Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8703

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 10359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 50, 80 en 81, geldigheid: 2015-07-29
Werkloosheidswet 24, geldigheid: 2015-07-29
Werkloosheidswet 27, geldigheid: 2015-07-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/10359

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. K.A. Linders),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [plaats 2] ,

(gemachtigde: mr. B.J. Driessen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de ex-werknemer van eiser een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) geweigerd omdat hij door eigen schuld werkloos is geworden.

Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werknemer gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat aan de werknemer een WW-uitkering wordt toegekend per 3 maart 2014.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [adviseur] (HRM-adviseur). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

De werknemer van eiser (hierna: [belanghebbende] ) was werkzaam bij de belastingdienst. [belanghebbende] was in privé-sfeer tevens penningmeester van de [scouting] (hierna: de scouting). Op of omstreeks 4 april 2011 werd eiser op de hoogte gesteld van het feit dat door de Scouting jegens [belanghebbende] aangifte was gedaan van verduistering en valsheid in geschrifte. Eiser heeft [belanghebbende] direct daarna uitgenodigd voor een gesprek hierover, welke gesprek plaatsvond op 5 april 2011. Bij besluit van 11 april 2011 heeft eiser aan [belanghebbende] de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd. Bij besluit van 20 april 2011 is voornoemd besluit door eiser ingetrokken en is [belanghebbende] belast met andere werkzaamheden (binnendienst) zolang “de betreffende privé-kwestie speelt, (nu) dit het aanzien van uw functie niet onberoerd laat”.

Op 1 juli 2013 vond de zitting plaats voor de rechtbank [plaats 3] in de strafzaak. Wat ter zitting aan de orde is gekomen is gepubliceerd in de regionale media. Eiser heeft vervolgens bij besluit van 2 juli 2013 aan [belanghebbende] de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd en hem bij besluit van 8 juli 2013 met onmiddellijke ingang geschorst. De rechtbank [plaats 3] heeft bij vonnis van 15 juli 2013 [belanghebbende] schuldig bevonden aan en veroordeeld voor valsheid in geschrift, verduistering en het witwassen van gelden tot een werkstraf van 150 uren. De pleegdatum is vastgesteld op de perioden van 1 januari 2003 (verduistering), 1 januari 2004 (valsheid in geschrifte) en 1 januari 2005 (witwassen) tot telkens 15 januari 2011.

Bij brief van 26 augustus 2013 heeft eiser plichtsverzuim aan [belanghebbende] ten laste gelegd. Vervolgens is [belanghebbende] gehoord. Bij besluit van 12 december 2013 heeft eiser het voornemen geuit om [belanghebbende] een onvoorwaardelijk strafontslag te verlenen. [belanghebbende] heeft zijn zienswijzen ingediend.

Bij besluit van 26 februari 2014 heeft eiser [belanghebbende] op grond van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, aanhef en letter l, van het ARAR de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd per 28 februari 2014 in verband met zeer ernstig plichtsverzuim. Tegen dit besluit heeft [belanghebbende] geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

1.3

[belanghebbende] heeft op 28 februari 2014 een WW-uitkering aangevraagd.

2 Bij besluit van 3 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [belanghebbende] een WW-uitkering geweigerd omdat hij door eigen door eigen schuld werkloos is geworden. Tegen dit besluit heeft [belanghebbende] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [belanghebbende] gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat aan [belanghebbende] een WW-uitkering wordt toegekend per 3 maart 2014.

Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet voortvarend is gehandeld in de ambtenarenrechtelijke ontslagprocedure waardoor er geen sprake is van een subjectief dringende reden. De informatie die heeft geleid tot de veroordeling was ook grotendeels aanwezig medio april 2011. Uit de bekende gegevens heeft verweerder de conclusie getrokken dat de informatie die bekend was na de uitspraak en dan met name in relatie tot het plichtsverzuim niet echt een andere inhoud of lading heeft gekregen dan de informatie die al bekend was in april 2011. Van de werkgever mag ook verlangd worden dat hij zich een goed oordeel vormt reeds in april 2011, aldus verweerder. Eiser had bij [belanghebbende] kunnen vragen om mondelinge dan wel schriftelijke informatie, temeer nu eiser was gebleken dat het Openbaar Ministerie geen verdere informatie wilde verstrekken. Verweerder concludeert dan ook dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag wegens een dringende reden omdat vanwege het tijdsverloop moet worden geconstateerd dat de subjectieve dringendheid ontbreekt.

3 Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft daartoe samengevat aangevoerd dat [belanghebbende] zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim en dat hij als werkgever bij het bekend worden van de volle omvang van het plichtsverzuim uiterst voortvarend heeft gehandeld. Naar de mening van eiser is [belanghebbende] verwijtbaar werkloos geworden en dient aan hem een WW-uitkering geweigerd te worden. Eiser stelt dat [belanghebbende] onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven en dat hij op basis van de bij hem op 11 april 2011 bekende informatie daarom geen disciplinaire actie kon ondernemen, temeer nu de feiten waarvan [belanghebbende] werd verdacht buiten het werk, te weten in de privé-sfeer lagen. Hij verwijst hierbij onder meer naar de brief van [naam] , medewerker van het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) van de FIOD van 26 november 2012. Eiser heeft direct geprobeerd informatie uit de strafzaak te verkrijgen, eerst bij de betrokken rechercheur en daarna bij de dienstdoende officier van justitie. Die informatie is niet verstrekt. Het verzoek daartoe kon pas worden ingediend als het proces-verbaal door de politie zou worden ingediend bij het Openbaar Ministerie. De heer Klein heeft dat verzoek vervolgens op 26 november 2012 gedaan. De informatie is niet verkregen.

Eiser stelt dat eerst na kennisneming op 2 juli 2013 van perspublicaties en (later) de motivering van het strafvonnis van 15 juli 2013 hem meer bekend is geworden dan hem bekend was in april 2011, en hem is gebleken van de ernst en omvang van de strafbare feiten. Eiser heeft vanaf 11 april 2011 aan [belanghebbende] steeds duidelijk gemaakt dat afhankelijk van de uitkomst van de strafzaak alsnog disciplinaire maatregelen genomen zouden worden en heeft daarom in de voortgangsgesprekken telkens gevraag naar de stand van zaken met betrekking tot de strafvervolging. Gelet hierop is eiser van mening dat de subjectief dringende reden aanwezig geacht moet worden.

Tot slot heeft eiser als beroepsgrond aangevoerd dat hij door verweerder in deze procedure te laat is betrokken, met als gevolg dat verweerder bij het bestreden besluit van onvolledige informatie is uitgegaan.

4 De grief van eiser dat het bestreden besluit niet zorgvuldig zou zijn voorbereid nu hij pas laat in de bezwaarprocedure is betrokken kan niet slagen.

Vast staat dat een hoorzitting met [belanghebbende] heeft plaatsgevonden op 19 juni 2014. In verband met het bezwaar van eiser tegen het voornemen tot wijziging van het besluit heeft deze gevraagd om het bezwaar op een hoorzitting te mogen toelichten. Op

8 oktober 2014 heeft deze hoorzitting plaatsgevonden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn argumenten afdoende naar voren heeft kunnen brengen. Aldus kleeft er geen zorgvuldigheidsgebrek aan het bestreden besluit.

5 De rechtbank staat voor de vraag of verweerder [belanghebbende] terecht als niet verwijtbaar werkloos heeft aangemerkt en hem een WW-uitkering heeft toegekend.

5.1

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Of er sprake is van zo’n dringende reden moet worden beoordeeld volgens de maatstaven van het arbeidsovereenkomstenrecht, ook indien het gaat om een arbeidsverhouding die wordt beheerst door het ambtenarenrecht. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.2

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, zoals deze bepaling sinds 1 oktober 2006 luidt, een materiële beoordeling dient plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de maatstaf, welk artikel niet los kan worden gezien van artikel 7:677 van het BW. Dit brengt onder meer met zich dat beoordeeld moet worden of het ontslag onverwijld is gegeven (bijvoorbeeld CRvB 18 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2387). In dat kader wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat in organisaties als die van de belastingdienst (Financiën) enige tijd nodig kan zijn alvorens (definitieve) rechtspositionele stappen te ondernemen (CRvB 22 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9528).

De Hoge Raad (HR) heeft in zijn arrest van 26 september 2014 ECLI:NL:HR:2014:2806 overwogen dat volgens vaste rechtspraak het vereiste dat de dringende reden onverwijld wordt medegedeeld ertoe strekt dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet immers na die mededeling zich erover kunnen beraden of hij de opgegeven reden als juist erkent en als dringend aanvaardt. De mededeling behoeft niet steeds met zoveel woorden te worden gedaan en kan ook in één of meer gedragingen besloten liggen, maar ook dan blijft vereist dat daaruit voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke, door de ander als dringend aangemerkte, reden door deze aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag wordt gelegd, althans dat daaromtrent bij de wederpartij, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan.

5.3

Niet in geschil is dat de [belanghebbende] verweten gedragingen een objectief dringende reden vormen voor eiser om diens aanstelling te beëindigen. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser in de loop van de procedure die is uitgemond in het strafontslag voortvarend genoeg is opgetreden. Oftewel of er sprake is van een subjectieve dringende reden voor ontslag.

5.4

De rechtbank stelt vast dat er tussen het tijdstip dat eiser voor het eerst op de hoogte geraakte van de [belanghebbende] verweten gedragingen en de aanvang van het traject dat heeft geleid tot het onvoorwaardelijk strafontslag ruim twee jaren heeft gelegen. Weliswaar is dit een relatief lange periode, maar dat hoeft op zich nog niet te leiden tot de conclusie dat aan het vereiste van de subjectieve dringende reden niet is voldaan. Daarvoor moet worden gelet op alle van belang zijnde feiten en omstandigheden.

5.5

Op 11 april 2011 was nog slechts sprake van een aangifte door de scouting jegens [belanghebbende] . Of die aangifte zou gaan leiden tot strafvervolging en in het verlengde daarvan tot een strafrechtelijke veroordeling was toen onbekend. Uit het feit dat eiser na kennisneming van de omstandigheid dat aangifte was gedaan [belanghebbende] onmiddellijk heeft uitgenodigd voor een gesprek daarover en hem de toegang tot de dienstgebouwen heeft ontzegd wordt afgeleid dat eiser de kwestie van meet af aan hoog opnam en dat dit ook voor [belanghebbende] duidelijk moet zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het besluit van eiser om [belanghebbende] hangende het strafrechtelijke onderzoek enkel nog werk in de binnendienst te laten doen.

Tot slot wordt in dit kader nog overwogen dat uit de verslagen van de beoordelingsgesprekken blijkt dat steeds opnieuw is gevraagd naar de stand van zaken in de “privé-kwestie” met vermelding van het voorbehoud dat de teamleider eerst de uitkomst daarvan afwacht.

5.6

Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat [belanghebbende] , zoals eiser heeft gesteld en [belanghebbende] niet heeft weerlegd, zich van het begin af aan in zijn communicatie met eiser over het strafrechtelijk traject op de vlakte heeft gehouden en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Het memo (productie 3 bij het bezwaarschrift) van [belanghebbende] geeft vaag aan dat in 2003 en in 2006 geld van de bankrekening van de scouting is overgeboekt naar privé en weer terug en schetst het beeld dat men gezamenlijk bezig is ‘op een rij aan het zetten hoe het gelopen is’ en dat alles wordt terugbetaald. Bedragen worden niet genoemd. De pleegperiode (zoals die later door de strafrechter is vastgesteld) wordt zelfs niet bij benadering aangeduid. Het vervalsen van de bankafschriften komt niet ter sprake, evenals het aanwenden van die gelden voor privé-uitgaven als (onder meer) auto’s en vakanties. [belanghebbende] heeft de doorzoeking niet gemeld. Slecht een kortdurend verlof in verband met het politieverhoor heeft [belanghebbende] aan eiser meegedeeld. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat eiser eerst door de publicaties in de media inzicht heeft gekregen van de ernst en omvang van de verweten gedragingen.

5.7

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet zelfstandig meer of andere informatie had kunnen vergaren, anders dan door navraag bij [belanghebbende] zelf en het openbaar ministerie. Van belang hierbij is dat de verweten gedragingen niet op het werk plaatsvonden maar geheel in de privé-sfeer. Aldus was het voor eiser niet mogelijk een eigen huishoudelijk onderzoek in te (doen) stellen. Verder is de rechtbank van oordeel dat de leidinggevende van eiser als werkgever zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat daar waar hem op 11 april 2011 bleek dat de lezingen van [belanghebbende] en van de scouting over wat er precies aan de hand was uiteenliepen, hij buiten die discussie wilde blijven en daarom het verdere verloop wilde afwachten. Nu daarbij als voorwaarde is gesteld dat hij door [belanghebbende] wel geïnformeerd wilde blijven worden valt niet in te zien wat eiser nog meer had kunnen doen om informatie te vergaren teneinde zich in april 2011 al een goed oordeel te kunnen vormen, zoals verweerder stelt. Daarbij komt dat het goed werkgeverschap meebrengt dat niet te lichtvaardig tot disciplinaire maatregelen en of ontslag wordt overgegaan, indien de mogelijkheid bestaat dat de verweten gedragingen niet bewezen worden (geacht), dan wel van een zodanig geringe ernst zijn dat een strafontslag disproportioneel zou zijn. Het openbaar ministerie had immers ook van verdere vervolging kunnen afzien, bijvoorbeeld omdat er met de scouting als benadeelde partij een regeling zou worden getroffen. Terecht heeft eiser ook gewicht toegekend aan het belang van het voorkomen van reputatieschade bij [belanghebbende] , gezien zijn staat van dienst.

5.8

Aldus rijst voor de beoordeling van de subjectieve dringendheid de vraag of en zo ja, welk moment aan te wijzen is waarop bij [belanghebbende] de indruk kan zijn ontstaan dat voor eiser de dringende reden niet meer dringend genoeg was. Is een dergelijk moment vast te stellen dan zou immers moeten worden geoordeeld dat aan het vereiste van de subjectief dringende reden niet (meer) is voldaan. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de CRvB van 24 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1149 en het hiervoor genoemde arrest van de HR.

[belanghebbende] heeft aangevoerd dat uit het feit dat op 20 april 2011 de ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen werd opgeheven en hij weer tewerk is gesteld valt af te leiden dat eiser het kennelijk allemaal niet zo ernstig vond. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Juist uit het feit dat eiser in de feiten en omstandigheden zoals die toen bekend waren aanleiding zag om de werkzaamheden van [belanghebbende] te beperken tot de binnendienst had [belanghebbende] moeten afleiden dat eiser een en ander nog steeds als dringende reden beschouwde. Dat eiser niet is geschorst of dat er jegens hem geen onomkeerbare maatregelen zijn genomen betekent niet dat eiser de gang van zaken niet meer hoog opnam. Dat had slechts te maken met de zorgvuldigheid die eiser als goed werkgever in het hele proces in acht wilde nemen en met het voorkomen van (reputatie)schade. Direct na de strafzitting, dus nog vóór het uitspreken van het strafvonnis heeft eiser de procedure tot strafontslag ingezet. In zoverre is eiser wel voortvarend te werk gegaan en heeft hij het signaal afgegeven dat het hem ernst was.

De rechtbank kan aan de hand van de stellingen van partijen geen moment aanwijzen gelegen tussen 11 april 2011 en 2 juli 2013 waarop bij [belanghebbende] door het uitblijven van actie van de kant van eiser de indruk kan zijn ontstaan dat eiser niet (meer) zwaar tilde aan de verweten gedragingen. De rechtbank vindt hiervoor een bevestiging in het feit dat [belanghebbende] in het besluit van 26 februari 2014 (het onvoorwaardelijk strafontslag) heeft berust.

5.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan het ontslag een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag ligt, zodat het ontslag rechtsgeldig is. Aldus is geen sprake van niet verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met de wet te worden vernietigd. Doende wat verweerder had behoren te doen zal de rechtbank het bezwaar van [belanghebbende] ongegrond verklaren.

6 Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

verklaart het bezwaar van [belanghebbende] ongegrond,

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 980,-,

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 328,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.