Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8583

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 11636
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank leest in de uitspraak van 11 juni 2013 van de Afdeling niet dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de situaties waarin een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 is opgelegd of een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. De rechtbank acht zich bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de toegangsweigering.

Nu niet is gebleken dat eiseres over de vereiste middelen van bestaan kon beschikken heeft verweerder aan eiseres terecht de toegang geweigerd.

De rechtbank kan uit het besluit niet opmaken wat de afweging is geweest om in dit concrete geval gebruik te maken van de bevoegdheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De enkele opmerking dat gelet op de omstandigheid dat aan eiseres de toegang is geweigerd er aanleiding bestaat een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, is hiervoor onvoldoende. Ook de verwijzing naar het proces-verbaal is ontoereikend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 3
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/11636 (vrijheidsbeperkende maatregel)

en AWB 15/11638 (toegangsweigering)


V-nr: [V-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 juni 2015 in de zaken tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1999, van Salvadoraanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde mr. P.J. Schüller),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. H.R.D. Leene).

Procesverloop

Op 10 juni 2015 is eiseres op grond van artikel 13 in samenhang met artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 (Schengengrenscode) en artikel 3, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiseres is op dezelfde datum de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 toegepast.


Bij beroepschriften van 12 juni 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de toegangsweigering en het besluit tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel. Tevens heeft eiseres een verzoek tot toekenning van schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen behandeld ter openbare zitting van 23 juni 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door mr. E. van Kempen, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.


Overwegingen


De toegangsweigering

1.1

Bij brief van 23 juni 2015 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de toegangsweigering. Verweerder betoogt dat in het geval van eiseres geen sprake is van een vrijheidsontnemende maatregel, maar van een vrijheidsbeperkende maatregel, zodat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3600) niet van toepassing is.

1.2

In de uitspraak van 11 juni 2013 heeft de Afdeling geoordeeld dat indien beroep wordt ingesteld tegen een artikel 6-maatregel – ter voorkoming van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) – tegen de daaraan ten grondslag gelegde toegangsweigering rechtstreeks beroep open dient te staan bij de rechtbank. Artikel 77, eerste lid, van de Vw 2000 dient in dat geval buiten (verdere) toepassing te blijven. De rechtbank moet die beroepen, indien gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig ingesteld, gelijktijdig behandelen, ook indien de desbetreffende vreemdeling daar niet uitdrukkelijk om heeft verzocht.

1.3

Anders dan verweerder bepleit leest de rechtbank in de uitspraak van 11 juni 2013 niet dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de situaties waarin een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 is opgelegd of een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ter voorkoming van strijd met artikel 6 van het Handvest, rechtstreeks beroep openstaat tegen de aan de maatregel ten grondslag gelegde toegangsweigering in het geval gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig beroep is ingesteld tegen de vrijheidsbeperkende maatregel. Hieruit volgt dat de rechtbank zich bevoegd acht om kennis te nemen van het beroep tegen de toegangsweigering.

2.1

Verweerder heeft blijkens het model M17 eiseres de toegang tot het Schengengebied geweigerd, omdat zij:

- niet in het bezit was van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;

- niet in het bezit was van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf bleek;

- niet in het bezit was van toereikende bestaansmiddelen voor de duur en de vorm van het verblijf, of voor de terugkeer naar het land van herkomst of doorreis.

2.2

Namens eiseres is – onder meer – betoogd dat zij een vakantie wilde doorbrengen bij haar moeder in Italië, dat zij niet visumplichtig is en dat zij beschikte over een retourticket voor de reis naar huis en dat daarom geen reden is om te twijfelen over het doel van het voorgenomen verblijf. Ook beschikte eiseres over voldoende middelen van bestaan.

2.3

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2015 blijkt dat eiseres beschikte over bestaansmiddelen tot een bedrag van (omgerekend) € 495,--.

2.4

Op grond van artikel 5, derde lid, van de Schengengrenscode, wordt bij de beoordeling van de bestaansmiddelen rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor kost en inwoning in de betrokken lidstaat of lidstaten, bepaald op basis van een goedkoop verblijf, vermenigvuldigd met het aantal verblijfsdagen. De door elk van de lidstaten vastgestelde richtbedragen worden meegedeeld aan de commissie, overeenkomstig artikel 34. De aanwezigheid van voldoende bestaansmiddelen kan worden beoordeeld aan de hand van contant geld, reischeques en creditcards die de onderdaan van een derde land in bezit heeft.

2.5

Op grond van de Richtbedragen voor het overschrijden van de buitengrenzen bedoeld in artikel 5, lid 3, van de Schengengrenscode, wordt in Nederland bij de controle ten aanzien van het vereiste te beschikken over voldoende middelen van bestaan, als uitgangspunt thans een bedrag van € 34,- per persoon, per dag gehanteerd. Gelet op het voorgenomen vertrek van eiseres op 5 juli 2015 geldt ten aanzien van het overschrijden van de buitengrenzen voor Italië voor een verblijf van meer dan 20 dagen een norm van een vast bedrag van € 206,58 en een dagelijks bedrag van € 27,89. Eiseres diende dan ook in ieder geval te beschikken over middelen van bestaan ter hoogte van € 816,-- voor verblijf in Nederland, dan wel € 875,94 voor verblijf in Italië. Nu niet is gebleken dat eiseres over de vereiste middelen van bestaan kon beschikken heeft verweerder aan eiseres terecht de toegang geweigerd. Hetgeen overigens nog is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

3.
De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.


De vrijheidsbeperkende maatregel

4. Verweerder is op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

5.1

In paragraaf A5/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 –voor zover hier van belang– is bepaald dat een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel is indien deze nodig is voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling. Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling voor het vertrekproces. Daarbij moeten de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voortdurend in acht genomen worden.

5.2

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd het geheel van omstandigheden dient te betrekken en daarbij een kenbare belangenafweging dient te verrichten. De rechtbank kan echter uit het besluit niet opmaken wat de afweging is geweest om in dit concrete geval gebruik te maken van de bevoegdheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De enkele opmerking dat gelet op de omstandigheid dat aan eiseres de toegang is geweigerd er aanleiding bestaat een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, is hiervoor onvoldoende. Ook de verwijzing naar het proces-verbaal is ontoereikend. Afgezien van de vraag of kan worden verwezen naar een proces-verbaal, staat ook hierin geen (afdoende) belangenafweging vermeld.

6. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel met ingang van

10 juni 2015 onrechtmatig is. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel.

7. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiseres ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 40,-- ten onrechte aan de vrijheidsbeperkende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 560,--. De rechtbank oordeelt dat in de gegeven omstandigheden een bedrag van € 40,-- per dag redelijk is, neerkomend op de helft van het bedrag van € 80,- dat normaliter bij een onrechtmatige detentie in het AC wordt toegekend.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de toegangsweigering ongegrond;

- verklaart het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel gegrond;

- beveelt dat verweerder de vrijheidsbeperkende maatregel onmiddellijk opheft;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 560,-- (zegge: vijfhonderd en zestig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderd en tachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 24 juni 2015 door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvK

Coll:

D: B

VK

Tegen de uitspraak op het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het beroep tegen de toegangsweigering kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.