Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8588

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
C-09-489595
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbod aan de Staat om tot feitelijke overlevering van eiser over te gaan op grond van art. 36 lid 1 Overleveringswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/489595 / KG ZA 15/764

Vonnis in kort geding van 4 juni 2015

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in [naam verblijfplaats],

eiser,

advocaat mr. A.J. Admiraal te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door gedaagde overgelegde producties;

- de op 3 juni 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 30 oktober 2014 heeft de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Noord-Holland, een doorzoeking ter inbeslagneming gedaan op het woonadres van eiser. Daarbij zijn diverse goederen in beslag genomen.

2.2.

Bij Europees Aanhoudingsbevel van 26 januari 2015 hebben de Italiaanse autoriteiten om de overlevering van eiser gevraagd.

2.3.

In een uitspraak van 26 mei 2015 heeft de rechtbank Amsterdam de overlevering van eiser aan Italië toegestaan. In die uitspraak staat onder meer vermeld:

“De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a OLW. De overlevering wordt immers verzocht voor feiten, waarvoor in Nederland een strafvervolging gaande is. De raadsman wijst hierbij op het Nederlandse onderzoek 12FRATELLI waarin de opgeëiste persoon als verdachte is aangehouden, verhoord en in verzekering is gesteld. (...)

Voorts wijst de raadsman op het Nederlandse onderzoek 10MINT waarin de opgeëiste persoon meerdere keren is aangehouden en verhoord als verdachte van deelname aan een criminele organisatie die zich bezig houdt met telen, voorhanden hebben, handel en vervoer van verdovende middelen. Ook in dit onderzoek is sprake van grensoverschrijdende handel in verdovende middelen.

(...)

De rechtbank overweegt als volgt. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van strafvervolging in Nederland moet worden bezien of er sprake is van een formele daad van het Openbaar Ministerie of de rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing te geraken (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 februari 2011, LJN: BP4384). De officier van justitie heeft meegedeeld dat er in Nederland geen vervolgingsbeslissing is genomen en er (dus) geen vervolging gaande is tegen de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten als waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde aanhouding, inverzekeringstelling, inbeslagname van goederen en telefoontaps, geen strafvervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, onder a, van de OLW opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is weliswaar sprake van opsporingshandelingen, doch niet van een daad van vervolging.”

2.4.

Eiser bevindt zich thans in detentie. Het Openbaar Ministerie is voornemens hem op 5 juni 2015 feitelijk over te leveren aan Italië.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden tot de feitelijke overlevering van eiser over te gaan, althans voor zolang er in Nederland vervolging gaande is voor andere strafbare feiten en zolang er door de Nederlandse rechter gewezen strafvonnissen geheel of ten dele voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. De feitelijke overlevering is in strijd met artikel 36 lid 1 van de Overleveringswet (OLW) omdat tegen eiser een strafvervolging gaande is. Volgens artikel 36 lid 1 OLW dient overlevering in dat geval uit te blijven. De strafvervolging vindt plaats in het kader van het onderzoek 10MINT. In die zaak is eiser meermaals aangehouden en in verzekering gesteld en meermaals verhoord als verdachte. Voorts heeft op 30 oktober 2014 een doorzoeking van de woning van eiser plaatsgevonden onder leiding van de rechter-commissaris.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen twisten over de vraag of de feitelijke overlevering van eiser aan Italië thans doorgang kan vinden. De rechtbank te Amsterdam is de door de wetgever exclusief aangewezen rechterlijke instantie voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van een Europees Aanhoudingsbevel. De Internationale Rechtshulpkamer van die rechtbank (IRK) heeft de overlevering van eiser aan Italië op 26 mei 2015 toegestaan. Eiser beroept zich thans evenwel op artikel 36 lid 1 OLW. Dat artikellid bepaalt dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden indien en zolang tegen de opgeëiste persoon strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is of een door de Nederlandse rechter tegen hem gewezen strafvonnis nog geheel of gedeeltelijk voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

4.2.

Eiser heeft terecht aangevoerd dat genoemd artikel betrekking heeft op de executiefase van de overlevering, zodat de IRK niet de bevoegdheid heeft op grond van dat artikel overlevering te weigeren. Artikel 36 OLW ziet op de feitelijke overlevering in de situatie dat de rechtbank de overlevering reeds heeft toegestaan, zo volgt uit de formulering van dat artikel, die immers luidt dat de beslissing omtrent de tijd en de plaats van de feitelijke overlevering wordt aangehouden in de daar genoemde gevallen. In zoverre is dan ook geen sprake van een verkapt appel tegen de uitspraak van de IRK.

4.3.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het in artikel 36 lid 1 OLW genoemde geval zich voordoet dat tegen hem een strafrechtelijke vervolging in Nederland gaande is. De Staat betwist dat. De Staat heeft daartoe op zichzelf terecht aangevoerd dat de IRK – in het kader van een verweer op grond van artikel 9 OLW – reeds heeft geoordeeld dat er geen vervolging gaande is tegen eiser. Hoewel normaliter door de voorzieningenrechter aansluiting zal worden gezocht bij dat standpunt, bestaat aanleiding om dat in deze zaak niet te doen. Daartoe is allereerst redengevend dat het arrest waarnaar het IRK verwijst voor de vaststelling van het toetsingskader of sprake is van vervolging (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 februari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP4384) is gecasseerd door de Hoge Raad bij arrest van 13 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU8744) en voorts dat het feit dat de woning van eiser onder leiding van de rechter-commissaris is doorzocht, niet is beoordeeld door het IRK.

4.4.

In voornoemd arrest van de Hoge Raad is geoordeeld dat (onder meer) een vordering van de Officier van Justitie aan de rechter-commissaris tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming een daad van vervolging is in de zin van artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht. De Staat heeft nog aangevoerd dat het vervolgingsbegrip van de Overleveringswet anders dient te worden ingevuld dan het vervolgingsbegrip van het commune strafrecht. Voor dat standpunt zijn noch in de wettekst, noch in de Memorie van Toelichting op die wettekst aanknopingspunten te vinden. Daarbij komt dat ook de IRK in de uitspraak van 26 mei 2015 het commune vervolgingsbegrip heeft getoetst, blijkens de verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Nu vaststaat dat de woning van eiser onder leiding van de rechter-commissaris is doorzocht, wordt dan ook geconcludeerd dat in Nederland strafrechtelijke vervolging tegen eiser gaande is.

4.5.

De Staat heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat artikel 36 OLW is geschreven met het oog op het Nederlandse strafvorderlijk belang en dat de officier van justitie heeft beoordeeld dat het Nederlandse strafvorderlijk belang niet eist dat eiser hier blijft en niet wordt overgeleverd. Dat standpunt miskent evenwel dat voor een belangenafweging in het kader van artikel 36 OLW geen plaats is. Artikel 36 lid 1 OLW schrijft verplicht uitstel voor van de feitelijke overlevering in de gevallen van samenloop met een Nederlandse strafvervolging of tenuitvoerlegging van een straf (Kamerstukken II, 2002-2003, 29 042, nr. 3, p. 27). Ook het verweer van de Staat dat artikel 36 lid 1 OLW slechts in samenhang met het tweede lid moet worden bezien, slaagt niet. Het tweede lid bevat immers een alternatief voor uitstel, namelijk het onmiddellijk overgaan tot feitelijke overlevering onder voorwaarden. Dergelijke voorwaarden zijn ten aanzien van eiser niet gesteld.

4.6.

Gelet op het voorgaande en nu de Staat voornemens is eiser op 5 juni 2015 feitelijk over te leveren, bestaat aanleiding de overlevering thans te verbieden. De vordering van eiser komt dan ook voor toewijzing in aanmerking op de wijze als hierna vermeld. De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt de Staat thans tot de feitelijke overlevering van eiser over te gaan;

5.2.

veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiser begroot op € 1.178,84, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 285,-- aan griffierecht en € 77,84 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2015.

hvd