Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8764

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
4151406 RL EXPL 15-14765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in telecom-zaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

YFR

zaaknummer: 4151406 RL EXPL 15-14765

Tussenvonnis van 20 juli 2015

inzake

de besloten vennootschap Lindorff B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

gemachtigde: BSR Incasso & Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij.

Partijen zullen worden aangeduid als Lindorff en [gedaagde] .

1 Verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 8 juli 2015, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, is tegen [gedaagde] verstek verleend, en heeft de kantonrechter het voornemen geuit om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Lindorff is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voornemen en over de inhoud van de te stellen vragen. Iedere verdere beslissing is daarbij aangehouden.

1.2.

Lindorff heeft op de rol van 16 juli 2015 een akte genomen, waarin is ingegaan op de te stellen vragen aan de Hoge Raad en waarin suggesties zijn gedaan voor aanvullingen.

2 Nadere overwegingen

2.1.

Bij haar akte van 16 juli 2015 heeft Lindorff onder meer gesuggereerd de volgende vraag aan de Hoge Raad voor te leggen:

Betreft de nietigheid of vernietigbaarheid (als bedoeld in vragen (a) tot en met (d)) het gehele telefoonabonnement inclusief mobiele telefoon (zoals beschreven in r.ov. 3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2014, ECLCI:NL:HR:2014:1385) of is sprake van partiële nietigheid, in die zin dat enkel het deel dat ziet op de mobiele telefoon nietig of vernietigbaar is, terwijl het deel van de overeenkomst dat ziet op de telecommunicatiediensten in stand blijft?

De kantonrechter zal deze vraag echter niet voorleggen, omdat hij van oordeel is dat de Hoge Raad deze vraag al heeft beantwoord in r.o. 3.6. van haar eerdergenoemde arrest van 13 juni 2014.

De kantonrechter zal, voor het overige met inachtneming van de door Lindorff gemaakte opmerkingen en voorgestelde aanvullingen, de Hoge Raad vragen de in dit tussenvonnis opgenomen rechtsvragen bij wijze van prejudiciële beslissing te beantwoorden. De griffier zal onverwijld een afschrift van deze beslissing en van het tussenvonnis van 8 juli 2015 aan de Hoge Raad zenden.

2.2.

Nadat de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen, zal de kantonrechter Lindorff een termijn van vier weken geven om te reageren op de beslissing van de Hoge Raad, waarna de kantonrechter zich zal beraden over enige te nemen beslissing.

2.3.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

stelt de Hoge Raad de volgende rechtsvragen, ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:

a. Dient de rechter ambtshalve te beoordelen of partijen hebben voldaan aan het bepaalde in de artikelen 7A:1576 lid 2 en 7:61 lid 2 BW, omdat de rechtshandeling anders strijdig is met een dwingendrechtelijke wetsbepaling, op grond waarvan (ook in een verstekzaak) ambtshalve tot nietigheid moet worden geconcludeerd op grond van artikel 3:40 lid 2 BW?

Zo neen, moet de rechter ambtshalve in een verstekzaak de vernietigbaarheid van de op verkoop en koop op afbetaling en een consument betrekking hebbende rechtshandeling, zonder dat de consument een beroep op de vernietigbaarheid heeft gedaan, vaststellen?

Zo neen, moet de rechter vervolgens de (door uw Raad in r.o. 3.6. van het arrest van 13 juni 2014 genoemde) vernietigbaarheid van de krediettransactie of de kredietovereenkomst ambtshalve bij verstek, derhalve zonder dat de consument een beroep op de vernietigbaarheid heeft gedaan, toetsen?

Vereisen de artikelen 7A:1576 lid 2 BW en 7:61 lid 2 BW dat in de overeenkomst de door de consument te betalen koopprijs voor de mobiele telefoon afzonderlijk wordt bepaald of is aan de eisen van artikelen 7A:1576 lid 2 BW en 7:61 lid 2 BW ook voldaan wanneer een all-in prijs is bepaald voor de mobiele telefoon, het telefonieabonnement en eventueel bepaalde niet variabele belkosten tezamen?

Is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de mogelijke nietigheid of vernietigbaarheid (als bedoeld in vragen (a) tot en met (d)) van (een deel van) de overeenkomst tussen partijen ertoe zou leiden dat de consument de beschikking heeft gekregen over een mobiele telefoon heeft afgenomen zonder dat hij daarvoor iets behoeft te betalen, zodat die nietigheid of vernietigbaarheid op grond van artikel 6:2 lid 2 BW in dit geval niet van toepassing is?

Indien de overeenkomst nietig of vernietigbaar is (als bedoeld in vragen (a) tot en met (d)):

I. Moet de consument de mobiele telefoon dan op grond van artikel 6:203 BW teruggeven aan de telecomaanbieder?

- Zo ja, mag de consument dan volstaan met het teruggeven van de mobiele telefoon in de staat waarin deze zich op dat moment bevindt?

- Indien de consument niet voldoet aan een vordering van de telecomaanbieder tot teruggave van de mobiele telefoon, is de consument dan verplicht een schadevergoeding te betalen gelijk aan de waarde die de telefoon (op dat moment) vertegenwoordigt?

II. Is de consument in aanvulling op het voorafgaande een vergoeding voor het gebruik dan wel genot van de mobiele telefoon verschuldigd op grond van (a) artikel 6:212 BW, (b) de redelijkheid en billijkheid, (c) onverschuldigde betaling (artikel 6:203 lid 3 c.q. art. 6:210 BW en/of artikel 6:278 BW)?

Dient de bepaling waarbij is overeengekomen dat een maandelijks bedrag wordt betaald voor het toestel en voor de mobiele diensten zonder dat dit bedrag wordt uitgesplitst, te worden aangemerkt als kernbeding waarop de Richtlijn oneerlijke bedingen niet van toepassing is, of dient de kantonrechter deze bepaling ambtshalve te toetsen, in die zin dat beoordeeld moet worden of er sprake is van een onredelijk bezwarend beding? Indien deze laatste vraag bevestigend wordt beantwoord: is een dergelijke bepaling oneerlijk omdat voor de consument niet duidelijk is welk bedrag hij voor het toestel dient te betalen?

3.2.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W.D. Bom, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.