Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8579

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/10159
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië – alleenreizende vrouw – Al Shabaab aanwezig in herkomstgebied, maar herkomstgebied niet onder volledige controle Al-Shabaab – individuele omstandigheden aannemelijkheid geconfronteerd worden met Al-Shabaab

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist zij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. Daarbij acht de rechtbank - onder verwijzing naar de geciteerde passage uit het Lifos-rapport van 20 januari 2014 - van belang dat eiseres zal terugkeren naar een plaats in een gebied waar Al-Shabaab wel degelijk aanwezig is, waarbij de rechtbank de duur en mate van deze aanwezigheid in het midden laat. Eiseres is een alleenreizende vrouw die behoort tot een minderheidsclan en haar gedrag en houding zullen zijn veranderd door haar verblijf in het Westen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden niet in het oog zal springen van Al-Shabaab als zij terugkeert naar haar herkomstgebied en daarmee met Al-Shabaab zal worden geconfronteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/10159

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1948, van Somalische nationaliteit, eiseres

(gemachtigde mr. M. Terpstra),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. B. Beers).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 23 april 2014 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen en aan eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Op 25 april 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. L. Mol. Ook was ter zitting aanwezig H. Salad Mohamed, tolk in de Somalische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 5 december 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4373). Partijen hebben meermalen op elkaar gereageerd, laatstelijk op 13 mei 2015.

Op 8 juni 2015 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde, mr. B. Beers. Ook was ter zitting aanwezig Y. Mahamoud, tolk in de Somalische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft op 2 april 2012 een eerdere asielvraag ingediend, welke bij besluit van 12 april 2012 is afgewezen. Bij uitspraak van 7 mei 2012 (AWB 12/12295 en 12/12294) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, het beroep van eiseres tegen het eerdere besluit van 12 april 2012 ongegrond verklaard. Het door eiseres ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 7 mei 2012 is door de Afdeling bij uitspraak van 4 maart 2013 (201204854/1/V2) kennelijk ongegrond verklaard.

2. Op 23 april 2014 heeft eiseres onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiseres heeft, samengevat, het volgende relaas aan die aanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres is een alleenstaande vrouw op leeftijd en afkomstig uit Al-Shabaab-gebied. Voorts behoort zij tot een minderheidsstam en is zij in Nederland veelvuldig in het nieuws geweest. Hierdoor vreest zij bij terugkeer herkend te worden als iemand die in het westen asiel heeft aangevraagd, in een kerk opvang heeft gekregen en zich on-Islamitisch heeft gedragen. Zij vreest bij terugkeer naar Somalië door Al-Shabaab als spion of verrader aangemerkt te worden en vervolgens een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Verweerder heeft de aanvraag onder verwijzing naar de eerdere beschikking van
12 april 2012 op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

4.1

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren.

4.2

Uit de jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC7124), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

4.3

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

5.1

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiseres aan haar herhaalde aanvraag nova ten grondslag heeft gelegd die kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 12 april 2012.

5.2

Eiseres heeft zich bij de onderhavige aanvraag beroepen op de algemene ambtsberichten inzake Somalië van december 2013 en december 2014 van het ministerie van Buitenlandse Zaken, alsmede het landgebonden asielbeleid voor Somalië, zoals opgenomen in verweerders Besluit van 27 februari 2014, nummer WBV 2014/6 en het Besluit van
11 mei 2015, nummer WBV 2015/7, beiden houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank is van oordeel dat genoemde algemene ambtsberichten en de daarop gebaseerde beleidswijzigingen als nova dienen te worden aangemerkt. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve inhoudelijk toetsen.

6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres een tot een minderheidsclan behorende vrouw is. Evenmin is in geschil dat zij afkomstig is uit [plaats], een dorp in Zuid-Somalië en dat het herkomstgebied van eiseres niet onder volledige controle van Al-Shabaab staat. Ter zitting heeft verweerder zich niet langer op het standpunt gesteld dat het gebied enkel onder controle van het regeringsleger staat. Niet in geschil is dat in het herkomstgebied van eiseres zowel Al-Shabaab als het regeringsleger aanwezig is, maar partijen verschillen wel van mening over de duur en de mate van die aanwezigheid.

7. In paragraaf 23.3.2 van het hiervoor genoemde WBV 2015/7 WBV 2015/7 is het volgende opgenomen:

“De IND heeft met betrekking tot Somalië uitsluitend de volgende risicogroepen aangewezen:

• Overheidsfunctionarissen;

• Leden van het gerechtelijk apparaat;

• Leden van AMISOM;

• Personen werkzaam voor internationale organisaties of internationale delegaties;

• Personen die er door Al-Shabaab van worden verdacht te spioneren voor de overheid;

• Journalisten.

Vreemdelingen die behoren tot een risicogroep kunnen, behoudens contra-indicaties op basis van geringe indicaties in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a. Dit beleid geldt voor geheel Zuid- en Centraal Somalië, inclusief Mogadishu.

Een vreemdeling die zich erop beroept dat hij er door Al-Shabaab van wordt verdacht te spioneren voor de overheid en afkomstig is uit gebieden die niet onder controle staan van Al-Shabaab (inclusief Mogadishu), zal aannemelijk moeten maken dat juist hij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. De enkele terugkeer uit het Westen is daartoe onvoldoende.”

8. Gelet op de laatste alinea van paragraaf 23.3.2 van WBV 2015/7 dient de rechtbank allereerst te beoordelen of eiseres uit een gebied komt dat niet onder controle staat van Al-Shabaab. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat onduidelijk is wat in het beleid wordt bedoeld met ‘onder controle staan van’. In haar ogen zou ook ‘niet onder volledige controle’ daar onder vallen. De rechtbank begrijpt WBV 2015/7 echter zo dat paragraaf 23.3.2 van toepassing is op geheel Zuid- en Centraal Somalië en dat de laatste alinea van paragraaf 23.3.2 ziet op gebieden die niet onder controle van Al-Shabaab staan en op gebieden die niet onder volledige controle van Al-Shabaab staan, maar waarin Al-Shabaab wel aanwezig is. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het herkomstgebied van eiseres niet onder volledige controle van Al-Shabaab staat, dient eiseres aannemelijk te maken dat juist zij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab.

9. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De door eiseres aangevoerde omstandigheden hebben vanaf de eerste asielaanvraag een rol gespeeld. Ook onder het nieuwe beleid is de maatstaf nog steeds dat eiseres aannemelijk dient te maken dat zij het risico loopt in aanraking te komen met Al-Shabaab. De stelling van eiseres dat er niemand van haar clan meer aanwezig is in het herkomstgebied is niet onderbouwd. Voorts wijst verweerder er op dat in de eerdere asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een alleenstaande vrouw is. Dat eiseres alleen zal reizen is onvoldoende om te onderbouwen dat zij door Al-Shabaab zal worden aangemerkt als spion. Voorts heeft eiseres de stelling dat Al-Shabaab ook in gebieden die niet onder controle staan van Al-Shabaab contacten legt met de diaspora om mensen te controleren onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat juist zij in aanraking zal komen met Al-Shabaab, aldus verweerder.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

10.1

Uit het door eiseres aangehaalde Zweedse rapport “Säkerhetssituationen i södra och centrala Somalia” van Lifos van 20 januari 2014 acht de rechtbank de volgende passages van belang:

“Most parts of the areas in South and Central Somalia outside the bigger cities are controlled by Al Shabaab. It is in principle only larger cities that are held by the SFG and their allies. However, Al Shabaab does not have control in all parts outside the larger cities. They are more paranoid and act more repressively towards the locals in those areas where they do not have full control as AMISOM or militias allied to the SFG sometimes enter the areas. Al Shabaab reacts to this by arresting and killing more people. Locals in these areas have to adjust to Al Shabaab most of the time but also to others, eg. AMISOM, when they enter the area. The locals in these areas have a balance act so as not to arouse suspicion from any side.” (pagina 6-7)

“Women do not travel alone, unless it is a very old woman.” (pagina 8)

10.2

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de onder 9 weergegeven motivering onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist zij zal worden geconfronteerd met Al-Shabaab. Daarbij acht de rechtbank - onder verwijzing naar de onder 10.1 geciteerde passage uit het Lifos-rapport - van belang dat eiseres zal terugkeren naar een plaats in een gebied waar Al-Shabaab wel degelijk aanwezig is, waarbij de rechtbank de duur en mate van deze aanwezigheid in het midden laat. Eiseres is een alleenreizende vrouw die behoort tot een minderheidsclan en haar gedrag en houding zullen zijn veranderd door haar verblijf in het Westen, hetgeen door verweerder niet is betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden niet in het oog zal springen van Al-Shabaab als zij terugkeert naar haar herkomstgebied en daarmee met Al-Shabaab zal worden geconfronteerd.

11. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.


Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,-- (zegge: negenhonderdtachtig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

Coll.: LV

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.