Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8742

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/5045
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Malta, artikel 5 EVRM, Vo 604/2013, claimakkoord, detentie, valse documenten, rechtsmiddelen, bewaringsmaatregel, ECRI, European Commission against Racism and Intolerance, AIDA, Asylum Information database, ECRE, terugkeer, superintendent Immigration Officer, verboden immigrant, artikel 5 van hoofdstuk 127 van de Maltese wet, uitzettingsbevel, expulsion order, Maltese wetgeving, terugkerende Dublinclaimanten, illegale uitreis, Mifsud Bonnici, artikel 50 Handvest, Pro Asyl, artikel 3 EVRM, interstatelijk vertrouwensbeginsel, EHRM, HvJ EU, UNHCR, Jesuit Refugee Service Europe, Swiss Refugee Council, Suso Musa tegen Malta, Aden Ahmed tegen Malta, systemic failure to provide support or facilities, overcrowded facilities, detentieomstandigheden, indirect refoulement, uitgeprocedeerde asielzoeker, informatieblad, Refugee Appeals Board, artikel 13 EVRM, Louled Massoud tegen Malta, artikel 6 Handvest, laatste redmiddel, subsidiariteitsbeginsel, habeas corpus, Kanagaratnam tegen België, Mikolenko tegen Estland, detentieperiode, vreemdelingendetentie, Immigration Appeals Board, IAB, speedy-trial-beginsel, Samsam Mohammed Hussein en anderen tegen Nederland en Italië, Maltese Immigratiewet, artikel 25A, Procedurerichtlijn, systeemfouten, ontoegankelijke rechtsmiddelen, ontoereikende rechtsbijstand

Nu de rechtbank in rechtsoverweging 10. heeft overwogen dat het risico op hernieuwde detentie van eiser bij terugkeer op Malta reëel is en nu de mogelijkheden en toegang voor derdelanders tot de juridische procedures ter bestrijding van hun detentie in Malta structurele tekortkomingen bevat die bij overdracht kunnen resulteren in een schending van artikel 5 EVRM, ziet de rechtbank in casu grond voor het oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich – zoals blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 – er bij overdracht van dient te vergewissen dat de Maltese autoriteiten de eigen wetgeving inzake (vreemdelingen)detentie in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met artikel 5, eerste en vierde lid en artikel 13 EVRM. Hierbij dient ook het relaas van eiser, dat ter illustratie voor het bestaan van systeemfouten bij de (vreemdelinge)detentieprocedure op Malta naar voren is gebracht te worden betrokken, alsmede de informatie – zoals volgt uit voormelde AIDA rapporten van ECRE – over ontoegankelijke rechtsmiddelen en ontoereikende rechtsbijstand. Immers, zonder ingang voor eiser (met hulp van een rechtsbijstandsverlener) tot een procedure ter beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie in de praktijk, is het in de Maltese wetgeving neergelegde rechtsmiddel evenals de mogelijkheid tot klagen bij de (hogere) Maltese autoriteiten of de daarvoor geëigende instanties illusoir. De omstandigheid dat, zoals verweerder aangeeft, uit het AIDA-rapport van mei 2014 en februari 2015 (pagina 30) volgt dat asielzoekers in de praktijk geen grote obstakels ondervinden bij de toegang tot de UNHCR en non gouvernementele organisaties, maakt dit niet anders. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat ook derdelanders die met valse papieren Malta illegaal zijn uitgereisd en die bij terugkeer worden gedetineerd toegang hebben tot een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM dat de wettigheid van de detentie beoordeelt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het beroep van eiser op artikel 5 en 13 EVRM onvoldoende zorgvuldig en in onderlinge samenhang onderzocht, zodat het bestreden besluit op dit punt een voldoende deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/4045

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1989, van Somalische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. J.W.J. van den Broek),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Tevens is bepaald dat het besluit wordt aangemerkt als overdrachtsbesluit en dat eiser Nederland binnen vier weken Nederland dient te verlaten.

Eiser heeft op 26 februari 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 april 2015 (AWB 15/4047, ECLI:NL:RBOBR:2015:2180) is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het verweerder wordt verboden om eiser uit te zetten tot op het beroep is beslist.

Het beroep is behandeld op de zitting van 8 juni 2015, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 12 september 2014 zijn de vingerafdrukken van eiser naar Eurodac gezonden. Uit Eurodac is gebleken dat eiser bij binnenkomst op Malta een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De Maltese autoriteiten hebben dit verzoek op 8 februari 2014 afgewezen. Eiser heeft vervolgens op 6 september 2014 Malta verlaten en is naar Nederland gereisd, alwaar hij op dezelfde datum is gearriveerd. Op 10 september 2014 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag op 3 november 2014 een voornemen tot afwijzing kenbaar gemaakt. Hierop heeft eiser op 4 november 2014 zijn zienswijze ingebracht. Bij besluit van 5 november 2014, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen is door eiser op 5 november 2014 beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2014:15117) is het verzoek toegewezen, kort gezegd omdat verweerder niet gemotiveerd is ingegaan op eisers beroep op artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Verweerder heeft op 6 februari 2015 het besluit van 5 november 2014 ingetrokken. Daarop heeft eiser op 6 februari 2015 het tegen dit besluit ingestelde beroep ingetrokken.

2. Op grond van artikel 2, aanhef en onder b, van Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013), heeft verweerder geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij Malta ligt. Daarop heeft verweerder de Maltese autoriteiten op 15 oktober 2014 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Vo 604/2013. De autoriteiten van Malta hebben hiermee ingestemd op 30 oktober 2014. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland afgewezen.

3. Tussen partijen zijn het claimakkoord en de verantwoordelijkheid van Malta niet in geschil. Het houdt partijen verdeeld of verweerder de verantwoordelijkheid voor het verzoek om internationale bescherming van eiser op zich moet nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van Vo 604/2013. Tevens is in geschil of een mogelijk verschil in opvang tussen Malta en Nederland daartoe noopt.

4. Eiser heeft aangevoerd dat overdracht aan Malta in strijd is met artikel 3, 5 en 13 EVRM. Naar zijn mening zijn er concrete aanwijzingen dat Malta zich niet aan zijn internationale verplichtingen heeft gehouden en na terugkeer ook niet zal houden. Bij terugkeer vreest eiser dat hij in detentie terecht zal komen omdat hij Malta illegaal is uitgereisd en de Maltese autoriteiten hiervan op de hoogte zijn. In dit verband beroept eiser zich op het rapport van de Jesuit Refugee Service van juni 2013, getiteld: Protection Interrupted- the Dublin Regulation’s Impact on Asylum Seekers’ Protection, waarin staat dat Dublinclaimanten op Malta worden gedetineerd wanneer zij het land hebben verlaten door ontsnapping uit detentie of door gebruik te maken van valse documenten. Ook heeft eiser ter onderbouwing van zijn detentie op Malta (kopieën van) e-mails van de heer Xuereb Neville, superintendent Immigration te Floriana van 4 november 2014 en 4 december 2014, alsook een aantal e-mails van 17 maart 2015 van Neville over de reden/grond voor zijn detentie overgelegd. Verder heeft eiser (een kopie van) de afwijzing van zijn asielverzoek door de Maltese autoriteiten van 8 februari 2014 overgelegd. Daarbij heeft eiser aangevoerd dat hij geen rechtsmiddelen kon aanwenden tegen deze negatieve beslissing en dat hij geen bijstand heeft gehad van een advocaat. Daarnaast zijn de mogelijkheden om in Malta rechtsmiddelen in te dienen tegen een bewaringsmaatregel beperkt, aldus eiser. Hiertoe wijst hij eveneens op het ECRI (European Commission against Racism and Intolerance) report on Malta van 15 oktober 2013 en het rapport van AIDA (Asylum Information database) inzake Malta van de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE) van december 2013 en mei 2014.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de overgelegde gegevens niet zonder meer kan worden uitgegaan dat hij bij terugkeer (wederom) gedetineerd zal worden nu hij in het kader van Dublin zal worden overgedragen en dat hij tevens niet heeft kunnen aangeven op welke gronden de detentie heeft plaatsgevonden.

6. Uit het rapport van het Eerste gehoor artikel 30 Vw van 30 oktober 2014 en de correcties en aanvullingen hierop van 31 oktober 2014 blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij op 14 augustus 2013 op Malta aankwam, dat hij op 14 augustus 2014 in vrijheid is gesteld en toen is geplaatst in een kamp voor afgewezen asielzoekers, totdat hij Malta op 6 september 2014 heeft verlaten. In de e-mail van de heer Neville van 4 november 2014 wordt aangegeven dat eiser op 10 juli 2013 is gearriveerd op Malta en dat hij op 10 juli 2014 is vrijgelaten. Verder geeft de heer Neville bij e-mail van 4 december 2014 aan dat eiser op de dag dat hij op Malta arriveerde onmiddellijk is gedetineerd. Ondanks deze discrepantie in data is niet langer tussen partijen in geschil dat eiser op Malta gedetineerd is geweest voor de duur van één jaar.

7. Voorts geeft de heer Neville in de e-mails van 17 maart 2015 aan dat eiser, die op Malta verbleef zonder toestemming van de (hoofd) immigratie ambtenaar (superintendent Immigration Officer), als een verboden immigrant was gekwalificeerd in de zin van artikel 5 van hoofdstuk 127 van de Maltese wet als gevolg waarvan aan hem een uitzettingsbevel (expulsion order) was uitgereikt en dat hij was gedetineerd met het oog op uitzetting. Het feit dat een dergelijke migrant een aanvraag om asiel heeft ingediend had in 2013 geen gevolgen voor (de duur van) diens detentie en het onderzoek naar zijn aanspraak op verblijf zou zijn gestart tijdens zijn verblijf in bewaring, aldus de heer Neville. Nu verweerder de inhoud van deze e-mails niet heeft bestreden, noch heeft betwist dat deze e-mails afkomstig zijn van de daartoe bevoegde Maltese autoriteiten, dient naar het oordeel van de rechtbank van de gestelde detentie van eiser op Malta met het oog op uitzetting voor de duur van één jaar te worden uitgegaan. Uit de e-mails van 17 maart 2015 valt immers duidelijk op te maken dat de autoriteiten van Malta eiser hadden gedetineerd met als doel hem te verwijderen. De rechtbank constateert dat deze feitelijke gang van zaken in overeenstemming is met Maltese wetgeving.

8. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:928) overweegt de rechtbank dat uit de rapporten van diverse mensenrechtenorganisaties over Malta niet blijkt dat terugkerende Dublinclaimanten enkel vanwege de omstandigheid dat zij Dublinclaimant zijn op Malta worden gedetineerd. Voorts is in dit geval gesteld noch gebleken dat eiser Malta heeft verlaten door uit detentie te ontsnappen. Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om in het geval van eiser bij terugkeer naar Malta een reëel risico op detentie aan te nemen, vanwege zijn illegale uitreis met gebruikmaking van een vals paspoort. Nog daargelaten de vraag of eiser inderdaad met een vals paspoort is uitgereisd – verweerder heeft deze verklaring in het bestreden besluit niet gemotiveerd in twijfel getrokken –, is de rechtbank van oordeel dat eiser als terugkerende Dublinclaimant bij terugkeer op Malta het risico loopt om opnieuw te worden gedetineerd reeds omdat verweerder daarvan in het claimverzoek door de Nederlandse autoriteiten aan Malta melding is gemaakt. Zo hebben de Nederlandse autoriteiten in het claimverzoek van 10 september 2014 de Maltese autoriteiten erover geïnformeerd dat eiser heeft verklaard dat hij bij zijn vliegreis naar Nederland gebruik heeft gemaakt van een vals Italiaans paspoort op naam van [persoon 1] (fonetisch). Derhalve wordt de stelling van verweerder, dat het ECRI-rapport van 15 oktober 2013 niet van toepassing is op de situatie van eiser, niet gevolgd. Hoewel niet is gebleken dat eiser op Malta of in Nederland is aangetroffen met valse (reis)papieren, het gestelde valse paspoort niet door hem is overgelegd en hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wanneer hij dit paspoort zou hebben gekregen, zoals verweerder in het verweerschrift en ter zitting terecht heeft opgemerkt, is het gelet op de door Nederland verschafte informatie met daarin de bekentenis van eiser alleszins denkbaar dat de Maltese autoriteiten hem vanwege de verdenking van een uitreis met valse reispapieren bij terugkeer zullen detineren. Doorslaggevend is hierbij niet of aannemelijk is geworden of eiser hiervoor ook uiteindelijk op Malta daadwerkelijk strafrechtelijk zal worden veroordeeld.

9. Verder acht de rechtbank van belang dat de autoriteiten van Malta bij brief van de Maltese minister voor Home and Parliamentary Affairs, de heer Mifsud Bonnici, van 23 maart 2012 en een elektronisch bericht van de Commissioner for Refugees bij het Ministry for Home and Parliamentary Affairs, de heer Friggieri, van 5 september 2013 hebben bevestigd dat Dublinclaimanten die met valse papieren zijn uitgereisd bij terugkomst op Malta door een strafrechter zouden kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. De rechtbank verwijst tevens naar rechtsoverweging 2.2. van de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:254) in welke zaak een Dublinclaimant, die met valse papieren Malta was uitgereisd, volgens verweerder bij terugkomst in Malta door een strafrechter zou kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf. In tegenstelling tot eiser was de Dublinclaimant in die zaak echter reeds in Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken wegens het bezit van een vals dan wel vervalst reisdocument waardoor in Malta, met het oog op artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), volgens verweerder niet nogmaals strafrechtelijk vervolging mogelijk was. De Afdeling heeft bij uitspraak van 3 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4066) geoordeeld dat uit informatie van Pro Asyl, getiteld "Malta: Out of System" van mei 2012 volgt dat vreemdelingen die in het kader van Vo 604/2013 aan Malta worden overgedragen meestal worden gedetineerd, indien zij uit een detentiecentrum zijn gevlucht of met valse papieren zijn uitgereisd.

10. De rechtbank is gezien het vorenoverwogene van oordeel dat eiser bij terugkeer naar Malta een reëel risico loopt om opnieuw te worden gedetineerd. De titel van hernieuwde detentie is voor de onderhavige beoordeling niet van doorslaggevend belang, zodat de rechtbank zal beoordelen of een hernieuwde detentie van eiser een schending oplevert van artikel 3, 5 en/of 13 EVRM.

11. Uit de vaste rechtspraak van het EHRM – de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BG9802) en M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 (ECLI:NL:XX:2011:BP4356) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in de gevoegde zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011 (ECLI:EU:C:2011:865) – volgt dat het uitgangspunt is dat in iedere lidstaat, die is aangesloten bij de Dublin-Verordening (thans: Vo 604/2013), mogelijkheden bestaan om bescherming te krijgen tegen een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Verder kan uit dit arrest worden opgemaakt dat bij de beoordeling, of een overdracht in het kader van Vo 604/2013 in strijd is met het EVRM, de kwaliteit van de asielprocedure alsook de detentie- en levensomstandigheden voor de asielzoeker in het land waaraan wordt overgedragen dienen te worden betrokken en dat de lidstaat die wenst over te dragen zich hiervan dient te vergewissen.

12. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel van uit mag gaan dat andere lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: Vlv) en het EVRM naleven en dat als uitgangspunt geldt dat over een dreigende schending van een bepaling uit het EVRM kan worden geklaagd vanuit de betreffende lidstaat, in dit geval Malta, en dat – zoals volgt uit voormelde jurisprudentie van het EHRM en het HvJ‑EU – hiervan slechts kan worden afgeweken als er in die lidstaat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken.

13. Eiser heeft aangevoerd dat uit verschillende rapporten, die door onafhankelijke organisaties zijn opgesteld na de brief van de Maltese minister van 23 september 2012, blijkt dat de levensomstandigheden in detentiecentra op Malta niet voldoen aan de daartoe in internationaal verband gestelde normen. Eiser verwijst daarbij verwijst naar het rapport van ECRI over Malta van 15 oktober 2013 en de AIDA‑rapporten van ECRE inzake Malta van december 2013 en mei 2014. Tevens verwijst hij naar een uitspraak van een Duitse rechtbank van 12 januari 2015.

14. De door eiser aangehaalde Duitse administratieve rechtbank Minden heeft bij uitspraak van 12 januari 2015 (1L551/14.A) een verzoek toegewezen waarbij het beroep tegen overdracht aan Malta onder Vo 604/2013 schorsende werking heeft gekregen, omdat de Duitse rechter heeft geoordeeld dat de vreemdeling bij overdracht blootgesteld zal worden aan onredelijke detentieomstandigheden voor een langere periode, zonder de mogelijkheid van een effectief rechtsmiddel. Voorts overweegt de Duitse rechtbank dat niet langer geoordeeld kan worden dat asielzoekers in Malta behandeld worden in overeenstemming met het Handvest van de grondrechten van de EU, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Redengevend hiervoor is dat er serieuze tekortkomingen bestaan in de opvangprocedures en voorzieningen. Verwijzend naar het AIDA-rapport over Malta, rapporten van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR), de Jesuit Refugee Service Europe en de Swiss Refugee Council, oordeelt de Duitse rechtbank dat asielaanvragers routinematig worden gedetineerd in het kader van hun verzoek om bescherming. Deze handelwijze is in strijd met artikel 26 van Richtlijn 2005/85/EG (de Procedurerichtlijn). In het kader van de voorzieningen in detentiecentra wordt geoordeeld dat, ondanks sprake is van een lichte verbetering, nog steeds sprake is van een tekortkoming in de basisbehoeften. Daarbij komt dat overbevolking volgens het arrest van het EHRM in de zaak Aden Ahmed tegen Malta van 9 december 2013 (nr. 55352/12) veel voorkomt, en dat er nog steeds geen mogelijkheden zijn om de detentie gerechtelijk te beoordelen. Vergelijkbare omstandigheden zijn zichtbaar in open detentiecentra, waar vreemdelingen voor een onbepaalde tijd kunnen verblijven. In het licht van het voorgaande concludeert de Duitse rechtbank dat het voorkomen van de mogelijke schade die een vreemdeling kan oplopen bij overdracht aan Malta zwaarder dient te wegen, en dat het beroep een schorsende werking heeft.

15. Verweerder stelt, onder verwijzing naar de arresten van het EHRM in de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, M.S.S. tegen België en Griekenland en S. Mohammed Hussein tegen Nederland en Italië van 2 april 2013 (nr. 27725/10), het arrest van het HvJ‑EU in de zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland, alsmede de uitspraken van de Afdeling van 7 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT8370 en BT8367), 2 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV3715), 4 juli 2012 (201107341/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), 23 januari 2014, 12 maart 2014, 23 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3864) en van 3 november 2014 eiser niet heeft aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Malta de verdragsbeginselen van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet naleeft. Nu ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden, zal volgens verweerder door overdracht aan Malta geen situatie ontstaan die strijdig is met artikel 3 en 13 EVRM. Naar de mening van verweerder voldoen de levensomstandigheden in detentiecentra op Malta aan de daartoe in internationaal verband gestelde normen. Detentiecentra worden regelmatig opgeknapt en gemoderniseerd. Hierbij verwijst verweerder naar de in het bestreden besluit aangehaalde informatie van de Maltese autoriteiten van 23 maart 2012 en 5 september 2013. Volgens verweerder heeft deze informatie van de Maltese autoriteiten betrekking op de actuele feitelijke situatie. Ter onderbouwing dat binnen het detentiesysteem indien noodzakelijk verdere verbeteringen worden doorgevoerd, verwijst verweerder tevens naar pagina 4 in de submission bij het compilation report van de UNHCR "Universal Periodic Review: Malta" van maart 2013.

15. De rechtbank overweegt – onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Suso Musa tegen Malta van 23 juli 2013 (nr. 42337/12) – dat de detentieomstandigheden, zoals beschreven op pagina 51 van het AIDA-rapport van mei 2014 op Malta op zichzelf geen aanleiding geven om een schending van artikel 3 EVRM aan te nemen, zodat een mogelijke detentie bij overdracht aan Malta op zich niet tot het oordeel leidt dat Nederland de behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich moet trekken. De rechtbank verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 23 januari 2014 en 12 maart 2014. Niet is gebleken dat de detentieomstandigheden op Malta, zoals beschreven op pagina 51 van het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van mei 2014 of februari 2015, sinds deze uitspraken zodanig zijn verslechterd dat overdracht aan Malta een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM oplevert. Hoewel uit het arrest van het EHRM in de zaak Aden Ahmed tegen Malta van 23 juli 2013 (nr. 55352/12) kan worden opgemaakt dat de detentiecentra op Malta overvol zijn en dat de omstandigheden daarin vergelijkbaar zijn als de omstandigheden in de open opvangcentra, heeft het EHRM in deze zaak niet geoordeeld dat de detentieomstandigheden op Malta in strijd zijn met artikel 3 EVRM. Volgens het EHRM is slechts sprake van een schending van artikel

3 EVRM in het specifieke geval, waarin de Maltese autoriteiten geen rekening hebben gehouden met de kwetsbaarheid van een gedetineerde gelet op diens medische geschiedenis. In het geval van eiser is van zodanige kwetsbaarheid niet gebleken.

17. Voorts overweegt de rechtbank dat uit het persoonlijk relaas van eiser dat hij op Malta heeft verbleven onder moeilijke levensomstandigheden, noch uit de door hem ingebrachte informatie uit de AIDA en van ECRI is gebleken van indicaties dat de situatie in Malta wat betreft de asielprocedure en opvangvoorzieningen voor asielzoekers zodanig is dat overdracht aan Malta een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest oplevert. Zo is niet gebleken dat op Malta sprake is van een ‘systemic failure to provide support or facilities’ in de zin van het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland of van het arrest van het HvJ-EU in de zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er onvoldoende aanwijzingen dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Malta systeemfouten bevatten die resulteren in een onmenselijke behandeling omdat eiser het risico loopt om terecht te komen in inadequate opvang (‘overcrowded facilities’) voor asielzoekers waarmee de overdracht naar Malta in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM. Immers, uit voormeld AIDA-rapport (pagina 41) volgt dat in het uitzonderlijke geval waarin sprake is dat de bestaande opvangfaciliteiten overvol zijn er alternatieve locaties worden gebruikt zoals bijvoorbeeld opvangcentra voor daklozen. Daarbij zij opgemerkt dat verweerder in een mogelijk verschil in opvang tussen Malta en Nederland geen aanleiding hoeft te zien om het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te trekken. Bovendien volgt uit rechtsoverweging 4.4. van de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2013 dat de mogelijkheid bestaat om bij de Maltese autoriteiten te klagen over de detentieomstandigheden.

18. De rechtbank acht overigens van belang dat eiser geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat bij overdracht naar Malta sprake is van indirect refoulement omdat hij door de Maltese autoriteiten als uitgeprocedeerde asielzoeker zal worden beschouwd en door hen zonder toetsing aan het Vluchtelingenverdrag en EVRM zal worden teruggestuurd naar Somalië. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder vanwege de detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen voor asielzoekers op Malta of omdat dit land zijn internationaalrechtelijke verplichtingen jegens eiser niet nakomt niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan ten aanzien van Malta.

19. Voorts neemt de rechtbank ten aanzien van de stelling van eiser dat hij op Malta geen rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden tegen de afwijzing van zijn asielverzoek in aanmerking dat uit zijn verklaringen blijkt dat aan hem een informatieblad is uitgereikt waarop stond vermeld dat hij hiertegen in beroep kon gaan. Ook blijkt uit de AIDA‑rapportages van mei 2014 en februari 2015 (pagina 16, 19 en 57) over Malta dat in het geval van een negatieve beslissing van de Maltese beslissingsautoriteit op het verzoek tot internationale bescherming het mogelijk is om beroep in te stellen bij de Refugee Appeals Board en dat in de beroepsfase van de asielprocedure gratis rechtsbijstand zal worden geboden. Hiermee voldoet Malta aan de vereisten als neergelegd in artikel 39, eerste lid en artikel 15, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Nu het, zoals verweerder ook terecht aangeeft, voor eiser mogelijk is om op Malta beroep in stellen bij een rechterlijke instantie tegen een negatieve beslissing op een asielaanvraag, dient het voor zijn rekening en risico te komen dat hij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Eiser had in zoverre aan een Maltese rechterlijke instantie zowel motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken als klachten over slechte opvangmogelijkheden voor asielzoekers na zijn vrijlating kunnen voorleggen.

20. Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder f, EVRM heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

Op grond van het vierde lid van artikel 5 EVRM heeft een ieder, wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht voorziening te vragen bij het gerecht opdat deze spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

Ingevolge artikel 13 EVRM heeft een ieder wiens rechten en vrijheden, in dit Verdrag vermeld, zijn geschonden recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

21. Bij voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2014 is geoordeeld dat het besluit van verweerder een draagkrachtige motivering ontbeert ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 5 EVRM, waarbij is verwezen naar het arrest van het EHRM in de zaak Suso Musa tegen Malta, waarin het EHRM oordeelde dat artikel 5, eerste en vierde lid, EVRM waren geschonden. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser bij zijn zienswijze een e-mail heeft overgelegd van de Maltese (immigratie)politie aan zijn gemachtigde van 4 november 2014, waaruit volgt dat eiser in vreemdelingendetentie heeft verbleven in Malta. Anders dan in het bestreden besluit heeft verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter het standpunt ingenomen dat van deze e‑mail niet (langer) kan worden gezegd dat er geen enkele waarde aan kan worden gehecht nu in de e‑mail een referentienummer wordt vermeld dat correspondeert met het referentienummer in het claimakkoord waarin de Maltese autoriteiten te kennen geven eiser terug te zullen nemen. De rechtbank overweegt verder dat verweerders stelling, dat desondanks niet zonder meer van de inhoud van de e-mail kan worden uitgegaan vanwege eisers wisselende verklaringen en het in eerste instantie verzwijgen van zijn verblijf in Malta, niet maakt dat voorbij gegaan kan worden aan het beroep van eiser op artikel 5 EVRM.

22. Met betrekking tot het beroep van eiser dat Malta zijn verdragsbeginselen aangaande artikel 5 EVRM niet nakomt, stelt verweerder zich op het standpunt dat hierin geen aanleiding wordt gezien om af te zien van een overdracht naar dat land. Onder verwijzing naar de arresten van het EHRM in de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk, Louled Massoud tegen Malta van 27 juni 2010 (nr. 24340/08) en Suso Musa tegen Malta, alsook de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, komt verweerder tot de conclusie dat overdracht geen strijd oplevert met artikel 3 en 13 EVRM omdat hieruit is af te leiden dat niet is gebleken dat voor eiser de mogelijkheid niet bestaat om hieromtrent te klagen bij de desbetreffende Maltese autoriteiten. In het verweerschrift en ter zitting geeft verweerder aan dat de arresten van het EHRM in de zaken Suso Musa en Aden Ahmed al aantonen dat er mogelijkheden zijn op Malta om te klagen.

23. Hoewel niet is gebleken dat eiser hiertoe een poging heeft ondernomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder – gezien de specifieke omstandigheden van dit geval – ten aanzien van eisers beroep op artikel 5 EVRM (dat correspondeert met artikel 6 van het Handvest) niet kan volstaan met de enkele verwijzing naar de daartoe aangewezen (hogere) Maltese autoriteiten en, indien nodig, tot het EHRM.

24. Allereerst overweegt de rechtbank in dit verband dat het EHRM is bedoeld als 'laatste redmiddel' en een verzoekschrift (in beginsel) slechts in behandeling neemt als alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput. Tegen de achtergrond van de overbelasting waaronder het EHRM gebukt gaat, staat het subsidiariteitsbeginsel voor een systeem waarin de bescherming van de in het EVRM neergelegde mensenrechten in eerste instantie een zaak is van de lidstaten zelf. Zij dienen zorg te dragen voor een effectieve bescherming van mensenrechten en voor een redresmogelijkheid in geval de bescherming onverhoopt toch op de één of andere manier tekortschiet. Het Europese stelsel speelt slechts een aanvullende rol en komt pas in beeld wanneer de nationale autoriteiten zich niet of onvoldoende van hun taak hebben gekweten. De verantwoordelijkheid van de lidstaten voor naleving van het EVRM rust met name op de schouders van de wetgever, het bestuur en de rechtspraak. Als de lidstaten zich adequaat van hun verantwoordelijkheden kwijten, dan is het EHRM in de gelegenheid te doen waarvoor het is ingesteld: het uitleggen van en nader vorm geven aan de mensenrechten. Indien de lidstaten onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen, dreigt overbelasting van het EHRM, waardoor het systeem van mensenrechtenbescherming onder het EVRM kan worden bedreigd.

25. Verweerder stelt dat uit rechtsoverweging 60 van het arrest van het EHRM in de zaak Shamso Abdullahi tegen Oostenrijk van 10 december 2013 (ECLI:NL:XX:2013:274) en de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617) blijkt dat indien is vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, er enkel nog tegen de overdracht kan worden opgekomen indien dit zou leiden tot een artikel 3 EVRM schending. Volgens verweerder brengt dit met zich mee dat inhoudelijk enkel op artikel 3 EVRM hoeft te worden ingegaan en dat ten aanzien van artikel 5 EVRM terecht is gewezen op het feit dat eiser daarover op Malta kan klagen. Eiser heeft ter zitting gewezen op de prejudiciële vragen aan het HvJ-EU van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 februari 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:1004) over meer rechtsmogelijkheden en dat de enkele toets aan artikel 3 EVRM hieraan voorbij gaat.

26. De verwijzing van eiser ter zitting naar de uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2015 daargelaten, is de rechtbank van oordeel dat het maken van onderscheid ter zake van de absolute werking van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, namelijk wel in het geval van structurele tekortkomingen ten aanzien van artikel 3 EVRM (verbod van refoulement) maar niet in geval van structurele tekortkomingen ten aanzien van artikel 5 EVRM (habeas corpus), ten aanzien van Malta, niet gerechtvaardigd is. Ten aanzien van Malta, is meerdere malen door het EHRM geoordeeld dat sprake was van schending van artikel 5 EVRM bij straf- en vreemdelingendetentie (vergelijk de zaken Aden Ahmed tegen Malta van 23 juli 2013, Suso Musa tegen Malta van 23 juli 2013 en Louled Massoud tegen Malta van 27 juli 2010) een uitzondering is te rechtvaardigen in het geval van artikel 5 EVRM indien sprake is van structurele tekortkomingen op dit gebied. Na de eerder door het EHRM in 2010 aangenomen schending door Malta van artikel 5 EVRM in het Louled Massoud‑arrest, benadrukt het EHRM drie jaar later in het persbericht bij het arrest in de zaak Suso Musa tegen Malta van 23 juli 2013 dat Malta needs to adopt new measures to improve conditions of detained asylum seekers and allow them to obtain speedy review of the lawfullness of their detention. Verder volgt ook uit een bericht van de Raad van Europa van 11 februari 2014: "Malta – detention without trial" de bezorgdheid omtrent het aantal personen dat op Malta in detentie verblijft gedurende onaanvaardbare lange periodes zonder proces. Na de herhaalde vaststelling van het EHRM dat naleving van de Maltese wetgeving in strijd is met artikel 5 EVRM hebben geen wetswijzigingen als bedoeld in het bovengenoemde persbericht plaatsgevonden.

27. Uit de gedingsstukken kan worden opgemaakt dat eiser gedurende de periode van zes maanden waarin de autoriteiten van Malta onderzoek deden naar zijn asielverzoek in detentie heeft verbleven terwijl uitzetting (nog) niet aan de orde was omdat door de Maltese autoriteiten nog niet op het asielverzoek was beslist. Bovendien is gebleken dat eiser ook na de afwijzing van de asielaanvraag nog in detentie heeft verbleven totdat hij na detentieduur van één jaar is vrijgelaten. Uit rechtsoverweging 102 en 103 van het arrest van het EHRM in de zaak Suso Musa volgt dat het EHRM reeds een periode van detentie van drie maanden in afwachting van een beslissing op een asielaanvraag onredelijk lang acht wanneer deze is gekoppeld aan ongepaste detentieomstandigheden (vergelijk rechtsoverwegingen 94 en 95 van het arrest van het EHRM in de zaak Kanagaratnam tegen België van 13 december 2011, nr. 15297/09, JV 2012/34) in het licht van de CPT (European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment)-vereisten en acht dit des te ernstiger omdat het hier niet gaat om veroordeelde criminelen, maar om asielzoekers. Ook wijst het EHRM in rechtsoverweging 100 op enkele vreemde praktijken (odd practices) van de Maltese autoriteiten, zoals het voorbij gaan aan de procedure voor vrijwillig vertrek en beslissingen om te detineren over de hele linie zonder individuele beoordeling. Bovendien volgt uit het arrest van het EHRM in de zaak Mikolenko tegen Estland van 8 oktober 2009 (ECLI:NL:XX:2009:BK9153, JV 2010/1 dat detentie onder artikel 5, eerste lid, onder f alleen gerechtvaardigd is zolang uitzettingsmaatregelen worden ondernomen. Hieruit volgt dat de detentie van eiser op Malta tot aan de datum van de negatieve beslissing op zijn asielaanvraag onverenigbaar was met artikel 5, eerste lid, onder f, EVRM. Evenals in het Suso Musa-arrest van het EHRM was in het geval van eiser de periode van detentie bijzonder lang (een jaar) en niet gericht op concrete uitzetting. Gelet op deze jurisprudentie overweegt de rechtbank dat – in het licht van de verklaringen van eiser en de detentieomstandigheden op Malta als beschreven door de verschillende aangehaalde onafhankelijke mensenrechtenorganisaties als ECRE en ECRI – een dergelijke detentieperiode niet als redelijk kan worden beschouwd.

28. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit weliswaar ingaat op de stelling van eiser dat hij geen mogelijkheid heeft gehad om een rechtsmiddel in te dienen tegen het afwijzende besluit op zijn asielaanvraag, maar dat hierbij niet de stelling wordt betrokken dat eiser geen mogelijkheid heeft gehad om rechtsmiddelen in te dienen tegen zijn (voortdurende) vreemdelingendetentie. Hoewel verweerder wordt gevolgd in zijn stelling dat eiser op Malta de mogelijkheid heeft gehad om beroep in te stellen tegen het afwijzende asielbesluit, dient hierbij niet uit het oog te worden verloren dat deze mogelijkheid zich eerst voordeed op 8 februari 2014, toen eiser reeds zes maanden in vreemdelingendetentie verbleef zonder dat (de voortduring van) deze maatregel aan rechterlijke controle was onderworpen. Verweerder wijst er op zichzelf terecht op dat eiser thans, in tegenstelling tot zijn eerste binnenkomst op Malta, niet als persoon wordt aangemerkt die illegaal de buitengrens van Malta is gepasseerd, maar als een persoon die wordt overgedragen in het kader van Vo 604/2013. Uit de rapporten van ECRE en ECRI volgt dat op Malta de mogelijkheid bestaat tot het instellen van een rechtsmiddel tegen detentie bij de Immigration Appeals Board (IAB). Anders dan verweerder meent, volgt uit pagina 28 van het rapport van ECRI van 15 oktober 2013 echter niet dat alle derdelanders in (vreemdelingen)detentie op Malta de mogelijkheid hebben om de rechtmatigheid van de detentie aan te vechten. Daarnaast volgt uit dit rapport dat de procedures bij de IAB lang kunnen duren. Bovendien oordeelde het EHRM in het arrest in de zaak Louled Massoud tegen Malta van 27 oktober 2010 (ECLI:NL:XX:2010:BN6225, JV 2010/337) niet alleen dat er sprake was van een schending van artikel 5, eerste lid, EVRM, maar ook dat niet kan worden aangenomen dat de procedures bij het IAB voldoen aan de eisen van artikel 5, vierde lid, EVRM, namelijk een snel en effectief rechtsmiddel om de rechtmatigheid van de detentie te beoordelen (het zogeheten speedy-trial-beginsel). In deze zaak overweegt het EHRM dat de relevante rechtsinstanties erkennen dat zij niet bevoegd zijn om naar de omstandigheden te kijken die de detentie onrechtmatig zouden maken. Onder deze omstandigheden is het rechtsmiddel onder artikel 409A van de Maltese Wetboek van Strafrecht niet een rechtsmiddel dat de wettigheid van de detentie beoordeelt, en dus geen effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM. Het EHRM neemt in de zaak Suso Musa, waarin sprake is van vergelijkbare omstandigheden als bij eiser, namelijk: een derdelander die na binnenkomst op Malta meteen is gedetineerd met het oog op uitzetting en die de behandeling van het asielverzoek in detentie heeft moeten afwachten, hetgeen ruim een jaar duurde, eveneens een schending aan van artikel 5, vierde lid, EVRM omdat de beschikbare rechtsmiddelen in dit geval niet toereikend waren om de detentie effectief en voldoende snel te laten toetsen.

29. Zoals ook in het AIDA-rapport van mei 2014 en februari 2015 (pagina 55-57) wordt opgemerkt ten aanzien van de procedurele waarborgen en de rechterlijke toetsing van de maatregel van bewaring in de Maltese vreemdelingenwet- en regelgeving heeft het EHRM in het Louled Massoud-arrest duidelijk bepaald dat drie van de verschillende, beschikbare Maltese rechtsmiddelen voor gedetineerde vreemdelingen niet als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. Zo wordt op Malta vreemdelingendetentie goedgekeurd door een administratieve overheid als een automatisch gevolg van een beslissing van de Immigration Officer, maar is het niet onderworpen aan een automatische rechterlijke toetsing. Detentie is het automatisch gevolg van de afgifte van een uitzettingsbevel in de zin van de Maltese Immigratiewet en wordt niet opgelegd door middel van bijvoorbeeld een maatregel van bewaring. Het uitzettingsbevel bevat de redenen waarom de derdelander als een verboden immigrant in de zin van deze wet wordt beschouwd en bepaalt ook dat hij/zij in bewaring zal worden gehouden totdat de verwijdering is uitgevoerd.

30. Uit rechtsoverweging 81 van het arrest van het EHRM in de zaak Samsam Mohammed Hussein en anderen tegen Nederland en Italië van 2 april 2013 (nr. 27725/10, JV 2013/2015) volgt dat een rechtsmiddel ('remedy') in de zin van artikel 13 EVRM niet een succesvol, maar een toegankelijk rechtsmiddel impliceert. In artikel 14 (1) van hoofdstuk 127 voorziet de Maltese Immigratiewet in het recht voor een persoon, die door de Principal Immigration Officer als een verboden immigrant is gekwalificeerd en tegen wie een uitzettingsbevel is uitgevaardigd op grond van artikel 5, om hiertegen beroep in te dienen overeenkomstig de bepalingen in artikel 25A. Artikel 25A van deze wet heeft betrekking op de toepassingen en beroepen om te worden gehoord en bepaald door de IAB. Op grond van artikel 14 (2) van de Maltese Immigratiewet zal een dergelijk persoon tegen wie een uitzettingsbevel is uitgevaardigd in detentie worden geplaatst totdat hij uit Malta is verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee, mede gezien het overwogene over het functioneren van de IAB, evenwel nog niet vast dat voor een 'verboden immigrant', indien hij een asielverzoek heeft ingediend ook een snelle toetsing van de bewaring door een rechterlijke instantie mogelijk is, zoals is vereist in artikel 18, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit voormelde rapporten van AIDA met betrekking tot de rechtsbijstand bij juridische procedures tegen vreemdelingendetentie op Malta volgt dat, alhoewel de nationale wetgeving in bepaalde procedures voorziet in rechtsbijstand, in de praktijk de meeste asielzoekers geen toegang hebben tot een advocaat die namens hen beroep moet indienen, waardoor zij feitelijk geen toegang hebben tot een procedure om op te komen tegen hun detentie.

31. Nu de rechtbank in rechtsoverweging 10. heeft overwogen dat het risico op hernieuwde detentie van eiser bij terugkeer op Malta reëel is en nu de mogelijkheden en toegang voor derdelanders tot de juridische procedures ter bestrijding van hun detentie in Malta structurele tekortkomingen bevat die bij overdracht kunnen resulteren in een schending van artikel 5 EVRM, ziet de rechtbank in casu grond voor het oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich – zoals blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011 – er bij overdracht van dient te vergewissen dat de Maltese autoriteiten de eigen wetgeving inzake (vreemdelingen)detentie in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met artikel 5, eerste en vierde lid en artikel 13 EVRM. Hierbij dient ook het relaas van eiser, dat ter illustratie voor het bestaan van systeemfouten bij de (vreemdelinge)detentieprocedure op Malta naar voren is gebracht te worden betrokken, alsmede de informatie – zoals volgt uit voormelde AIDA‑rapporten van ECRE – over ontoegankelijke rechtsmiddelen en ontoereikende rechtsbijstand. Immers, zonder ingang voor eiser (met hulp van een rechtsbijstandsverlener) tot een procedure ter beoordeling van de rechtmatigheid van de detentie in de praktijk, is het in de Maltese wetgeving neergelegde rechtsmiddel evenals de mogelijkheid tot klagen bij de (hogere) Maltese autoriteiten of de daarvoor geëigende instanties illusoir. De omstandigheid dat, zoals verweerder aangeeft, uit het AIDA-rapport van mei 2014 en februari 2015 (pagina 30) volgt dat asielzoekers in de praktijk geen grote obstakels ondervinden bij de toegang tot de UNHCR en non‑gouvernementele organisaties, maakt dit niet anders. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat ook derdelanders die met valse papieren Malta illegaal zijn uitgereisd en die bij terugkeer worden gedetineerd toegang hebben tot een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM dat de wettigheid van de detentie beoordeelt.

32. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het beroep van eiser op artikel 5 en 13 EVRM onvoldoende zorgvuldig en in onderlinge samenhang onderzocht, zodat het bestreden besluit op dit punt een voldoende deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, zulks onder gegrondverklaring van het beroep.

33. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 980,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 490,00, wegingsfactor 1).

34. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan zijn rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 25 februari 2015;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 980,00;

  • -

    bepaalt dat de proceskosten dienen te worden voldaan aan de rechtsbijstandverlener van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.