalde manier consensus bestond over dat handelen. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde 2] op grond van artikel 6:166 BW bestaat voor die overige schade onvoldoende feitelijke basis. Ditzelfde geldt ten aanzien van de onttrekkingen door [gedaagde 1] bij de Stichting Beheer. De vorderingen van eiseressen zijn in zoverre niet toewijsbaar.

Overig

4.43.

[gedaagde 2] heeft zich verder nog beroepen op de eigen schuld van de Doopsgezinde Gemeente en de matigingsbevoegdheid van de rechtbank. [gedaagde 2] voert aan dat op het moment dat zij aantrad als penningmeester, volgens eiseressen al jarenlang sprake was van onrechtmatigheden en kennelijk is men niet in staat gebleken om daarop de vinger te leggen. Verder stelt [gedaagde 2] zich op het standpunt dat de onregelmatigheden voor [gedaagde 2] verhuld konden blijven door het reeds bestaande systeem van rekening-courantverhoudingen. Deze verweren worden verworpen. [gedaagde 2] had immers als penningmeester en bestuurslid van de Doopsgezinde Gemeente, gelet op de verdeling van verantwoordelijkheden binnen het bestuur, de verantwoordelijkheid voor een goede taakuitoefening van het bestuur (de algemene gang van zaken) en in het bijzonder voor de financiële aangelegenheden. Voor matiging ziet de rechtbank geen aanleiding in het door [gedaagde 2] gestelde (de traumatische gevolgen voor haarzelf en haar kinderen, de negatieve publiciteit en haar geringe kansen op een baan). [gedaagde 2] heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld, noch zijn die anderszins gebleken, die een beroep op matiging rechtvaardigen, in die zin dat zonder matiging sprake zou zijn van kennelijk onaanvaardbare gevolgen. Dit beroep op matiging wordt dan ook verworpen.

4.44.

Zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hebben betoogd dat aan hun door de ledenvergadering van de Doopsgezinde Gemeente steeds decharge is verleend, die uit de vaststelling van de jaarstukken volgt. Deze jaarstukken zijn eerst gecontroleerd door de Kascommissie, na ontvangst van het advies van de Financiële Commissie.

4.45.

Voorop staat dat de statuten van de Stichting Beheer in artikel 8 lid 4 bepalen dat goedkeuring door de ALV van de Doopsgezinde Gemeente van de jaarrekening strekt tot decharge van het bestuur. De statuten van de Doopsgezinde Gemeente hebben partijen niet in het geding gebracht. Enige aan de vaststelling of goedkeuring van de jaarrekening gekoppelde decharge strekt niet verder dan tot datgene wat uit die stukken blijkt. Van decharge, zoals bedoeld in de statuten kan geen sprake zijn bij feiten die niet bekend waren bij degenen die het bestuur controleerden. In dit laatste geval immers kan geen decharge ten behoeve van de in onwetendheid gelaten algemene vergadering plaatsvinden. Binnen een stichting wordt de controle op het bestuur vooral ten behoeve van die algemene vergadering uitgevoerd. Aan de decharge, die uit vaststelling van de jaarstukken voortvloeit, mag dus geen ruimere werking worden toegekend dan met de aard van een dergelijk ontslag van aansprakelijkheid overeenstemt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een decharge zich ook zou uitstrekken tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekend gemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde (HR 10 januari 1997, NJ 1997/360). [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] heeft gesteld en evenmin is gebleken dat de dubieuze geldstromen en (in het geval van [gedaagde 1] ) de jarenlange verzwegen privéonttrekkingen als zodanig in de jaarstukken waren terug te vinden. [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] kan zich dus met succes op de expliciet of impliciete goedkeuring van de jaarstukken beroepen. Het beroep van eiseressen op de vernietiging van de decharge behoeft in dit licht dus geen bespreking meer.

Slotsom en vervolg

4.46.

Nu in verband met één onderdeel van de vordering (de door eiseressen gestelde onrechtmatige salarisbetalingen aan [gedaagde 2] en/of haar kinderen) nog bewijslevering dient te volgen, zal iedere verdere (eind)beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

laat eiseressen toe tot het leveren van bewijs dat [gedaagde 2] – in weerwil van de afspraak dat zij niet betaald zou krijgen voor werkzaamheden ten behoeve van de Stichting Beheer – salaris heeft ontvangen, en dat het salaris dat aan de kinderen van [gedaagde 1] is uitbetaald niet overeenstemt met (hoger is dan) het aantal door hen gewerkte uren;

5.2.

bepaalt dat, indien partijen het bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van een nader aan te wijzen rechter-commissaris op een nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag;

5.3.

bepaalt dat de advocaat van eiseressen binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van het Team Handel, bodemzaken - opgave zal doen van de verhinderdata van alle betrokkenen voor een periode van drie maanden na heden, waarna dag en uur voor de verhoren zal worden bepaald;

5.4.

bepaalt dat partijen, indien zij het bewijs niet door getuigen leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van het Team Handel, bodemzaken - en aan de wederpartij moeten opgeven;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.W. Bockwinkel, J.L.M. Luiten en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.