Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8680

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
C/09/487180 / FA RK 15-2997
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vernietiging erkenning - vervangende toestemming erkenning - gezag en omgang - raadsonderzoek gelast - (intended) family life versus private life - EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-2997

Zaaknummer: C/09/487180

Datum beschikking: 24 juli 2015

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 20 april 2015 ingekomen verzoek van:

[vader]

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. J.M. Wigman te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[moeder]

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. L.J.W. Govers te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;

  • -

    de brief d.d. 29 juni 2015, met bijlagen, van de zijde van de vader.

De minderjarige [minderjarige] heeft zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 30 juni 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van de zijde van de vader zijn pleitnotities en een nader stuk overgelegd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast ingevolge een aantekening in het gezagsregister d.d.

14 augustus 2013.

- Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Op 10 januari 2014 hebben partijen ten overstaan van een notaris een convenant met betrekking tot de minderjarigen gesloten in verband met het voorgenomen vertrek van de moeder met de minderjarigen naar Suriname. Dit convenant regelt

– kort weergegeven – de informatievoorziening over de minderjarigen aan de vader, de opleiding van de minderjarigen en de daaraan verbonden kosten, de ziektekostenverzekering en de terugkeer van de minderjarigen naar Nederland.

- Op 11 januari 2014 is de moeder met de minderjarigen naar Suriname verhuisd.

- Vanaf 7 april 2014 hebben de minderjarigen bij de vader in Nederland verbleven.

- Op 4 september 2014 is de moeder teruggekeerd naar Nederland en sindsdien verblijven de minderjarigen bij de moeder.

- Bij beschikking van deze rechtbank van 19 december 2014 zijn de verzoeken van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar Suriname (voor wat betreft de minderjarige [minderjarige] tot het einde van het schooljaar 2016 en voor wat betreft de minderjarige [minderjarige] voor onbepaalde tijd) en om vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van nieuwe paspoorten van de minderjarigen, afgewezen.

Verzoek en verweer

De vader heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen bij de vader met ingang van de datum van de beschikking, althans uiterlijk 1 juli 2015;

- zolang de minderjarigen feitelijk de hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben, en in geval het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats bij de vader wordt afgewezen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van ieder der ouders (hierna: zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- elk weekend van vrijdag tot zondag;

- gedurende de helft van de gebruikelijke schoolvakanties,

althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht,

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de moeder zelfstandig verzocht:

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen vast te stellen bij de moeder;

- vervangende toestemming te verlenen voor de verhuizing met de minderjarigen naar Suriname, in die zin dat de rechtbank toestemming verleent aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om:

- met de minderjarigen in 2015 per vliegtuig af te reizen naar Suriname;

- de minderjarigen in 2015 in Suriname in te laten schrijven in de registers van de burgerlijke stand;

- de minderjarigen in 2015 in te schrijven op een naar de mening van de moeder geschikte school in Suriname,

althans zodanige toestemming te verlenen voor de verhuizing naar Suriname als

de rechtbank juist acht;

- ingeval het verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing naar Suriname wordt toegewezen, een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- gedurende vier weken in de zomervakantie;

- in de even jaren gedurende de kerstvakantie,

tenzij de vader geen eigen woonruimte heeft waar de minderjarigen kunnen overnachten,

- waarbij wordt bepaald dat de ouder waar de minderjarigen het laatst hebben verbleven, zorg draagt voor begeleiding van de minderjarigen naar de dichtstbijzijnde internationale luchthaven van vertrek, terwijl de ouder naar wie de minderjarigen toe gaan, zorg draagt voor het ophalen van de minderjarigen op de internationale luchthaven van aankomst, en met uitdrukkelijke bepaling dat de kosten van de vliegtickets door de ouders bij helfte worden gedragen,

althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht,

- in geval het verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing naar Suriname wordt afgewezen, een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- in de even weken op zaterdag en zondag, zonder overnachting;

- maximaal twee aaneengesloten weken gedurende de zomervakantie,

althans een zodanige zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht,

- te bepalen dat de vader binnen uiterlijk zeven dagen na de datum van de beschikking de paspoorten van de minderjarigen aan de moeder beschikbaar zal stellen, althans de afgifte te bevelen van de paspoorten van de minderjarigen op een wijze als de rechtbank juist acht, voor zover mogelijk onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat de vader in gebreke blijft om aan de beschikking te voldoen,

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht,

althans, in geval de vader stelt de paspoorten van de minderjarigen niet meer in zijn bezit te hebben, vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van paspoorten voor de minderjarigen bij de gemeente [gemeente] , en voor zover mogelijk, de vader te veroordelen in de kosten hiervan van in totaal € 102,40,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Ingevolge artikel 1:253a BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van (één van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige(n) wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder andere beslissen bij welke ouder de minderjarige(n) de hoofdverblijfplaats heeft/hebben en kan een regeling vaststellen inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. De rechtbank beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de ouders. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat het voor de ouders op dit moment niet mogelijk is overeenstemming te bereiken over de kinderen, omdat hun eigen wensen en verlangens te zeer uiteen liggen.

Hoofdverblijfplaats

Beide partijen hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem/haar te bepalen. Het geschil dat daaraan ten grondslag ligt is dat partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of de minderjarigen in Nederland dan wel in Suriname zullen wonen.

De vader acht het in het belang van de minderjarigen dat zij in Nederland blijven en bij hem komen wonen, zodat voor hen een rustige en stabiele opvoedingssituatie ontstaat.

De moeder heeft de wens om met de minderjarigen naar Suriname te verhuizen, omdat zij daar voor zichzelf (met de minderjarigen) een betere toekomst ziet. Voor de moeder staat echter voorop dat zij samen met de minderjarigen wil blijven. Zij heeft toegezegd in Nederland te zullen blijven en voor de minderjarigen te zullen zorgen als zij geen vervangende toestemming voor een verhuizing naar Suriname krijgt.

De rechtbank overweegt allereerst dat de minderjarigen bijna altijd bij de moeder hebben gewoond. Na hun korte verblijf met de moeder in Suriname hebben de minderjarigen in 2014 vijf maanden bij de vader in Nederland gewoond. Sinds 4 september 2014 verblijven de minderjarigen weer bij de moeder. Het verblijf bij de vader is voor de minderjarigen een onrustige periode geweest, mede doordat de huisvesting te wensen overliet en de vader veel afwezig was. De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat op dit moment voor hem het belangrijkste is dat de minderjarigen niet naar Suriname gaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarigen om hun hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen en zal de rechtbank het verzoek van de vader afwijzen.

Hoewel de minderjarigen reeds feitelijk bij de moeder verblijven, heeft de moeder belang bij haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen, omwille van de duidelijkheid voor partijen en de minderjarigen. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen om hun hoofdverblijfplaats bij de moeder vast te stellen en zal zij het verzoek van de moeder toewijzen.

Vervangende toestemming voor verhuizing naar Suriname

Ontvankelijkheid

De vader heeft verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om vervangende toestemming voor een verhuizing naar Suriname. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank bij beschikking van 19 december 2014 een gelijkluidend verzoek van de moeder heeft afgewezen en dat de moeder tegen die beschikking geen hoger beroep heeft ingesteld, terwijl de wijzigingen van omstandigheden die zij thans aanvoert reeds aanwezig waren voordat op 19 maart 2015 de beroepstermijn verstreek.

De rechtbank verwerpt dit verweer en ontvangt de moeder in haar verzoek, nu uit artikel 1:253a BW volgt dat een verzoek als het onderhavige altijd aan de rechtbank kan worden voorgelegd bij het bestaan van een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de gezamenlijk uitoefening van het gezag over de minderjarigen meebrengt dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarigen (van Nederland naar Suriname) toestemming van de vader behoeft.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5901) zal de rechtbank bij haar beoordeling alle omstandigheden van het geval in acht nemen. Dit kan ertoe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarigen, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen. Uit diverse andere uitspraken in soortgelijke zaken volgt dat de navolgende omstandigheden en belangen dienen te worden meegewogen:

  • -

    de vrijheid van een ouder om zijn/haar leven opnieuw in te richten;

  • -

    de noodzaak om te verhuizen;

  • -

    de mate waarin de verhuizing is voorbereid en doordacht;

  • -

    de door de ouder aangeboden alternatieven dan wel compensatie om de gevolgen van de verhuizing te verzachten;

  • -

    de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderling overleg;

  • -

    het recht van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

  • -

    de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen zijn geworteld in hun omgeving;

  • -

    het feit dat een ouder aangeeft niet te zullen verhuizen als de rechtbank geen vervangende toestemming geeft.

De moeder heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij in Suriname meer (financiële) mogelijkheden heeft en dat zij de minderjarigen daar meer kan bieden dan in Nederland. In Suriname kan zij direct aan het werk en kunnen zij en de minderjarigen een appartement betrekken dat op korte rijafstand ligt van de scholen van de minderjarigen. De moeder heeft veel familie in Suriname en voelt zich daar gelukkiger, waardoor zij de minderjarigen een betere opvoedingssituatie kan bieden. Het contact met de vader zal door de verhuizing niet wezenlijk veranderen, aangezien de moeder gedurende hun hele leven voor de minderjarigen heeft gezorgd en de vader er weinig voor hen is geweest. De moeder heeft de minderjarigen altijd gestimuleerd in het contact met de vader en zal dit blijven doen als zij in Suriname wonen. De moeder stelt in dit kader ook een zorgregeling voor waarbij de minderjarigen in de zomer- en kerstvakantie bij de vader in Nederland zijn.

In het licht van het verweer van de vader en alle omstandigheden en belangen die in dit geval meespelen, heeft de moeder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aangetoond dat het voor haar noodzakelijk is om met de minderjarigen naar Suriname te verhuizen. Ter terechtzitting heeft de moeder gesteld dat zij sinds haar terugkeer naar Nederland in 2014 vooral gericht is geweest op een terugkeer naar Suriname en daarom (nog) geen baan heeft gezocht. Zij heeft evenwel toegezegd in Nederland op zoek te gaan naar een baan als zij geen toestemming krijgt om naar Suriname te verhuizen. Wel is duidelijk dat de vrouw een sterke wens heeft om in Suriname te kunnen leven.
Wat de minderjarigen betreft is de rechtbank van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat het juist niet in hun belang is om naar Suriname te verhuizen. Hoewel de moeder heeft gesteld dat zijzelf gelukkiger is in Suriname en dat de minderjarigen daar ook baat bij hebben, ziet de rechtbank voor de minderjarigen duidelijke nadelen van een verblijf in Suriname. Voor beide minderjarigen betekent een verhuizing naar Suriname immers voor de tweede maal een onderbreking van hun schoolloopbaan en een verstoring van het contact met vrienden. Met name voor [minderjarige] is dit ongewenst, aangezien zij na een doublure in het afgelopen schooljaar thans over is naar het vierde jaar en het komende schooljaar eindexamen zal doen. Indien zij dit in Suriname zou doen, zou zij daarna hoogstwaarschijnlijk niet in Suriname gaan studeren, zodat er dan opnieuw een grote wijziging in haar verblijfplaats zou plaatsvinden. [minderjarige] heeft, in ieder geval mede als gevolg van de problemen tussen de ouders en de onduidelijkheid over haar verblijfplaats, een turbulente periode achter de rug, waarin zij ook individuele hulpverlening van Stichting Jeugdformaat heeft gekregen. Het gaat nu goed met haar, zoals zij zelf ook heeft aangegeven tegenover de rechtbank. Hoewel [minderjarige] zelf heeft aangegeven dat zij nu wel naar Suriname wil verhuizen, acht de rechtbank het niet in haar belang om op dit moment opnieuw een wijziging aan te brengen in haar leefsituatie en het evenwicht in haar leven te verstoren. Ook [minderjarige] wordt geacht gebaat te zijn bij rust en stabiliteit. Daarnaast wordt het contact van de minderjarigen met hun vader in Nederland door de grote afstand ernstig beperkt, terwijl daarvoor nauwelijks compensatie mogelijk is.
Bij een afweging van de belangen van de moeder en die van de kinderen dient thans naar het oordeel van de rechtbank het meeste gewicht te worden toegekend aan de belangen van de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing naar Suriname derhalve afwijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder haar toezegging gestand zal doen en zich zal gaan richten op haar leven met de minderjarigen in Nederland.

De rechtbank realiseert zich dat de afwijzing van het verzoek van de moeder om met de minderjarigen naar Suriname te mogen verhuizen voor haar een teleurstelling is. De rechtbank acht het van belang dat de moeder zich ervan bewust is dat de minderjarigen voor die beslissing geen verantwoordelijkheid dragen en dat zij alles in het werk stelt om ervoor te zorgen dat haar – voorstelbare – verdriet daarover geen weerslag heeft op de minderjarigen. De rechtbank verwacht van de moeder dat zij, indien nodig, voor haarzelf en de minderjarigen hulp zal zoeken indien deze beslissing zijn weerslag heeft op de relatie tussen haar en de minderjarigen.

Zorgregeling

Nu vast staat dat de minderjarigen bij de moeder in Nederland zullen verblijven, zal de rechtbank – conform de verzoeken van partijen – een zorgregeling tussen de vader en de minderjarigen vaststellen. De rechtbank acht het van belang dat die regeling structuur en duidelijkheid biedt, waarbij de minderjarigen met regelmaat contact hebben met de vader. Ter terechtzitting hebben beide partijen aangegeven in te stemmen met een zorgregeling waarbij de minderjarigen om het weekend van vrijdag tot en met zondag bij de vader zijn.

De moeder heeft er bezwaar tegen dat de minderjarigen bij de vader overnachten en dat zij

meer dan twee aaneengesloten weken in de zomervakantie bij hem zijn.

De vader heeft aangegeven dat hij een woning in [stad] heeft en dat de contacten met de minderjarigen daar plaats zullen vinden. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader zorgdraagt voor een geschikte slaapplaats voor de minderjarigen en zal de zorgregeling inclusief overnachtingen vastleggen. [minderjarige] heeft tegenover de rechtbank aangegeven hiermee te kunnen instemmen.

Bovendien heeft de moeder zelfstandig verzocht om (in geval de rechtbank vervangende toestemming voor de verhuizing naar Suriname zou verlenen) een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen gedurende vier weken in de zomervakantie en om het jaar in de kerstvakantie bij de vader zouden verblijven, zodat de rechtbank ervanuit gaat dat de moeder kennelijk geen onoverkomelijke bezwaren heeft tegen een vakantieregeling waarbij de minderjarigen meer dan twee weken in de zomervakantie bij de vader zullen zijn. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader toewijzen en bepalen dat de minderjarigen gedurende de helft van alle gebruikelijke schoolvakanties bij de vader zullen zijn.

Afgifte paspoorten

De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de paspoorten van de minderjarigen in zijn bezit heeft en deze aan de moeder zal afgeven zodra er duidelijkheid bestaat over de verhuizing naar Suriname. Nu met de beslissing van de rechtbank vaststaat dat de moeder met de minderjarigen in Nederland zal blijven, zal de rechtbank bevelen dat de vader de paspoorten van de minderjarigen dient af te geven aan de moeder. De rechtbank ziet aanleiding om de vader te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat hij niet aan dit bevel voldoet.

De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

Voorts is gebleken dat de paspoorten van de minderjarigen bijna verlopen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader – nu duidelijkheid bestaat over de verhuizing – zal meewerken aan het aanvragen van nieuwe paspoorten, zoals hij ter terechtzitting heeft toegezegd.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met de minderjarigen naar Suriname af;

bepaalt dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- eenmaal per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag;

- gedurende de helft van de gebruikelijke schoolvakanties,

en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;

beveelt dat de vader binnen een week na betekening van deze beschikking de paspoorten van de minderjarigen beschikbaar zal stellen aan de moeder;

bepaalt dat de vader een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere dag dat hij niet aan dit bevel voldoet, met een maximum van € 2.000,--,

en verklaart dit bevel en deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de opgelegde dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, I.D. Bellaart en K.M. Braun, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.N. van Limpt-Schrover als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2015.