Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8610

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
09/755077-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een persoon

heeft opgelicht bij de verkoop van diens woning. De rechtbank spreekt verdachte van dit feit vrij. Daarnaast wordt

verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal (in vereniging) van geldbedragen van dezelfde

persoon door middel van valse sleutels, dan wel aan medeplichtigheid tot deze diefstal, dan

wel aan (medeplegen van) verduistering van deze geldbedragen. Uit het dossier volgt dat twee overboekingen

hebben plaatsgevonden vanaf de rekening van deze persoon naar de en/of rekening van verdachte en één van de

medeverdachten. De rechtbank spreekt verdachte ook van deze feiten vrij nu niet kan worden uitgesloten dat aan

de overboekingen (mondelinge) afspraken met verdachte ten grondslag lagen en derhalve niet buiten redelijke twijfel

kan worden vastgesteld dat verdachte en/of zijn medeverdachten zich de geldbedragen wederrechtelijk hebben

toegeëigend. Ten slotte wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van)

witwassen van eerder genoemde geldbedragen en eerder genoemde woning, althans de overwaarde van die woning.

Gelet op de vrijspraken van de feiten waarop dit witwasfeit is gestoeld, spreekt de rechtbank verdachte ook van dit feit vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755077-12

Datum uitspraak: 22 juli 2015

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

BRP-adres: [adres verdachte] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 juli 2015.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A. Sennef, advocaat te Den Haag, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding onder 2 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 1 mei 2011 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Rijnwoude en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van zijn woning (gelegen aan [adres benadeelde] ), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- ( meermalen) tegen die [benadeelde] gezegd dat hij, [benadeelde] , veel rekeningen moest betalen en dat hij, [benadeelde] , door zijn woning te verkopen zijn schulden kon aflossen, en/of (aldus) bij die [benadeelde] aangedrongen op verkoop van zijn woning en/of

- zich (vervolgens) voorgedaan als bonafide koper (koper met goede bedoelingen), en/of

- ( in die hoedanigheid) die [benadeelde] bezocht om de woning van die [benadeelde] te bekijken, en/of

- ( in die hoedanigheid) een verkoopprijs van de woning (ver) onder de (WOZ)-waarde vastgesteld, en/of

- ( in die hoedanigheid) [benadeelde] laten tekenen voor de verkoop van zijn woning

- wetende dat de hoogte van de verkoopprijs genoemd in de koopovereenkomst niet in verhouding stond tot de (WOZ)-waarde van die woning, en/of

- wetende dat die [benadeelde] door de ziekte Altzheimer/dementie en/of ouderdom en/of door emotionele labiliteit en/of door afhankelijkheid niet in staat was beslissingen te nemen rond de verkoop van die woning

waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Art 326 Wetboek van Strafrecht

2.

Hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een (giraal) geldbedrag van 14.000,- euro en/of 11.000,- euro, althans een

of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde]

[benadeelde] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s)

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (oneigenlijk gebruik van) een of meerdere overschrijvingsformulier(en) en/of internetbankieren van die [benadeelde] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een (giraal) geldbedrag van 14.000,- euro en/of 11.000,- euro, althans een of meer geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n)aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte waarbij die [medeverdachte 1] (telkens) de/het weg te nemen geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) onder haar bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door (oneigenlijk gebruik van) een of meerdere

overschrijvingsformulier(en) en/of internetbankieren van die [benadeelde] tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 22 februari 2011 tot en met 13 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar opzettelijk zijn bankrekening aan die [medeverdachte 1] ter beschikking te stellen en/of het geld van die [benadeelde] op zijn bankrekening te laten storten en/of vervolgens het geld contant op te nemen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 februari 2011 tot en met 1 april 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, opzettelijk 14.000,- euro en/of 11.000,- euro, althans een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk goed en/of geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als de (gevolmachtigde) huishoudhulp van [benadeelde] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

Art 321 Wetboek van Strafrecht

Art 47 lid 1 ahf/sub1 Wetboek van Strafrecht

3.

Hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 december 2011 te Hazerswoude-Dorp en/of Leiderdorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van in totaal 25.000,- euro (14.000,- euro en/of 11.000,-

euro) en/of

- een woning (gelegen aan de Voorweg 25 te Hazerswoude-dorp), althans de

overwaarde (verschil tussen aankoopprijs en verkoopprijs) van voornoemde

woning (euro 120.000,-),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was op dat/die voorwerp(en) en/of of die voorwerp(en) voorhanden heeft gehad en/of voorwerp(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of

omgezet en/of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door meermalen (telkens) op haar/hun, verdachte's en/of zijn medeverdachte's, bankrekening (giraal) geld te ontvangen van de bankrekening van [benadeelde] onder vermelding van notariskosten en/of afbetaalde lening en/of [bedrijf A] en/of contant op te nemen en/of door de woning ver onder de (WOZ)-waarde te verkopen en binnen negen maanden tegen de werkelijke (markt)waarde te verkopen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Motivering vrijspraken

Ten aanzien van feit 1

Eerste gedachtestreepje

Verdachte wordt verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [benadeelde] heeft opgelicht bij de verkoop van diens woning door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (meermalen) tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij veel rekeningen moest betalen en dat hij door zijn woning te verkopen zijn schulden kon aflossen en/of aldus bij die [benadeelde] heeft aangedrongen op verkoop van zijn woning.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen die verdachte [medeverdachte 4] , de echtgenote van verdachte, (hierna: [medeverdachte 4] ) en verdachte hebben afgelegd volgt dat verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), al dan niet via de dochter van [medeverdachte 4] en verdachte, aan verdachte de tip heeft gegeven dat de woning van [benadeelde] , gelegen aan [adres benadeelde] , te koop was. Deze tip heeft er uiteindelijk toe geleid dat [medeverdachte 4] deze woning van [benadeelde] heeft gekocht.

Hoe [benadeelde] er in de tenlastegelegde periode financieel voorstond, volgt onder meer uit zich in het dossier bevindende stukken van de Rabobank en de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de getuigen G. Wolf en [getuige 2] .

Uit voornoemde stukken blijkt dat [benadeelde] op 26 juli 2010 een overeenkomst met de Rabobank heeft gesloten voor een krediet, te weten een KeuzePlus Hypotheek, ter hoogte van een bedrag van € 30.000,00. Uit een brief van E. van Helden, werkzaam bij de Rabobank, aan [benadeelde] van 22 november 2010 volgt dat [benadeelde] zijn limiet van

€ 30.000,00 had bereikt en dat hij om die reden geen opnames van de KeuzePlus hypotheek meer kon verrichten. Uit deze brief volgt tevens dat de Rabobank verschillende mogelijkheden met [benadeelde] heeft besproken, waaronder de verkoop van zijn woning of een verhoging van de KeuzePlus hypotheek om de rentelasten van zijn financieringen te kunnen voldoen. In een brief van 13 december 2010 heeft Van Helden aan [benadeelde] te kennen gegeven dat het voor hem niet meer mogelijk was om zijn financiering uit te breiden, vanwege zijn registratie bij BKR met een achterstandscodering.

Wolf, werkzaam bij Borsboom Accountant & Adviseurs, heeft verklaard dat hij voor de datum van verkoop van de woning van [benadeelde] tweemaal langs is geweest in diens woning omdat [benadeelde] zijn administratie niet op orde had. Wolf heeft dit afgeleid uit de omstandigheid dat bij het kantoor waar hij werkzaam is, en welk kantoor in het verleden verantwoordelijk was voor de administratie van het bedrijf van [benadeelde] , aanmaningen van de belastingdienst binnen waren gekomen ten name van [benadeelde] . In de woning van [benadeelde] heeft Wolf diverse achterstallige facturen aangetroffen, waaronder facturen in verband met gas-, licht- en watervoorziening.

[getuige 2] heeft verklaard dat [benadeelde] geen interesse had in zijn financiën, dat hij eind januari 2011 een enorme partij rekeningen en aanmaningen in de woning van [benadeelde] had aangetroffen en dat zijn administratie een puinhoop was. Op de vraag van de rechter-commissaris wat [getuige 2] was tegengekomen op de bankafschriften van [benadeelde] , heeft [getuige 2] verklaard: “Schokkende leegte”. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij bij de accountant van [benadeelde] , Borsboom, is gaan praten. Deze zag, aldus [getuige 2] , als enige oplossing voor de financiële problemen van [benadeelde] de verkoop van de woning.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [benadeelde] , nog voor de verkoop van zijn woning, betalingsachterstanden had en veel rekeningen moest betalen. De rechtbank overweegt dat indien door verdachte en/of zijn medeverdachten tegen [benadeelde] zou zijn gezegd dat hij veel rekeningen moest betalen, dit, gelet op de belabberde financiële situatie van [benadeelde] , dus geenszins ‘valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid’ is geweest.

De rechtbank overweegt verder dat, blijkens de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] aan [benadeelde] het advies heeft gegeven om zijn woning te verkopen teneinde zijn schulden te kunnen aflossen. Ook dat advies valt niet zonder meer onder een van de oplichtingsmiddelen te brengen, gelet op de omstandigheid dat diverse personen, onder wie een adviseur van de Rabobank, de verkoop van de woning als oplossing voor de financiële problemen van [benadeelde] hebben voorgesteld.

Overige gedachtestreepjes

Verdachte wordt tevens verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [benadeelde] heeft opgelicht door zich valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als bonafide koper door in die hoedanigheid de woning van [benadeelde] te bekijken, een verkoopprijs (ver) onder de (WOZ-)waarde van die woning vast te stellen en [benadeelde] te laten tekenen voor de verkoop van zijn woning, wetende dat de hoogte van de verkoopprijs genoemd in de koopovereenkomst niet in verhouding stond tot de (WOZ-)waarde van die woning en/of wetende dat [benadeelde] door zijn geestelijke gesteldheid niet in staat was beslissingen te nemen rond de verkoop van zijn woning.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier volgt dat verdachte de woning van [benadeelde] heeft bekeken en dat hij met [benadeelde] een verkoopprijs van € 180.000,00 is overeengekomen. Die verkoopprijs lag ver onder de WOZ-waarde van de woning van [benadeelde] ; de WOZ-waarde in 2011 bedroeg € 323.000,00. De vraag is of dit feitencomplex kan worden gekwalificeerd als oplichting.

De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet eenduidig kan worden vastgesteld wat de marktwaarde van de woning van [benadeelde] was op het moment dat hij zijn woning aan [medeverdachte 4] heeft verkocht. De WOZ-waarde is, zo volgt uit zowel de verklaring van notaris Cusell als de verklaring van makelaar Hoogervorst, niet leidend voor de marktwaarde. Andere gegevens aan de hand waarvan de marktwaarde zou kunnen worden bepaald, ontbreken in het dossier. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de marktwaarde van de woning destijds aanzienlijk lager was dan de WOZ-waarde van de woning, bijvoorbeeld gelet op de staat van onderhoud. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat de woning van [benadeelde] is verkocht voor een prijs die significant onder de werkelijke waarde van de woning lag en dat hij aldus ernstig is benadeeld.

Maar zelfs als de woning is verkocht voor een prijs ver beneden de marktwaarde, dan nog geldt dat partijen, op basis van het beginsel van contractsvrijheid, vrij zijn om met elkaar een dergelijke prijs overeen te komen. De voorwaarde is wel dat eenieder zijn wil heeft kunnen bepalen. In dat verband dient de geestelijke gesteldheid van [benadeelde] aan de orde te komen, met name de vraag of hij ten tijde van de verkoop van de woning wel in staat was dergelijke beslissingen te nemen.

Psychiater K.H. Kho heeft op 14 juli 2011 geconcludeerd dat [benadeelde] lijdende was aan een geestesstoornis waardoor hij, al dan niet met tussenpozen, niet in staat was of bemoeilijkt werd om zijn vermogensrechtelijke en zorginhoudelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Uit het dossier volgt dat bij de bijeenkomst waarop de akte van levering van de woning van [benadeelde] is getekend, [benadeelde] , verdachte, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] aanwezig zijn geweest en dat Cusell hierbij als notaris betrokken was. Cusell heeft verklaard dat hij bij het passeren van de akte van levering altijd kijkt of partijen in staat zijn om hun wil te bepalen en dat hij tijdens voornoemde bijeenkomst op geen enkel moment heeft gedacht dat de betrokken partijen daartoe niet in staat waren. Op de vraag van de rechter-commissaris welke indruk de partijen op hem hebben gemaakt heeft Cusell geantwoord dat er geen enkele aanleiding was om te veronderstellen dat er iets tegen de regels der kunst zou zijn. Ten slotte heeft Cusell verklaard dat hij op geen enkel moment de indruk heeft gehad dat [benadeelde] niet ‘compos mentis’ was. De bijeenkomst was volgens Cusell een “hele normale sessie”.

Uit de informatie van psychiater Kho leidt de rechtbank af dat [benadeelde] wisselend wel en niet in staat was om zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen en dat hij kennelijk ook heldere momenten had. Uit de verklaring van Cusell leidt de rechtbank af dat deze tijdens een bijeenkomst van 45 minuten geen bijzonderheden heeft geconstateerd. Gelet hierop kan de rechtbank, hoewel [benadeelde] lijdende was aan een geestesstoornis en het dossier diverse aanwijzingen bevat dat hij in die tijd regelmatig ‘suffig en warrig’ was, niet vaststellen dat [benadeelde] ten gevolge van zijn geestelijke gesteldheid niet in staat is geweest om ten aanzien van de verkoop van zijn woning zijn wil te bepalen.

Derhalve ontbreekt het wettige bewijs dat verdachte op enige wijze misbruik van de geestelijke gesteldheid van [benadeelde] heeft gemaakt door de woning van [benadeelde] voor een bedrag € 180.000,00 aan te kopen.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) oplichting, zodat verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 primair, subsidiair en meer subsidiair

Verdachte wordt verder verweten dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, geldbedragen van [benadeelde] heeft gestolen door middel van valse sleutels (feit 2 primair) dan wel dat hij medeplichtig is geweest aan deze diefstal (feit 2 subsidiair) dan wel dat hij deze geldbedragen, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft verduisterd (feit 2 meer subsidiair).

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit het dossier blijkt dat vanaf de rekening van [benadeelde] op 22 februari 2011 twee overboekingen hebben plaatsgevonden naar de en/of-rekening van verdachte en [medeverdachte 4] , te weten een overboeking ter hoogte van € 14.000,00 onder vermelding van ‘notariskosten’ en een overboeking te hoogte van € 11.000,00 onder vermelding van ‘afbetaalde lening’.

Volgens de officier van justitie is sprake van een opzetje tussen [medeverdachte 1] en verdachte en is verdachte [medeverdachte 1] behulpzaam geweest bij de diefstal van voornoemde geldbedragen.

De uitleg die verdachte uiteindelijk over voornoemde overboekingen heeft gegeven, komt er allereerst op neer dat hij met [benadeelde] , in afwijking van wat er in de akte is vermeld, heeft afgesproken dat [benadeelde] de ‘kosten koper’ à € 14.000,00 in verband met de verkoop van diens woning voor zijn rekening zou nemen. Omtrent de overboeking van het bedrag van € 11.000,00 heeft verdachte verklaard dat hij een auto van [benadeelde] had gekocht, deze auto heeft laten opknappen en vervolgens voor een bedrag van € 11.00,00 heeft terug verkocht aan [benadeelde] omdat [benadeelde] spijt had gekregen van de verkoop.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte ten aanzien van de overboeking van € 11.000,00 in zoverre wordt ondersteund dat uit de ter terechtzitting behandelde stukken van de RDW naar voren komt dat verdachte sinds 15 februari 2011 de tenaamgestelde was van een Mercedes en dat deze auto op 18 februari 2011 op naam van [benadeelde] gesteld was.

Hoewel de rechtbank in het licht van het bovenstaande de omschrijving ‘afbetaalde lening’ bij de overboeking van € 11.000,00 opmerkelijk acht, het door [medeverdachte 4] in opdracht van verdachte opgestelde briefje met betrekking tot het bedrag van € 25.000,00 (onder meer inhoudende “kosten klok”) vragen oproept en verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de overboekingen, is zij, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de uiteindelijke verklaring van verdachte niet als onaannemelijk kan worden aangemerkt. Nu niet kan worden uitgesloten dat aan de overboekingen (mondelinge) afspraken met [benadeelde] ten grondslag lagen, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte en/of anderen zich de geldbedragen wederrechtelijk hebben toegeëigend. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de hem onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van feit 3

Ten slotte wordt verdachte bij dagvaarding onder 3 het verwijt gemaakt dat hij zich, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van eerder genoemde woning van [benadeelde] , althans de overwaarde van deze woning en/of van een geldbedrag van in totaal € 25.000,00 (bestaande uit geldbedragen van € 14.000,00 en € 11.000,00).

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat de voorwerpen die zouden zijn witgewassen - in dit geval (de overwaarde van) een woning en een geldbedrag van in totaal 25.000,00 -, onmiddellijk of middellijk van enig misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank overweegt dat feit 3 verband houdt met de feiten die verdachte onder 1 en 2 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste zijn gelegd. De rechtbank heeft overwogen waarom zij niet bewezen acht dat Stikkelorum bij de verkoop van zijn woning is opgelicht (feit 1) en dat de geldbedragen van € 14.000,00 en € 11.000,00 van Stikkelorum zijn gestolen of is verduisterd (feiten 2 primair, subsidiair en meer subsidiair). Dit leidt ertoe dat niet bewezen kan worden verklaard dat de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen van enig misdrijf afkomstig zijn.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen, zodat verdachte ook van dit feit zal worden vrijgesproken.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 191.167,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Nu door of namens verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Beslag

De raadvrouw heeft verzocht om het onder verdachte liggende beslag op te heffen. Nu het gaat om conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv kan de rechtbank - gelet op het bepaalde in artikel 574 Sv – hierover in het kader van deze strafzaak geen beslissing nemen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair, subsidiair en meer subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;

verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.Th. Boeter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2015.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.