Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8578

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4256
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen planschadevergoeding. Rechtbank volgt deskundigenadvies StAB. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:47, geldigheid: 2015-08-03
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19, geldigheid: 2015-08-03
Wet op de Ruimtelijke Ordening 6.1, geldigheid: 2015-08-03
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2015-08-03
Wet op de Ruimtelijke Ordening 3.10, geldigheid: 2015-08-03
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.5, geldigheid: 2015-08-03
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/4256

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juli 2015 in de zaak tussen

[eisers] , te [plaats 1] , eisers

(gemachtigde: mr. C. Lubben),

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats 3] , verweerder

(gemachtigden: [gemachtigden] ).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [belanghebbende 1] , gevestigd te [plaats 3] , en [belanghebbende 2], gevestigd te [plaats 2]

(gemachtigde: mr. P.G.A. van der Sanden).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eisers daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De derde-partijen hebben hun zienswijzen op het beroep gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partijen is hun gemachtigde verschenen.

Vervolgens is de rechtbank na heropening van het vooronderzoek overgegaan tot benoeming van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de StAB) als deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De StAB heeft op 13 februari 2015 schriftelijk verslag van haar onderzoek uitgebracht. Partijen hebben schriftelijk gereageerd op het rapport van de StAB.

Hierna is, nadat partijen daarvoor schriftelijke toestemming hebben gegeven, het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers bezitten een koopwoning aan de [adres 1] te [plaats 3] . Deze woning is in 2013 door eisers te koop gezet.

1.2

Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2007 heeft verweerder [belanghebbende 2] op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) een vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van een schoolgebouw ten behoeve van de vestiging van een Regionaal Instituut Beschermd wonen (sociaal pension) op het adres [adres 2] te [plaats 3] . Dat sociaal pension dient als woonvoorziening voor maximaal 30 personen met meervoudige psychosociale problemen, die niet meer behandelbaar zijn en niet of nauwelijks in staat zijn zelfstandig te wonen. In het sociaal pension worden onder meer dak- en thuislozen met een psychiatrische stoornis en personen met een verslavings- en/of detentieverleden opgevangen.

1.3

Ten tijde van voornoemde besluiten gold ter plaatse het bestemmingsplan “ [naam] ” (het bestemmingsplan). Op de betreffende gronden rustte de bestemming “Openbare en bijzondere doeleinden”. Op grond van artikel 13 van de destijds van toepassing zijnde planvoorschriften waren de gronden met de bestemming “Openbare en bijzondere doeleinden” bestemd voor gebouwen ten behoeve van sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke, medische en paramedische doeleinden, alsmede voor overheidsbedrijven en een internaat, de daarbij behorende dienstwoningen, bijgebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde - en onbebouwde gronden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van

15 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO07357) geoordeeld dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand kunnen blijven.

2. 2. Aan het primaire besluit heeft verweerder een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van augustus 2013 (het SAOZ-advies) ten grondslag gelegd. In het SAOZ-advies wordt geadviseerd het verzoek van eisers om planschadevergoeding af te wijzen. De SAOZ heeft in haar advies geconcludeerd dat de planologische maatregel voor eisers niet heeft geleid tot een nadeliger positie, zodat eisers geen aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in de planschade. Ter onderbouwing van die conclusie is in het SAOZ-advies uiteengezet dat in het bestemmingsplan de gronden waren aangewezen voor sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke, medische en paramedische doeleinden, alsmede voor overheidsbedrijven en een internaat, en de daarbij behorende dienstwoningen. Gelet hierop kon de locatie aan de [adres 2] op basis van voornoemd bestemmingsplan reeds worden aangewend voor bepaalde vormen van dag- en nachtverblijf. Er was dan ook al sprake van een gebruik met een etmaalintensiteit. In planologisch opzicht is daarom volgens de SAOZ geen sprake van een verdere intensivering van het gebruik van de locatie.

3. 3. Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaarschriftencommissie [plaats 3] en het SAOZ-advies, - samengevat - op het standpunt dat het verzoek om een tegemoetkoming in de planschade op goede gronden is afgewezen. Het SAOZ-advies is volgens verweerder zorgvuldig tot stand gekomen en eisers hebben daar geen deskundigenadvies tegenover gesteld, zodat verweerder het SAOZ-advies redelijkerwijs aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen. Nu de SAOZ heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een planologische verslechtering, is er geen aanleiding voor het toekennen van planschade. De door eisers aangevoerde omstandigheden van veiligheid kunnen niet worden meegewogen, omdat slechts rekening mag worden gehouden met binnen de wettelijke voorschriften passende gedragingen van de bewoners van het sociaal pension, aldus verweerder.

4. Eisers voeren - samengevat - aan dat hun verzoek om planschadevergoeding ten onrechte is afgewezen. Volgens eisers is er wel sprake van een planologische verslechtering. Door de komst van het sociaal pension is de woning van eisers in waarde gedaald en staat deze al een aantal jaren te koop. Ook is de WOZ-waarde als gevolg van de komst van het sociaal pension naar beneden bijgesteld. Omdat zowel het gebruik als het gebouw veranderd zijn, is er sprake van planschade die is toe te rekenen aan een planologische wijziging. Ook zijn de ruimtelijke gevolgen van het vrijstellingsbesluit van belang, waarbij uitgegaan dient te worden van het gebruik van het gebouw voor de doelgroep waarop die vrijstelling betrekking heeft. De ruimtelijke uitstraling kan immers niet worden vergeleken met die van één van de op grond van het bestemmingsplan wel toegelaten instellingen. Er is zelfs sprake van een veiligheidseffectrapportage, aldus eisers. Een redelijk denkend en handelend koper zal door de komst van het sociaal pension minder betalen voor de woning. Ook dit levert een planologisch nadeel op waarmee verweerder rekening moet houden, aldus eisers.

5.1

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Het tweede lid, onder c, van dit artikel noemt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als mogelijke schadeoorzaak.

5.2

In dit geval is een tegemoetkoming gevraagd ter zake van schade als gevolg van het besluit tot het verlenen van een vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. In artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro is geregeld dat een dergelijke vrijstelling wordt gelijkgesteld met een projectvrijstelling als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro. Deze projectvrijstelling is in artikel 1.5, eerste lid, van de Invoeringswet Wabo op zijn beurt weer gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

5.3

Nu voorts de aanvraag is ingediend na 1 juli 2008 en betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van na 1 september 2005, is op de beoordeling van de aanvraag artikel 6.1 van de Wro van toepassing.

6. De rechtbank heeft aanleiding gezien de StAB tot deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Zoals in de heropeningsbeslissing van 17 november 2014 is overwogen, twijfelde de rechtbank aan de juistheid van het SAOZ-advies, in die zin dat de rechtbank zich afvroeg of een sociaal pension, gezien de aard en de doelgroep daarvan, op één lijn te stellen is met de door de SAOZ aangehaalde voorbeelden als genoemd in artikel 13 van de planvoorschriften.

7. De StAB heeft de vraag van de rechtbank beantwoord in het rapport van

13 februari 2015. Volgens de StAB is het standpunt van de SAOZ over de ongewijzigde gebruiksintensiteit juist. Tijdens een door de StAB gearrangeerd gesprek met eisers is het de deskundige duidelijk geworden dat eisers vooral bezwaren hebben tegen de overlast die veroorzaakt wordt door de bewoners van het sociaal pension. De StAB heeft een vergelijking gemaakt met de op grond van het bestemmingsplan mogelijke vestiging van een internaat en een psychiatrisch ziekenhuis. Volgens de StAB kan ook de doelgroep van een internaat sociaal onwenselijk gedrag vertonen bestaande uit bijvoorbeeld schreeuwen, schelden en vechten dan wel rondhangen in de buurt en het nabijgelegen park. Ook acht de StAB het niet onaannemelijk dat de doelgroep van een psychiatrisch ziekenhuis zich in de buurt ophoudt en ongewenst gedrag vertoont. De StAB concludeert dat de uitstraling van deze mogelijke doelgroepen op basis van het bestemmingsplan grotendeels overeenkomt met de doelgroep van het sociaal pension. Voorts concludeert de StAB dat op basis van het bestemmingsplan gebruik mogelijk was dat bewoning van doelgroepen meebracht die, voor zover dat gedrag binnen het wettelijk kader valt, vergelijkbaar is met de bewoning van de doelgroep die met het vrijstellingsbesluit mogelijk is gemaakt, zodat geen sprake is van een toename van de gebruiksintensiteit.

8.1

Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van

28 juni 1999, ECLI:RVS:1999:AA3619) mag de bestuursrechter in beginsel afgaan op het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige. Dat is slechts anders indien het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

8.2

Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de StAB is te beschouwen als een deskundige op het gebied van planschade en dat de rechtbank dan ook in beginsel op het uitgebrachte advies mag afgaan. Dat is slechts anders indien het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

9. De rechtbank is van oordeel dat het door de StAB verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is. Voorts zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door de StAB uitgebrachte rapport onjuistheden bevat dan wel dat de conclusies van deze door de rechtbank ingeschakelde deskundige inhoudelijk niet concludent zouden zijn. Gelet hierop zal de rechtbank het oordeel van de StAB volgen.

10. Nu ook de StAB tot de conclusie komt dat geen sprake is van verslechterde ruimtelijke gevolgen, zoals hiervoor in overweging 7 is uiteengezet, en dus geen planologische verslechtering is opgetreden door het vrijstellingsbesluit, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het verzoek om planschadevergoeding terecht heeft afgewezen.

11. Aangezien geen sprake is van planologisch nadeel komt de rechtbank niet toe aan wat eisers hebben gesteld over de verkoop- en WOZ-waarde van hun woning.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, voorzitter, mr. H.P.M. Meskers, rechter, en mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.