Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
09/753332-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten dat zij zich, al dan niet in vereniging met anderen,

schuldig heeft gemaakt aan de diefstal of verduistering van geldbedragen van een persoon,

dat zij deze persoon heeft opgelicht bij de verkoop van diens woning

en dat zij geldbedragen en/of een woning heeft witgewassen.

De rechtbank spreekt verdachte deels vrij van voornoemde feiten en veroordeelt haar,

in verband met diefstal door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd en medeplegen

van witwassen, meermalen gepleegd, tot een voorwaardelijke gevangenisstraf

en een onvoorwaardelijke taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/753332-12

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres verdachte]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 juli 2015.

Verdachte is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting is verschenen mr. R.M. Heemskerk, advocaat te Maastricht, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2010 tot en met 16 januari 2012 te Hazerswoude-Dorp en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

-A.(in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 januari 2012) een geldbedrag van (in totaal) 6.850,- euro, althans een of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

-B.(in de periode van 3 maart 2010 tot en met 2 december 2011) een geldbedrag van (in totaal) 6.843,- euro althans een of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

-C.(in de periode van 2 oktober 2010 tot en met 14 maart 2011) een geldbedrag van (in totaal) 6.767,- euro althans een of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

waarbij verdachte (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (oneigenlijk gebruik van) een bankpas met bijbehorende pincode en/of een of meerdere overschrijvingsformulier(en) en/of internetbankieren van die [benadeelde] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2010 tot en met 16 januari 2012 te Hazerswoude-Dorp en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk

-A.(in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 januari 2012) een geldbedrag van (in totaal) 6.850,- euro, althans een of meer geldbedragen, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

-B.(in de periode van 3 maart 2010 tot en met 2 december 2011) een geldbedrag van (in totaal) 6.843,- euro althans een of meer geldbedragen, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of

-C.(in de periode van 2 oktober 2010 tot en met 14 maart 2011) een geldbedrag van (in totaal) 6.767,- euro althans een of meer geldbedragen, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte (telkens) als (gevolmachtigde) huishoudhulp van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks 1 januari 2010 tot en met 1 mei 2011 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, mmet het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van zijn woning (gelegen aan de [adres benadeelde] ), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

-(meermalen) tegen die [benadeelde] gezegd dat hij, [benadeelde] , veel rekeningen moest betalen en dat hij, [benadeelde] , door zijn woning te verkopen zijn schulden kan aflossen, en/of (aldus) bij die [benadeelde] aangedrongen op verkoop van zijn woning en/of

- zich (vervolgens) voorgedaan als bonafide koper (koper met goede bedoelingen), en/of

-(in die hoedanigheid) die [benadeelde] bezocht om de woning van die [benadeelde] te bekijken, en/of

-(in die hoedanigheid) een verkoopprijs van de woning (ver) onder de (WOZ)-waarde vastgesteld, en/of

-(in die hoedanigheid) [benadeelde] laten tekenen voor de verkoop van zijn woning wetende dat de hoogte van de verkoopprijs genoemd in de koopovereenkomst niet in verhouding staat tot de (WOZ)-waarde van die woning, en/of

-weten dat die [benadeelde] door de ziekte Altzheimer/dementie en/of ouderdom en/of door emotionele labiliteit en/of door afhankelijkheid niet in staat was beslissingen te nemen rond de verkoop van die woning waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Art 326 Wetboek van Strafrecht

3.

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een (giraal) geldbedrag van 14.000 euro en/of 11.000,- euro, althans een of meer geldbedragen, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (oneigenlijk gebruik van) een of meerdere overschrijvingsformulier(en) en/of internetbankieren van die [benadeelde] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk 14.000,- euro en/of 11.000,- euro, althans een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk goed en/of geldbedragen verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als de (gevolmachtigde) huishoudhulp van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Art 321 Wetboek van Strafrecht

Art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 24.000,- euro en/of 3.200,- euro en/of 3.700,- euro althans een of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

waarbij verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (oneigenlijk gebruik van) een of meerdere overschrijvingsformulier(en) en/of internetbankieren van die [benadeelde] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen, 24.000,- euro en/of 3.200,- euro en/of 3.700,-, althans een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk goed en/of geldbedragen verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als de (gevolmachtigde) huishoudhulp van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Art 321 Wetboek van Strafrecht

5.

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 december 2011, te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van (in totaal) 30.900,- euro (24.000,- en/of 3.200,- en/of 3.700,-)

- een geldbedrag van (in totaal) 25.000 euro (14.000,- euro en/of 11.000,- euro) en/of

- een geldbedrag van (in totaal) 20.460,- euro (6.850,- euro en/of 6.843,- euro en/of 6.767,- euro) en/of

-een woning (gelegen aan de [adres benadeelde] ), althans de overwaarde (verschil tussen aankoopprijs en verkoopprijs) van voornoemde woning (120.000,- euro),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op dat/die voorwerp(en) en/of die voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door meermalen (telkens) op haar/hun, verdachte's en/of haar medeverdachte's bankrekening (giraal) geld te ontvangen van de bankrekening van [benadeelde] onder vermelding van notariskosten en/of afbetaalde lening en/of [Bedrijf A] en/of afbetaling lening 2008 en/of afbetaling lening 2009 en/of afbetaling lening 2010 en/of opslag auto's en/of huur auto's en/of geld contant op te nemen en/of door de woning ver onder de (WOZ)-waarde te verkopen en binnen negen maanden tegen de werkelijk (markt)waarde te verkopen;

terwijl verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 28 maart 2012 heeft T.P.M. Jansen (hierna: Jansen), medewerker van Bewindvoering Holland en casemanager van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ), aangifte gedaan namens [benadeelde] , onder meer naar aanleiding van een aantal opmerkelijke overboekingen die hadden plaatsgevonden vanaf de rekening van [benadeelde] , waaronder diverse overboekingen naar de rekening van verdachte, twee overboekingen naar de rekening van verdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) van respectievelijk € 14.000,00 onder vermelding van ‘notariskosten’ en € 11.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening’, en diverse overboekingen van in totaal € 30.900,00 naar de rekening ten name van verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ).

Voorts heeft Jansen in zijn aangifte vermeld dat de woning van [benadeelde] , gelegen aan de [adres benadeelde] , een WOZ-waarde had van € 323.000,00 en is verkocht voor € 180.000,00.

Uit onderzoek naar de financiën van verdachte is het volgende naar voren gekomen. In de periode van 3 maart 2010 tot en met 2 december 2011 is in totaal een bedrag van € 6.843,00 gestort op haar eigen rekening. Voorts is in de periode van 1 maart 2011 tot en met 16 januari 2012 in totaal een bedrag van € 6.850,00 gestort op de rekening van haar zoontje. Ten slotte is in de periode van 2 oktober 2010 tot en met 14 maart 2011 in totaal een bedrag van € 6.767,00 van de rekening van [benadeelde] naar de rekening van verdachte overgeboekt.

Verdachte wordt kort gezegd verweten dat zij zich, al dan niet in vereniging met anderen, heeft schuldig gemaakt aan de diefstal of verduistering van geldbedragen van [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) (feiten 1, 3 en 4), dat zij [benadeelde] heeft opgelicht bij de verkoop van diens woning (feit 2) en dat zij geldbedragen heeft witgewassen (feit 5).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met valse sleutels van een totaalbedrag van € 6.767,00 (feit 1 primair, onderdeel C). Zij heeft verzocht verdachte van de andere onderdelen vrij te spreken (feit 1 primair en subsidiair, onderdelen A en B).

Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] , schuldig heeft gemaakt aan oplichting (feit 2) en diefstal door middel van valse sleutels van een geldbedrag van in totaal € 25.000,00 (feit 3 primair). Ook is zij van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels van een totaalbedrag van € 30.900,00 (feit 4 primair).

Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van voornoemde geldbedragen van € 30.900,00, € 25.000,00 en € 6.767,00. Zij heeft verzocht verdachte ter zake van de overige voorwerpen/geldbedragen vrij te spreken (feit 5).

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd betoogd dat verdachte, wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van alle aan haar tenlastegelegde feiten.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Ten aanzien van feit 1

Onderdelen A en B (stortingen)

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van valse sleutels van een geldbedrag van in totaal € 6.850,00 (onderdeel A) en van een geldbedrag van in totaal € 6.843,00 (onderdeel B), noch dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van deze geldbedragen.

Onderdeel C (overboekingen)

Omtrent het geldbedrag van in totaal € 6.767,00 (onderdeel C) overweegt de rechtbank dat uit onderzoek van de rekening van verdachte is gebleken dat op de volgende data vanaf de rekening van [benadeelde] naar de rekening van verdachte geldbedragen zijn overgemaakt:

  • -

    op 2 oktober 2010 een geldbedrag van € 1.000,00;

  • -

    op 11 oktober 2010 een geldbedrag van € 1.000,00;

  • -

    op 19 oktober 2010 een geldbedrag van € 450,00;

  • -

    op 23 oktober 2010 een geldbedrag van € 500,00;

  • -

    op 22 februari 2011 een geldbedrag van € 117,00 (onder vermelding van ‘verkeerde overboeking’), een geldbedrag van € 800,00 (onder vermelding van ‘boodschappengeld’) en een geldbedrag van € 100,00 (onder vermelding van ‘verkeerde overboeking’);

  • -

    op 25 februari 2011 een bedrag van € 1.000,00 (onder vermelding van ‘afbetaling [getuige 4] ’);

  • -

    op 8 maart 2011 een geldbedrag van € 1.000,00 (onder vermelding van ‘voor Ria’);

  • -

    op 14 maart 2011 een bedrag van € 800,00 (onder vermelding van ‘voor Ria boodschappengeld’).2

Aldus is in de periode van 2 oktober 2010 tot en met 14 maart 2011 een totaalbedrag van

€ 6.767,00 van de rekening van [benadeelde] naar de rekening van verdachte overgeschreven.

De raadsvrouw heeft betoogd dat deze overboekingen, verricht door verdachte of [benadeelde] zelf, hebben plaatsgevonden met goedkeuring van [benadeelde] en dat de geldbedragen door verdachte zijn gebruikt om boodschappen te doen met en voor [benadeelde] of waren bedoeld voor de terugbetaling aan verdachte van kosten die zij voor [benadeelde] had gemaakt.

Gelet op het gevoerde verweer ziet de rechtbank zich gesteld voor de vragen in hoeverre verdachte voornoemde bedragen heeft overgeboekt en zo ja, of verdachte met toestemming van [benadeelde] heeft gehandeld.

In hoeverre heeft verdachte de bedragen overgeboekt?

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier diverse aanknopingspunten die erop duiden dat [benadeelde] niet zelf zijn bankzaken regelde. Zo heeft [benadeelde] desgevraagd aan de wijkagent gezegd dat zijn vrouw, toen zij nog leefde, alles in verband met het huishouden regelde, waaronder de administratie, en dat hij geen idee had “hoe die bankzaken werken.” 3

De broer van [benadeelde] , [broer van benadeelde] , heeft bevestigd dat de vrouw van [benadeelde] verantwoordelijk was voor de boekhouding en heeft daarnaast verklaard dat zijn broer niet in staat was om zelf zijn financiën te regelen.4

Dat verdachte zich bezighield met de administratie van [benadeelde] volgt onder meer uit de verklaringen van getuigen [ getuige 1] , de [vriendin] van [benadeelde] , en [getuige 2] . [ getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tegen haar had gezegd dat zij de financiën deed voor [benadeelde] .5 [getuige 2] heeft eveneens verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat zij de administratie voor [benadeelde] deed.6

Daarnaast volgt uit het dossier dat de overboekingen die dateren vanaf 22 februari 2011 tot en met 14 maart 2011 werden verricht door middel van internetbankieren7, vanaf diverse hotspots waarvoor nader identificerende gegevens ontbreken8 en dat de mogelijkheid tot internetbankieren met de rekening van [benadeelde] pas bestond nadat aan verdachte de volmacht voor deze rekening was verstrekt.9

Verdachte is vanaf 10 februari 2011 tot en met 16 maart 2011 de gemachtigde van de rekening van [benadeelde] is geweest.10 Hoewel verdachte heeft verklaard dat zij [benadeelde] had geleerd hoe hij kon internetbankieren, heeft zij niet willen verklaren hoe dit heeft plaatsgevonden en bevat het dossier geen enkele indicatie dat [benadeelde] in de tenlastegelegde periode in staat was om op deze wijze overboekingen te verrichten noch dat hij dit op enig moment daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat het dossier eerder contra-indicaties bevat, gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van [benadeelde] zelf, zijn broer, [ getuige 1] en [getuige 2] .

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte zich bezig heeft gehouden met de financiële administratie van [benadeelde] . De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat zij in dat kader, al dan niet via internetbankieren, overboekingen heeft verricht van de rekening van [benadeelde] .

De rechtbank acht eveneens bewezen dat de overboekingen naar de rekening van verdachte die in oktober 2010 plaatsvonden, voordat verdachte gemachtigde was van de rekening van [benadeelde] , ook door verdachte werden verricht, nu het dossier - op de verklaringen van verdachte na - geen aanknopingspunten bevat dat [benadeelde] toen zelf zijn bankzaken deed. Bij haar oordeel betrekt de rechtbank de eerder aangehaalde verklaringen van [benadeelde] zelf, zijn broer, [ getuige 1] en [getuige 2] .

Heeft verdachte met toestemming van [benadeelde] gehandeld?

Ten aanzien van de overboekingen in de periode van 22 februari 2011 tot en met 14 maart 2011 overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte was in die periode gemachtigde van de rekening van [benadeelde] . Gelet op de omstandigheid dat verdachte in die periode ook de beschikking had over de bankpas van [benadeelde] ,11 acht de rechtbank het onlogisch en om die reden onaannemelijk dat zij in die periode contante geldbedragen voor [benadeelde] heeft moeten voorschieten ten behoeve van boodschappen of andere kosten en dat de overboekingen daarop betrekking hebben gehad. Die kosten kon zij immers direct voldoen met de bankpas van de rekening van [benadeelde] .

Voorts vormt hetgeen [getuige 3] en [benadeelde] hebben verklaard over een specifieke overboeking van € 1.000,00 van de rekening van [benadeelde] naar de rekening van verdachte, een aanwijzing dat verdachte geen toestemming van [benadeelde] had voor de overboekingen. [getuige 3] , een goede vriendin van [benadeelde] , heeft omtrent deze overboeking verklaard dat zij het niet vertrouwde omdat het volgens haar onmogelijk was dat [benadeelde] deze opdracht aan de bank zou hebben gegeven.12 [benadeelde] , hierover door de wijkagent bevraagd, heeft verklaard dat hij niets van deze overboeking afwist, dat hij niet zou weten waarom verdachte € 1.000,00 vanaf zijn rekening naar haar rekening zou overboeken en dat hij denkt dat hij verdachte geen toestemming heeft gegeven voor deze overboeking.13

Ook de omschrijvingen van de overboekingen vormen een aanwijzing dat verdachte geen toestemming van [benadeelde] had, nu zij hiervoor geen aannemelijke of verifieerbare verklaring heeft kunnen geven en deze omschrijvingen in enkele gevallen aantoonbaar onjuist zijn gebleken.

Omtrent de overboeking van een bedrag van € 1.000,00 op 25 februari 2011, onder vermelding van ‘afbetaling [getuige 4] ’, overweegt de rechtbank dat [vrouw van getuige 4] heeft verklaard dat zij en haar man een aantal gebouwen op hun erf verhuren als stallingsruimte, dat [benadeelde] daar enige tijd enkele auto’s had gestald en als vergoeding daarvoor huur betaalde.14 De getuige heeft verder verklaard dat [benadeelde] een betalingsachterstand had en dat zij nooit betalingen heeft ontvangen ter aflossing van deze schuld, ook niet van verdachte.15 Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat de omschrijving ’afbetaling [getuige 4] ’ kennelijk niet is gebaseerd op een afbetaling die heeft plaatsgevonden aan [getuige 4] en dat deze omschrijving aldus aantoonbaar onjuist is.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte op enigerlei wijze recht had op de met de overboekingen gemoeide geldbedragen die afkomstig waren van de rekening van [benadeelde] , noch dat deze overboekingen met toestemming van [benadeelde] zijn verricht.

Conclusie

Nu verdachte zonder toestemming van [benadeelde] geldbedragen van zijn rekening heeft overgeboekt naar haar eigen rekening, acht de rechtbank bewezen dat zij deze bedragen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen en zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van deze geldbedragen door middel van valse sleutels, te weten door oneigenlijk gebruik van internetbankieren en overschrijvingsformulieren van [benadeelde] .

3.4.2

Ten aanzien van feit 2

Uit de verklaringen die verdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 2] hebben afgelegd volgt dat verdachte, al dan niet via de dochter van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , aan [medeverdachte 2] de tip heeft gegeven dat de woning van [benadeelde] , gelegen aan [adres benadeelde] , te koop was. Deze tip heeft er uiteindelijk toe geleid dat [medeverdachte 4] deze woning van [benadeelde] heeft gekocht.

Eerste gedachtestreepje

Verdachte wordt allereerst verweten dat zij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [benadeelde] heeft opgelicht bij de verkoop van diens woning door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (meermalen) tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij veel rekeningen moest betalen en dat hij door zijn woning te verkopen zijn schulden kon aflossen en/of zo bij die [benadeelde] heeft aangedrongen op verkoop van zijn woning.

Hoe [benadeelde] er in de tenlastegelegde periode financieel voorstond, volgt onder meer uit zich in het dossier bevindende stukken van de Rabobank en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen G. Wolf en [getuige 2] .

Uit de stukken van de Rabobank blijkt dat [benadeelde] op 26 juli 2010 een overeenkomst met de Rabobank heeft gesloten voor een krediet, te weten een KeuzePlus Hypotheek, ter hoogte van een bedrag van € 30.000,00. Uit een brief van E. van Helden, werkzaam bij de Rabobank, aan [benadeelde] van 22 november 2010 volgt dat [benadeelde] zijn limiet van

€ 30.000,00 had bereikt en dat hij om die reden geen opnames van de KeuzePlus hypotheek meer kon verrichten. Uit deze brief volgt tevens dat de Rabobank verschillende mogelijkheden met [benadeelde] heeft besproken, waaronder de verkoop van zijn woning of een verhoging van de KeuzePlus hypotheek om de rentelasten van zijn financieringen te kunnen voldoen. In een brief van 13 december 2010 heeft Van Helden aan [benadeelde] te kennen gegeven dat het voor hem niet meer mogelijk was om zijn financiering uit te breiden, vanwege zijn registratie bij BKR met een achterstandscodering.

Wolf, werkzaam bij Borsboom Accountants & Adviseurs, heeft verklaard dat hij voor de datum van verkoop van de woning van [benadeelde] tweemaal langs is geweest in diens woning omdat [benadeelde] zijn administratie niet op orde had. Wolf heeft dit afgeleid uit de omstandigheid dat bij het kantoor waar hij werkzaam is, en welk kantoor in het verleden verantwoordelijk was voor de administratie van het bedrijf van [benadeelde] , aanmaningen van de belastingdienst binnen waren gekomen ten name van [benadeelde] . In de woning van [benadeelde] heeft Wolf diverse achterstallige facturen aangetroffen, waaronder facturen in verband met gas-, licht- en watervoorziening.

[getuige 2] heeft verklaard dat [benadeelde] geen interesse had in zijn financiën, dat hij eind januari 2011 een enorme partij rekeningen en aanmaningen in de woning van [benadeelde] had aangetroffen en dat zijn administratie een puinhoop was. Op de vraag van de rechter-commissaris wat [getuige 2] was tegengekomen op de bankafschriften van [benadeelde] , heeft [getuige 2] verklaard: “Schokkende leegte”. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij bij de accountant van [benadeelde] , Borsboom, is gaan praten. Deze zag, aldus [getuige 2] , als enige oplossing voor de financiële problemen van [benadeelde] de verkoop van de woning.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [benadeelde] , nog voor de verkoop van zijn woning, betalingsachterstanden had en veel rekeningen moest betalen. De rechtbank overweegt dat indien door verdachte en/of anderen tegen [benadeelde] zou zijn gezegd dat hij veel rekeningen moest betalen, dit, gelet op de belabberde financiële situatie van [benadeelde] , dus geenszins ‘valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid’ is geweest.

De rechtbank overweegt verder dat, blijkens de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , verdachte aan [benadeelde] het advies heeft gegeven om zijn woning te verkopen om zijn schulden te kunnen aflossen. Ook dat advies valt niet zonder meer onder een van de oplichtingsmiddelen te brengen, gelet op de omstandigheid dat diverse personen, onder wie een adviseur van de Rabobank, de verkoop van de woning als oplossing voor de financiële problemen van [benadeelde] hebben voorgesteld.

Overige gedachtestreepjes

Verdachte wordt tevens verweten dat zij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, Stikkelorum heeft opgelicht door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voor te doen als bonafide koper door in die hoedanigheid de woning van [benadeelde] te bekijken, een verkoopprijs (ver) onder de (WOZ-)waarde van die woning vast te stellen en [benadeelde] te laten tekenen voor de verkoop van zijn woning, wetende dat de hoogte van de verkoopprijs genoemd in de koopovereenkomst niet in verhouding stond tot de (WOZ-)waarde van die woning en/of wetende dat [benadeelde] door zijn geestelijke gesteldheid niet in staat was beslissingen te nemen rond de verkoop van zijn woning.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] de woning van [benadeelde] heeft bekeken en dat hij met [benadeelde] een verkoopprijs van € 180.000,00 is overeengekomen. Die verkoopprijs lag ver onder de WOZ-waarde van de woning van [benadeelde] ; de WOZ-waarde in 2011 bedroeg € 323.000,00. De vraag is of dit feitencomplex kan worden gekwalificeerd als oplichting.

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet eenduidig kan worden vastgesteld wat de marktwaarde van de woning van [benadeelde] was op het moment dat hij zijn woning aan [medeverdachte 4] heeft verkocht. De WOZ-waarde is, zo volgt uit zowel de verklaring van notaris Cusell als de verklaring van makelaar Hoogervorst, niet leidend voor de marktwaarde. Andere gegevens aan de hand waarvan de marktwaarde zou kunnen worden bepaald, ontbreken in het dossier. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de marktwaarde van de woning destijds aanzienlijk lager was dan de WOZ-waarde van de woning, bijvoorbeeld gelet op de staat van onderhoud. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de woning van [benadeelde] is verkocht voor een prijs die significant onder de werkelijke waarde van de woning lag en dat hij aldus ernstig is benadeeld.

Maar zelfs als de woning is verkocht voor een prijs ver beneden de marktwaarde, dan nog geldt dat partijen, op basis van het beginsel van contractsvrijheid, vrij zijn om met elkaar een dergelijke prijs overeen te komen. De voorwaarde is wel dat eenieder zijn wil heeft kunnen bepalen. In dat verband dient de geestelijke gesteldheid van [benadeelde] aan de orde te komen, met name de vraag of hij ten tijde van de verkoop van de woning wel in staat was dergelijke beslissingen te nemen.

Psychiater K.H. Kho heeft op 14 juli 2011 geconcludeerd dat [benadeelde] lijdende was aan een geestesstoornis waardoor hij, al dan niet met tussenpozen, niet in staat was of bemoeilijkt werd om zijn vermogensrechtelijke en zorginhoudelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Uit het dossier volgt dat bij de bijeenkomst waarop de akte van levering van de woning van [benadeelde] is getekend, [benadeelde] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en verdachte aanwezig waren en dat Cusell hierbij als notaris betrokken was. Cusell heeft verklaard dat hij bij het passeren van de akte van levering altijd kijkt of partijen in staat zijn om hun wil te bepalen en dat hij tijdens voornoemde bijeenkomst op geen enkel moment heeft gedacht dat de betrokken partijen daartoe niet in staat waren. Op de vraag van de rechter-commissaris welke indruk de partijen op hem hebben gemaakt heeft Cusell geantwoord dat er geen enkele aanleiding was om te veronderstellen dat er iets tegen de regels der kunst zou zijn. Ten slotte heeft Cusell verklaard dat hij op geen enkel moment de indruk heeft gehad had dat [benadeelde] niet ‘compos mentis’ was. De bijeenkomst was volgens Cusell een “hele normale sessie”.

Uit de informatie van psychiater Kho leidt de rechtbank af dat [benadeelde] wisselend wel en niet in staat was om zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen en dat hij kennelijk ook heldere momenten had. Uit de verklaring van Cusell leidt de rechtbank af dat deze tijdens een bijeenkomst van 45 minuten geen bijzonderheden heeft geconstateerd. Gelet hierop kan de rechtbank, hoewel [benadeelde] lijdende was aan een geestesstoornis en het dossier diverse aanwijzingen bevat dat hij in die tijd regelmatig ‘suffig en warrig’ was, niet vaststellen dat [benadeelde] ten gevolge van zijn geestelijke gesteldheid niet in staat is geweest om ten aanzien van de verkoop van zijn woning zijn wil te bepalen.

Derhalve ontbreekt het wettige bewijs dat verdachte rond de verkoop van de woning van [benadeelde] aan [medeverdachte 4] op enige wijze misbruik van de geestelijke gesteldheid van [benadeelde] heeft gemaakt.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) oplichting, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

3.4.3

Ten aanzien van feit 3

Uit het dossier blijkt dat vanaf de rekening van [benadeelde] op 22 februari 2011 twee overboekingen hebben plaatsgevonden naar de en/of-rekening van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] , te weten een overboeking ter hoogte van € 14.000,00 onder vermelding van ‘notariskosten’ en een overboeking te hoogte van € 11.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening’. Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij deze geldbedragen, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van [benadeelde] heeft gestolen door middel van valse sleutels (feit 3 primair) dan wel dat zij deze geldbedragen heeft verduisterd (feit 3 subsidiair).

Volgens de officier van justitie is sprake van een opzetje tussen verdachte en [medeverdachte 2] bij de diefstal van voornoemde geldbedragen.

De uitleg die [medeverdachte 2] uiteindelijk over voornoemde overboekingen heeft gegeven, komt er allereerst op neer dat hij met [benadeelde] , in afwijking van wat er in de akte is vermeld, heeft afgesproken dat [benadeelde] de ‘kosten koper’ à € 14.000,00 in verband met de verkoop van diens woning voor zijn rekening zou nemen. Omtrent de overboeking van het bedrag van € 11.000,00 heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij een auto van [benadeelde] had gekocht, deze auto heeft laten opknappen en vervolgens voor een bedrag van € 11.00,00 terug heeft verkocht aan [benadeelde] omdat [benadeelde] spijt had gekregen van de verkoop van zijn auto.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [medeverdachte 2] ten aanzien van de overboeking van

€ 11.000,00 in zoverre wordt ondersteund door stukken van de RDW (door [medeverdachte 2] tijdens zijn RC-verhoor overgelegd) dat uit deze stukken naar voren komt dat [medeverdachte 2] sinds 15 februari 2011 de tenaamgestelde was van een Mercedes en dat deze auto op 18 februari 2011 op naam van [benadeelde] gesteld was.

Hoewel de rechtbank in het licht van het bovenstaande de omschrijving ‘afbetaalde lening’ bij de overboeking van € 11.000,00 opmerkelijk acht, het door [medeverdachte 4] in opdracht van [medeverdachte 2] opgestelde briefje met betrekking tot het bedrag van € 25.000,00 (onder meer inhoudende “kosten klok”) vragen oproept en [medeverdachte 2] wisselende verklaringen heeft afgelegd over de overboekingen, is zij, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de uiteindelijke verklaring van [medeverdachte 2] niet als onaannemelijk kan worden aangemerkt. Nu niet kan worden uitgesloten dat aan de overboekingen (mondelinge) afspraken met [benadeelde] ten grondslag lagen, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte en/of anderen zich de geldbedragen wederrechtelijk hebben toegeëigend. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de haar onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

3.4.4

Ten aanzien van feit 4

Overboekingen en opnames

Bij de aangifte van Jansen (zie onder 3.1) is een aantal rekeningafschriften gevoegd van de (Rabobank)rekening van [benadeelde] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Uit deze rekeningafschriften blijkt onder meer dat op 22 februari 2011 vanaf de rekening van [benadeelde] naar het rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [medeverdachte 3] , de volgende bedragen zijn overgemaakt:

  • -

    € 8.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening 2008’,

  • -

    € 11.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening 2009’

  • -

    € 5.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening 2010’.

Uit deze rekeningafschriften blijkt tevens dat vanaf de rekening van [benadeelde]

op 15 maart 2011 een bedrag van € 3.200,00 is overgeschreven naar de rekening van [medeverdachte 3] onder vermelding van ‘afbetaling opslag autoos’ en op 13 april 2011 een bedrag van € 3.700,00 onder vermelding van ‘huur autoos’. Al deze overschrijvingen hebben plaatsgevonden middels een bankgiro opdracht.16

In totaal is er dus een bedrag van € 30.900,00 van de rekening van [benadeelde] overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 3] .

[medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij op enig moment zijn rekeningnummer aan verdachte heeft gegeven. Op de vraag van de politie hoe het in zijn werk is gegaan, heeft [medeverdachte 3] verklaard dat verdachte hem opbelde en dan tegen hem zei dat ze wat had gestort en dat hij het kon opnemen. Na een dergelijk telefoontje ging [medeverdachte 3] naar de Rabobank in Hazerswoude-Rijndijk, alwaar hij het geld ophaalde. Daarna hadden verdachte en hij weer contact met elkaar en gaf hij het geld aan verdachte. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij wist dat het geld afkomstig was van [benadeelde] .17

Omtrent de diverse overboekingen heeft [medeverdachte 3] het volgende verklaard.18

Over de overboeking van 22 februari 2011 van € 8.000,00 met als omschrijving ‘afbetaalde lening 2008’ heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Ja, het was helemaal geen 2008, dat is dus een overboeking die [verdachte] aan mij gedaan had. Volgens mij belde ze mij voordat ze geld over zou maken. Ik wist alleen de hoogte van het bedrag niet. Ze belde dan dat ze geld had overgemaakt en dat ik het moest regelen, daar bedoelde ze mee dat ik het geld op moest nemen en aan haar moest geven.”

Over de overboeking van 22 februari 2011 ter hoogte van € 11.000,00 met als omschrijving ‘afbetaalde lening 2009’ heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Dat is ook een overboeking gedaan door [verdachte] . Die omschrijving slaat nergens op. Ik heb nooit een lening verstrekt aan die man.”

Over de overboeking van 22 februari 2011 ter hoogte van € 5.000,00 met als omschrijving ‘afbetaling lening 2010’ heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Dat is ook een overboeking gedaan door [verdachte] , de vermelding slaat nergens op.”

Over de overboeking van 15 maart 2011 ter hoogte van € 3.200,00 met als omschrijving afbetaling ‘opslag autoos’ heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Ook deze beschrijving klopt niet, onzin. Dat bedrag is overgemaakt door [verdachte] .”

Over de overboeking van 13 april 2011 ter hoogte van € 3.700,00 met als omschrijving afbetaling ‘huur autoos’ heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Weer van [verdachte] , ook de beschrijving is gelul.”

Uit de afschriften van de bankrekening van [medeverdachte 3] blijkt dat hij op 2 maart 2011 € 10.000,00 heeft opgenomen en op 18 maart 2011 € 1.000,00.19

Over de geldopname van € 10.000,00 op 2 maart 2011 heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Ik ben toen naar de bank gegaan. Ik heb dat geld besteld bij de bank. Ik heb het geld opgehaald bij de Rabobank in Hazerswoude-Rijndijk. (…) Vervolgens heb ik het geld aan [verdachte] gegeven.”20

Over de geldopname van € 1.000,00 op 18 maart 2011 heeft [medeverdachte 3] verklaard: “Ik durf niet te zeggen dat dit het geld is wat ik aan [verdachte] heb gegeven. Ik weet het gewoon niet meer.”

Verweer

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Niet alleen heeft verdachte ontkend de overboekingen te hebben verricht en/of daar iets mee van doen te hebben gehad, maar ook zijn de verklaringen van [medeverdachte 3] dermate onbetrouwbaar dat deze niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, aldus de raadsvrouw.

Betrouwbaarheid verklaringen [medeverdachte 3]

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 3] over de overboekingen betrouwbaar, nu [medeverdachte 3] bij de politie en bij de rechter-commissaris op hoofdlijnen consistente verklaringen heeft afgelegd over de gang van zaken rond de overboekingen en hij ook zichzelf heeft belast. Dat [medeverdachte 3] op details niet overeenkomstig heeft verklaard, doet daaraan niet af, zeker gelet op de omstandigheid dat [medeverdachte 3] pas geruime tijd later over deze overboekingen is bevraagd. Bovendien vinden de verklaringen van [medeverdachte 3] steun in de omstandigheid dat de rechtbank, gelet op het hetgeen zij heeft overwogen onder 3.4.1, bewezen acht dat verdachte zich, deels in dezelfde tenlastegelegde periode, schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geldbedragen van de rekening van [benadeelde] door deze geldbedragen vanaf de rekening van [benadeelde] over te maken naar haar eigen rekening (feit 1 primair, onderdeel C).

Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 3] , concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die de geldbedragen heeft overgeboekt vanaf de rekening van [benadeelde] naar de rekening van Neuteboom.

Diefstal met valse sleutels in vereniging

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte recht had op deze geldbedragen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking de vreemde wijze waarop verdachte uiteindelijk de van de rekening van [benadeelde] afkomstige geldbedragen heeft verkregen. Zij heeft dit geld immers eerst van de rekening van [benadeelde] naar de rekening van [medeverdachte 3] overgemaakt, waarna deze op haar verzoek het overgeboekte geld contant heeft opgenomen en aan haar heeft afgegeven. Als verdachte recht had gehad op dit geld, dan had het voor de hand gelegen dat zij, als gemachtigde van de rekening van [benadeelde] , dit geld rechtstreeks van de rekening van [benadeelde] had opgenomen of naar haar eigen rekening had overgeboekt.

Ook de omschrijvingen van de overboekingen vormen een aanwijzing dat verdachte geen toestemming van [benadeelde] had. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de omschrijvingen - kort gezegd - onzin waren. Als verdachte recht had gehad op dit geld, dan mag worden verwacht dat zij omschrijvingen had gebruikt waaruit de rechtmatigheid van de overboekingen kan blijken.

Nu verdachte zonder grond geldbedragen van de rekening van [benadeelde] heeft overgeboekt naar de rekening van [medeverdachte 3] met als doel zelf over die bedragen te kunnen beschikken, acht de rechtbank bewezen dat zij deze bedragen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen en zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van deze geldbedragen door middel van een valse sleutel, te weten door oneigenlijk gebruik van overschrijvingsformulieren van [benadeelde] .

Over de overboeking van € 3.700,00 die op 13 april 2011 heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank dat deze buiten de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden, zodat vrijspraak ten aanzien van dit bedrag dient te volgen. Derhalve resteert een bedrag van (€ 30.900,00 - € 3.700 =) € 27.200,00.

Ten aanzien van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 3] bij vonnis van deze rechtbank van heden is vrijgesproken van de diefstal van deze geldbedragen. Nu de rechtbank in het dossier ook overigens geen aanknopingspunten heeft aangetroffen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen zou hebben gepleegd, zal verdachte van dit onderdeel worden vrijgesproken.

3.4.5

Ten aanzien van feit 5

Ten slotte wordt verdachte het verwijt gemaakt dat zij zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 30.900,00, een geldbedrag van in totaal € 25.000,00, een geldbedrag van in totaal € 20.460,00 en de woning van [benadeelde] althans de overwaarde daarvan.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 30.900,00

De rechtbank overweegt dat het bedrag ter hoogte van € 30.900,00 verband houdt met het onder 4 primair tenlastegelegde feit. De rechtbank heeft met betrekking tot dit feit geconcludeerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte een bedrag van in totaal € 27.200,00 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, zodat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van de witwashandelingen is de rechtbank van oordeel dat door het overboeken van geldbedragen van de bankrekening van [benadeelde] naar de bankrekening van [medeverdachte 3] en het vervolgens opnemen en afgeven van (een deel van) de geldbedragen de werkelijke aard en de herkomst van deze geldbedragen zijn verhuld. Er is met geld geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken, zonder dat daarvoor een economische grond bestond.

Gelet op de omstandigheid dat het voorwerp van een door verdachte zelf gepleegd misdrijf afkomstig was, staat daarmee ook vast dat wist dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte zich, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] , schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van in totaal € 27.200,00.

Ten aanzien van (de overwaarde van) de woning en het geldbedrag van € 25.000,00

De rechtbank overweegt dat (de overwaarde van) de woning en het geldbedrag van € 25.000,00 verband houden met de feiten die verdachte onder 2 en 3 ten laste zijn gelegd. De rechtbank heeft overwogen waarom zij niet bewezen acht dat [benadeelde] bij de verkoop van zijn woning is opgelicht (feit 2) en dat de geldbedragen van € 14.000,00 en € 11.000,00 van [benadeelde] zijn gestolen of zijn verduisterd (feiten 3 primair en subsidiair). Dit leidt ertoe dat niet bewezen kan worden verklaard dat deze voorwerpen van enig misdrijf afkomstig is.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen van (de overwaarde van) de woning en een geldbedrag van in totaal € 25.000,00, zodat verdachte van de betreffende onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 20.460,00

De rechtbank overweegt dat het bedrag ter hoogte van € 20.460,00 (€ 6.850,00 + € 6.843,00 + € 6.767,00) verband houdt met de feiten die verdachte onder 1 ten laste zijn gelegd.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van diefstal van de geldbedragen van € 6.850,00 en € 6.843,00, zodat niet bewezen kan worden verklaard dat deze geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van (het medeplegen van) witwassen van deze geldbedragen.

Omtrent het geldbedrag van in totaal € 6.767,00 overweegt de rechtbank dat zij bewezen heeft geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van dit geldbedrag en dat zij deze diefstal heeft gepleegd door meermalen geld vanaf de rekening van [benadeelde] naar haar rekening over te boeken. Hiermee is komen vast te staan dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad. Derhalve komt de rechtbank ten aanzien van het geldbedrag van € 6.767,00 tot een bewezenverklaring van witwassen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1. primair.

zij op tijdstippen in de periode van 2 oktober 2010 tot en met 14 maart 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of elders in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- C. een geldbedrag van in totaal 6.767,- euro, dat toebehoorde aan [benadeelde] , waarbij verdachte de weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, te weten door oneigenlijk gebruik van overschrijvingsformulieren en internetbankieren van die [benadeelde] ;

4 primair.

zij op tijdstippen in de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- geldbedragen van 24.000,- euro en 3.200,- euro, die toebehoorden aan [benadeelde] ,

waarbij verdachte telkens de weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door oneigenlijk gebruik van overschrijvingsformulieren van die [benadeelde] ;

5.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 december 2011 te Hazerswoude-Dorp en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van een voorwerp, te weten

- een geldbedrag van in totaal 27.200,- euro (24.000,- euro en 3.200,- euro)

de werkelijke aard en de herkomst heeft verhuld, door meermalen telkens op medeverdachtes bankrekening geld te ontvangen van de bankrekening van [benadeelde] onder vermelding van afbetaalde lening 2008 en afbetaalde lening 2009 en afbetaalde lening 2010 en opslag autoos en/of huur autoos en geld contant op te nemen, terwijl verdachte telkens wist dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf

en

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 december 2011, te Hazerswoude-Dorp en/of elders in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 6.767,- euro, voorhanden gehad, terwijl verdachte wist dat dit voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Kwalificatieuitsluitingsgrond

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat indien vaststaat dat het enkele verwerven en/of voorhanden hebben door verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd (vgl. onder meer de arresten van de Hoge Raad van 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4449, BX4585, BX6909, BX6910 en ECLI:NL:HR:2014:702). In een dergelijk geval moet ontslag van alle rechtsvervolging het gevolg zijn.

De rechtbank heeft overwogen dat zij bewezen acht dat verdachte een bedrag ter hoogte van € 6.767,00 heeft witgewassen omdat zij dit geldbedrag, dat afkomstig was uit enig misdrijf, voorhanden heeft gehad. De rechtbank heeft tevens bewezen geacht dat zij dit geldbedrag heeft verkregen uit een door haar zelf begaan misdrijf, te weten de gekwalificeerde diefstal van dit geldbedrag. In het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad dient verdachte daarom ter zake van het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 6.767,00 te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van het witwassen van het geldbedrag van € 27.200,00 overweegt de rechtbank dat deze kwalificatiegrond zich niet voordoet, nu niet het voorhanden van dit geldbedrag bewezen is verklaard, maar het verhullen van de werkelijke aard en de herkomst daarvan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie

Het overige bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 4 primair:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ten aanzien van de haar bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om het advies van de reclassering te volgen, zowel ten aanzien van de straf als ten aanzien van het opleggen van bijzondere voorwaarden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich gedurende een aanzienlijke periode schuldig gemaakt aan de diefstal van aanzienlijke geldbedragen van een oudere, kwetsbare man. Zij heeft zijn vertrouwen gewonnen en vervolgens misbruik gemaakt van zijn onvermogen om zelf zijn financiële administratie te verzorgen. Daarbij is zij berekenend en gewiekst te werk gegaan en heeft zij een ander gebruikt om haar handelingen te verhullen. Bij dit alles heeft zij zich uitsluitend laten leiden door haar hebzucht en geen oog gehad voor de consequenties van haar handelen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte deze daden ernstig aan.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ruim € 30.000,00. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven faciliteert.

De rechtbank heeft acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 9 juni 2015, waaruit volgt dat verdachte in 2012, na het plegen van de onderhavige feiten, tot een lange gevangenisstraf is veroordeeld. Bij de bepaling van de straf zal de rechtbank daarmee in het voordeel van verdachte rekening houden.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een ongedateerd reclasseringsadvies van Reclassering Nederland. De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan als bijzondere voorwaarden te koppelen dat verdachte zich moet melden bij Reclassering Nederland en dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen bij De Waag of bij een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling. Een behandeling is volgens de reclassering aangewezen, omdat verdachte zich als slachtoffer opstelt en geen verantwoordelijkheid neemt voor haar aandeel in de delictsituatie. Ook is tijdens de (inmiddels afgeronde) behandeling in het kader van de eerdere strafzaak het doel ‘nadenken alvorens te handelen’ nog niet aan de orde geweest.

De rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het tot een berechting is gekomen, maar zal daaraan geen consequenties verbinden gelet op de complexiteit van het onderzoek en het grote aantal getuigen dat door de rechter-commissaris gehoord moest worden.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals geadviseerd door de reclassering. De straf wijkt af van de eis van de officier van justitie, aangezien de rechtbank minder feiten bewezen acht en het benadelingsbedrag als gevolg daarvan aanzienlijk lager is.

7 De vordering van de benadeelde partij

7.1

De hoogte van de vordering

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 191.167,00.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om bij de beoordeling van de vordering rekening te houden met de ontnemingsvordering nu er overlap is tussen beide vorderingen, en heeft zich verder gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding dient te worden verklaard.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd en het aanhouden van de behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu door of namens verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 47, 57, 63, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 2, 3 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 4 primair en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en feit 4 primair:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

verklaart het onder 5 bewezenverklaarde feit niet strafbaar voor zover dit ziet op het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 6.767,00 en ontslaat verdachte te dien aanzien van alle rechtsvervolging;

verklaart het overige bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, onder de algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, adres: Bezuidenhoutseweg 179 te 2594 AH Den Haag (telefoonnummer: 070-3119444), op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 180 (honderdtachtig)uren;

beveelt, voor het geval dat veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (negentig) dagen;

beveelt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2015.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2011020841, van de politie Hollands Midden, met bijlagen. Dit dossier bestaat uit een aantal deeldossiers. In de voetnoten van dit vonnis staat vermeld op welke pagina van welk deeldossier het desbetreffende bewijsmiddel is terug te vinden.

2 Proces-verbaal bevindingen, p. 136 en 137 (Zaaksdossier 2 Leningen).

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 en 57 (Ambtshandelingen dossier).

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , p. 28 en 29 (Getuigen dossier).

5 Proces-verbaal verhoor getuige [ getuige 1] , p. 4 (Getuigen dossier).

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , p. 41 (Getuigen dossier).

7 Geschriften, te weten bankafschriften van de rekening van [benadeelde] , p. 45 t/m 49 (Zaaksdossier 2 Leningen).

8 Proces-verbaal bijzonderheden IP adressen, met bijlage, p. 130 t/m 132 (Zaaksdossier 2 Leningen).

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 310 (Ambtshandelingen dossier).

10 Geschriften, te weten stukken over het begin en het einde van de volmacht, p. 290 t/m p. 297 (Ambtshandelingen dossier).

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij rechter-commissaris, 11 november 2014, nr. 10 en 11.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 73 (Zaaksdossier 1 Verduistering [verdachte] ).

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 75 (Zaaksdossier 1 Verduistering [verdachte] ).

14 Proces-verbaal getuige [vrouw van getuige 4] , p. 133 (Zaaksdossier 2 Leningen).

15 Proces-verbaal getuige [vrouw van getuige 4] , p. 134 (Zaaksdossier 2 Leningen).

16 Geschriften, te weten bankafschriften, p. 41, 44 en 48 (Zaaksdossier 2 Leningen).

17 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 219 en 220 (Zaaksdossier 1 Verduistering [verdachte] ).

18 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 224 en 225 (Zaaksdossier 1 Verduistering [verdachte] ).

19 Geschriften, te weten bankafschriften, p. 110 en 112 (Ambtshandelingen dossier).

20 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 224 en 225 (Zaaksdossier 1 Verduistering [verdachte] ).