Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
09-113642-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/196

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 09/113642-14

Datum uitspraak: 20 juli 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres] .

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 6 juli 2015.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te Den Haag, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J. Schoonderwoerd den Bezemer-Wolters heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair 14 dagen hechtenis.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 februari 2014 te Delft (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een pistool en/of een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft allereerst aangevoerd, dat het enkele gebruik van de term ‘pistool’ in de tenlastelegging onvoldoende specifiek is zodat wat dit betreft niet is voldaan aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Naar zijn mening is de dagvaarding partieel nietig.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat tegen de achtergrond van het dossier volstrekt helder is om welk wapen het hier gaat.

De politierechter stelt vast dat blijkens het betreffende proces-verbaal van bevindingen in de woning van verdachte op 11 februari 2014 een compleet arsenaal aan wapens is aangetroffen, waarvan de meeste door hem zelf gemaakt. Uit de opsomming daarvan blijkt dat er onder andere diverse staven, een bijl en een kruisboog zijn aangetroffen. Er was maar één voorwerp bij dat met de term ‘pistool’ kan worden aangeduid en dat is wat verdachte aanduidt als het ‘klapperpistooltje’. Het was hem dus duidelijk wat hem voor verwijt werd gemaakt en waartegen hij zich diende te verdedigen. Daarmee is aan de voorwaarden van artikel 261 voornoemd voldaan. De politierechter verwerpt het verweer.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De verdenking komt erop neer dat verdachte op 11 februari 2014 in zijn woning in Delft wapens van categorie I onder ten zevende van de Wet wapens en munitie, namelijk een (nep)pistool en een ingekort luchtdrukgeweer, voorhanden heeft gehad.

Op genoemde datum is bij verdachte thuis een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen, dat aan de lamp in de hal hing. In de slaapkamer werd een luchtdrukgeweer gevonden, waarvan de loop was afgezaagd.1 In elk vertrek, met name achter de deuren, zijn een of meer wapens gevonden. Verdachte heeft hierover aanvankelijk verklaard dat hij die wapens had om te dreigen. Later kwam hij hier van terug. Over de ten laste gelegde voorwerpen heeft hij gezegd dat het ging om een klapperpistooltje en een luchtbuks waarvan de loop was afgezaagd.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.


Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is gewijzigd in het kader van de omzetting van de zogeheten Speelgoedrichtlijn. Het voorhanden hebben van voorwerpen die bedoeld zijn als speelgoed voor kinderen jonger dan 14 jaar en als replica’s is niet strafbaar meer. De rapporten betreffende de wapens zijn nog toegesneden op de oude criteria, maar ‘voor bedreiging of afdreiging geschikt’ is niet meer de juiste toets.

Op de opmerking van de officier van justitie dat de Speelgoedrichtlijn ten tijde hier in geding nog niet in werking was getreden heeft de raadsman geantwoord dat naar zijn mening de meest gunstige bepaling heeft te gelden.

Met betrekking tot het luchtdrukpistool heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging is toegesneden op een wapen dat is vermeld op de bij de Regeling wapens en munitie behorende lijst a of b van bijlage I. Daarop komt het merk Telly niet voor. Hij is van mening dat vrijspraak dient te volgen.

Oordeel politierechter

De politierechter overweegt het volgende.

Het pistool en het luchtdrukgeweer zijn in februari 2014 onderzocht door een ‘materiedeskundige wapens en explosieven’ bij het team Forensische Opsporing.

Ten aanzien van het ‘klapperpistooltje’ concludeerde deze deskundige het volgende.3

‘Het wapen is een voorwerp dat voorkomt op lijst A van Bijlage I van de Regeling wapens en munitie, zijnde een speelgoedpistool van het merk 7888 en type 8-shots. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder b van de Regeling wapens en munitie en Bijlage I van deze regeling. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 in verband met artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.’

Ten aanzien van het luchtdrukgeweer overwoog de materiedeskundige als volgt.4

(Het wapen betreft een) ‘Ingekort luchtdrukgeweer, kaliber 4,5 mm, merk Telly.
De loop van het wapen is ingekort (afgezaagd). Het wapen is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het wapen berust op een natuurkundig proces. Normaliter betreft dit een wapen, vallende onder de categorie 4 onder 4. Het voorhanden hebben van het originele wapen is vrijgesteld voor personen die 18 jaar of ouder zijn. Echter de loop van bovengenoemd wapen is ingekort waardoor het originele luchtdrukwapen dusdanig is gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder c van de Regeling wapens en munitie.
Het voorhanden hebben is strafbaar gesteld in artikel 13 lid 1 in verband met artikel 55 lid l van de Wet wapens en munitie.’

Met betrekking tot het beroep op de Speelgoedrichtlijn (Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed; hierna: Speelgoedrichtlijn) overweegt de politierechter als volgt.

De politierechter constateert dat de omzettingstermijn van de Speelgoedrichtlijn, gericht tot de lidstaten, op 20 januari 2011 is verstreken (artikel 54 Speelgoedrichtlijn). Vanaf 20 juli 2011 is het, onder omstandigheden, mogelijk voor particulieren om jegens de overheid een beroep te doen op rechtstreeks werkende bepalingen uit de Speelgoedrichtlijn en daaraan rechten te ontlenen. Daarvoor is wel vereist dat deze bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zodat zij zich voor rechtstreekse werking lenen. Ook is daarvoor vereist dat de Speelgoedrichtlijn niet tijdig, onvolledig of onjuist is omgezet in het nationale recht.

De politierechter stelt vast dat de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm) in het kader van de omzetting van de Speelgoedrichtlijn pas is aangepast per 2 juli 2014. Ten tijde hier in het geding, 11 februari 2014, was de omzettingstermijn van de Speelgoedrichtlijn verstreken en deze richtlijn niet tijdig en ten minste onvolledig omgezet, zodat de richtlijnbepalingen onder omstandigheden rechtstreeks voor de rechter kunnen worden ingeroepen.

De politierechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het pistool, door de deskundige immers aangeduid als een speelgoedpistool, beschouwd moet worden als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn. De Speelgoedrichtlijn is blijkens artikel 2, eerste lid, van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan veertien jaar bij het spelen te worden gebruikt. Deze producten worden aangemerkt als ‘speelgoed’ in de zin van de Speelgoedrichtlijn. Op grond van artikel 12 van de Speelgoedrichtlijn mogen lidstaten op hun grondgebied het op de markt aanbieden van speelgoed dat aan deze richtlijn voldoet, niet belemmeren. De twee voornoemde bepalingen van de Speelgoedrichtlijn zijn naar oordeel van de politierechter onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zodat aan deze bepalingen in beginsel rechtstreekse werking toekomt.

Of het betreffende speelgoedpistool is ontworpen of bestemd als speelgoed om door kinderen jonger dan veertien jaar te worden gebruikt, is de politierechter niet bekend en uit het uiterlijk ervan valt dit ook niet af te leiden. In bijlage I van de Speelgoedrichtlijn is van onder meer imitatievuurwapens bepaald dat zij niet onder de Speelgoedrichtlijn vallen. Aangezien de deskundige niet heeft vastgesteld dat het pistool een imitatievuurwapen is en wel dat het om een speelgoedpistool gaat, zal de politierechter ervan uitgaan dat dit voorwerp als speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn moet worden aangemerkt.

Artikel 2, eerste lid van de WWM definieert als een wapen van categorie I sub 7: ‘andere door onze Minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.’

Artikel 3 van de Rwm luidde – voor zover relevant – ten tijde hier in geding als volgt.

‘Als voorwerpen van categorie I, onder 7°, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:

o a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen;

o b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen;

o c. lucht-, gas- en veerdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is.’

Op 2 juli 2014 is aan de onderdelen a en b de zinsnede toegevoegd: ‘met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.’ Hierdoor is de Rwm alsnog in overeenstemming gebracht met onder meer artikel 12 van de Speelgoedrichtlijn.

Daaruit moet naar oordeel van de politierechter worden afgeleid dat het speelgoedpistool, dat is vermeld op lijst a van bijlage I Rwm, ten tijde hier in geding op grond van de Speelgoedrichtlijn in principe niet viel onder de voorwerpen als bedoeld in categorie I onder ten zevende van de WWM. De rechtstreeks werkende bepalingen van de Speelgoedrichtlijn gaan voor de Rwm.

Sinds 2 juli 2014 is op een dergelijk speelgoedvoorwerp in principe de in artikel 3, aanhef en onder b Rwm vermelde uitzondering van toepassing.

De politierechter wijst evenwel nog op de volgende uitzondering.

Op vragen van het kamerlid Marcouch (PvdA) aan de Minister van Veiligheid en Justitie over nepwapens (ingezonden 25 februari 2015, 2015Z03276) heeft laatstgenoemde op 16 maart 2015 als volgt geantwoord.

‘Het verkopen van speelgoed in de zin van de Speelgoedrichtlijn dat op een wapen lijkt of kan lijken, is niet verboden op grond van de WWM. Deze verkoop kan sinds de wijziging van vorig jaar van de regelgeving al plaatsvinden, of anders in de nabije toekomst realiteit worden.

Ook het dragen van dergelijk speelgoed is toegestaan, tenzij sprake is van een voorwerp dat als een wapen wordt aangemerkt, omdat gelet op de aard of omstandigheden waaronder het voorwerp wordt aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. In dat geval is sprake van een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid onder categorie IV sub 7 WWM. Het dragen van een dergelijk wapen is verboden op grond van artikel 27 lid 1 WWM en strafbaar gesteld in artikel 54 WWM.’

De politierechter is van oordeel dat het speelgoedpistool, dat in de hal aan de lamp hing en onderdeel was van een collectie wapens van uiteenlopende aard die in elke kamer van de woning van verdachte waren opgesteld, overduidelijk bedoeld was om op enig moment mee te dreigen. Verdachte is kennelijk bang voor bepaald bezoek. Hij heeft het speelgoedpistool echter niet bij zich gedragen (wat overigens ook niet aan hem ten laste is gelegd) maar alleen maar in zijn woning voorhanden gehad. Het enkele voorhanden hebben van een wapen van categorie IV is niet strafbaar, zodat op dit onderdeel vrijspraak moet volgen.

Met betrekking tot het luchtdrukgeweer overweegt de politierechter als volgt.

Het bezit van een luchtdrukgeweer is op zichzelf niet strafbaar, behalve bij door de Minister aangewezen exemplaren die zo lijken op een vuurwapen dat ze voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn. Uit artikel 2, lid 1, categorie IV onder ten vierde juncto categorie I ten zevende van de WWM in samenhang met artikel 3, aanhef en onder ten derde van de Rwm blijkt, dat het gaat om luchtdrukwapens die zodanig zijn gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is. In casu is de loop van het geweer afgezaagd en de deskundige heeft vastgesteld dat zich de in artikel 3, aanhef en onder ten derde Rwm bedoelde situatie voordoet.

Artikel 3, aanhef en onder ten tweede Rwm betreft uitsluitend wapens die op de lijsten a en b van bijlage I worden genoemd. Uit het enkele feit dat luchtdrukwapens onder ten derde apart worden vermeld, volgt al dat zij niet op die bijlage vermeld zullen zijn. Omdat zij op die lijsten dus niet thuishoren, kan de verwijzing naar bijlage I in de tenlastelegging niet op het luchtdrukwapen slaan en aan de strafbaarheid van het voorhanden hebben daarvan niets toe- of afdoen. Deze zinsnede is volgens de politierechter opgenomen in verband met het pistool, dat wel op lijst a van de bijlage wordt vermeld.

De politierechter stelt gezien het vorenstaande vast, dat het bezit van het ingekorte luchtdrukgeweer strafbaar is.

De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 11 februari 2014 te Delft een wapen van categorie I onder 7°, te weten een ingekort luchtdrukgeweer (merk Telly, kaliber 4,5 mm), voorhanden heeft gehad.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De politierechter neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte had een luchtdrukgeweer in huis dat geschikt was om iemand mee te bedreigen. Mede omdat zijn hele woning van wapens was voorzien, vindt de politierechter dit zorgelijk.

De politierechter heeft meegewogen dat verdachte weliswaar een strafblad heeft, maar dat de feiten daarop veelal oud zijn. Het is verdachte kennelijk gelukt op een gegeven moment een andere weg in te slaan. Dit ondanks het feit dat hij verslaafd is aan heroïne, cocaïne en methadon.

Alles overziende is een geldboete, die door de officier van justitie ook is gevorderd, een passende sanctie.

Bij de vaststelling van de vermogensstraf heeft de politierechter rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. In verband daarmee en omdat de politierechter minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal zij het door de officier gevorderde bedrag matigen en zij zal een gedeelte voorwaardelijk opleggen om verdachte te ontmoedigen nieuwe verboden wapens te verwerven.

De toepasselijke wetsartikelen

De politierechter heeft gelet op de volgende artikelen:

- 23, 24, 24 a, 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De beslissing

De politierechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 300;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van zes dagen;

bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in zes opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 50 elk;

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 150, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van drie dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank van 20 juli 2015.

1 Proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2014, blz. 128 en 129.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 februari 2014, bladzijde 157 en 158

3 Proces-verbaal van 12 februari 2014, blz. 151 en 152

4 Proces-verbaal van 13 februari 2014, blz. 153-155