Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8479

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB 14/19490 T
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2011/95/EU, Definitierichtlijn, subsidiaire beschermingsstatus, EVRM, Gaddafi-regime, Libië, veiligheidssituatie, rigorous scrutiny, risicofactoren, ex nunc, besluit- en vertrekmoratoria, anti-Gaddafi, Gaddafi-sympathisant, artikel 3.37e, Voorschrift Vreemdelingen 2000, VV 2000, ambtsbericht inzake Libië, WBV 2012/15, landgebonden asielbeleid Libië, Ouhaydat-stam, positieve overtuigingskracht, WBV 2014/36, werkinstructie 2014/10, integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, EHRM, Koninklijke Marechaussee, KMar, artikel 3 EVRM, intrekkingsgehoor, de val van Gaddafi, paragraaf C2/3.3 Vc 2000, individualiseringsvereiste, uitzonderlijke situatie, niet ingrijpend en duurzaam verbeterd, Hof van Justitie van de Europese Unie, HvJ-EU, Tripoli, niet-voorbijgaand, beslisboom, European Asylum Support Office, EASO, oorlogsmethoden, burgerslachtoffers, indiscriminate shelling, UNSMIL, OHCHR, Libya Body Count, UNHCR, ontheemden, het aantal gewonde burgers, kuststeden, brandhaard, wijdverbreid, de door de strijdende partijen gehanteerde methoden, ongetrainde personen, zware wapens, bewapende milities, fluïde situatie in Libië, gezamenlijk ambtsbericht, coproductie, Nederland, België, Zweden, Noorwegen, Utlendingsnemnda, UNE, juridische kwalificatie, identieke feitelijke situatie, identiek normenkader, tussenuitspraak, artikel 8 EVRM, ex tunc, artikel 8:51a, Awb

De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2015 het aantal gewonde burgers niet is betrokken in de beoordeling en ook niet is vastgesteld of deze gegevens beschikbaar zijn. Libya Body Count rapporteert uitsluitend dodelijke slachtoffers. De rechtbank stelt verder vast dat uit de Libya Body Count (na doorklikken: http://www.libyabodycount.org/table) wel kan worden afgeleid of de gerapporteerde doden burgerslachtoffers betreffen. Ook volgt uit deze bron, evenals de andere door eiser ingebrachte informatie, dat de tweede Libische burgeroorlog een binnenlands gewapend conflict betreft dat zich zodanig uitstrekt over de kuststeden dat nagenoeg het gehele bewoonde deel van Libië tot brandhaard gerekend kan worden. In het bestreden besluit en met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015 en 3 maart 2015 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de verschillende elementen van 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zijn ingevuld en gewogen. Verweerder heeft ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven hoe in zijn beleid de term “wijdverbreid” uitgelegd wordt. Tevens is ter zitting niet duidelijk geworden welk geografisch gebied verweerder tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de vraag of zich hier een uitzonderlijke situatie als bedoeld in 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of hierbij de veiligheidssituatie in het gehele land of uitsluitend (delen van) Tripoli wordt beoordeeld. Ook de door de strijdende partijen gehanteerde methoden zijn bij de besluitvorming niet kenbaar betrokken. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de door de aard van het conflict ontstane situatie, waarin veelal ongetrainde personen zware wapens hanteren, van invloed kan zijn op het risico op burgerslachtoffers.

De rechtbank stelt vast dat in dit specifieke geval voor het eerst de informatievergaring en verslaglegging over de veiligheidssituatie in een bepaald land in een gezamenlijk ambtsbericht heeft plaatsgevonden. Het ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 is een coproductie van Nederland, België, Zweden en Noorwegen. België kwalificeert de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook Zweden heeft een aantal kuststeden aangewezen als 15c-gebied. Verder heeft Noorwegen feitelijk een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, nu dit land blijkens het van de Noorse immigratiedienst Utlendingsnemnda (UNE) verkregen document van 5 januari 2015, het nemen van beslissingen in Libische asielzaken heeft opgeschort en de gedwongen terugkeer van asielzoekers naar Libië heeft opgeschort vanwege het aanhoudend gewapend conflict aldaar.

Aangezien deze landen voor hun juridische kwalificatie van de situatie in Libië van een identieke feitelijke situatie en een identiek normenkader zijn uitgegaan, dient verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder rekenschap te geven van het beleid dat deze landen zijn gaan voeren. Hoewel iedere lidstaat een eigen bevoegdheid toekomt, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder dient te motiveren waarom hij de veiligheidssituatie in Libië, zoals beschreven in het gezamenlijk ambtsbericht, juridisch anders kwalificeert dan België, Zweden en Noorwegen. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de enkele constatering ter zitting dat het hier om een politieke beslissing gaat. Verweerder heeft in de brief van 16 januari 2015 het beleid in omliggende landen wel genoemd, maar geeft geen inzicht op welke wijze dit is betrokken bij de formulering van het landgebonden beleid ten aanzien van Libië. De rechtbank overweegt hierbij dat het niet goed denkbaar is dat verweerder niet op de hoogte is van de redenen die bij bovengenoemde andere landen ten grondslag ligt aan hun beleid.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in dit geval met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015, 3 maart 2015 en 19 mei 2015 onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Nu verweerder met het oog op zijn reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 niet voldoende zorgvuldig heeft onderzocht en – dus – in die reactie ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in Tripoli, Libië, op het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 21 mei 2015 niet de uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt en zich dus geen andere grond voordoet op grond waarvan eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade waartegen hij subsidiaire bescherming nodig heeft, is het bestreden besluit en verweerders aanvullende reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/19490 TUSSENUITSPRAAK

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedag] 1982, van Libische nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken op grond van het bepaalde in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft daarnaast besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Voorts heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 Vw 2000.

Eiser heeft tegen dit besluit op 22 augustus 2014 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 21 mei 2015, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser is op 22 augustus 2009 Nederland binnengekomen en heeft op 6 november 2009 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 12 november 2009 is deze asielaanvraag ingewilligd en is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 verleend, met ingang van 6 november 2009 en geldig tot 6 november 2014. Het verzoek tot internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h, van Richtlijn 2011/95/EU (voorheen: Richtlijn 2004/83/EG, hierna: de Definitierichtlijn) is dus ingewilligd en aan eiser is een subsidiaire beschermingsstatus (artikel 2, onder g, Definitierichtlijn) verleend. Op 8 augustus 2013 heeft verweerder een voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verleende vergunning. Hierop heeft eiser op 19 september 2013 een schriftelijke zienswijze ingediend.

De grond voor verlening is komen te vervallen

2. Verweerder stelt dat het besluit van 12 november 2009 stoelde op de aanname dat voor alle uitgeprocedeerde Libische asielzoekers een reëel risico bestond op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van de zijde van het Gaddafi-regime bij terugkeer naar Libië. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit het landgebonden asielbeleid Libië, neergelegd in paragraaf C24/16 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), blijkt dat op grond van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Libië van 25 mei 2012 wordt geconcludeerd dat de verandering van omstandigheden door de regimewijziging en de dood van Gaddafi een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter heeft en er in het algemeen geen beperkingen voor Libiërs gelden om het land in en uit te reizen. Verder blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1703) dat het ambtsbericht van 25 mei 2012 op zichzelf geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat Libische asielzoekers, louter omdat zij in het buitenland asiel hebben aangevraagd, bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. In het verweerschrift van 12 mei 2015 geeft verweerder aan dat deze intrekking geldt per de datum van het bestreden besluit.

3. Eiser stelt dat reeds uit de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het eerste lid, aanhef en onder b, van artikel 29 Vw 2000 volgt dat het asielrelaas op zwaarwegendheid is getoetst en dat eiser dus het voordeel van de twijfel is gegeven. Tegen de achtergrond van de zeer instabiele veiligheidssituatie in Libië heeft verweerder in het bestreden besluit nagelaten met ‘rigorous scrutiny’ de risicofactoren te onderzoeken waaraan hij zal komen bloot te staan bij gedwongen terugkeer naar Libië en deze op elkaar te betrekken. Volgens eiser is het op grond van artikel 16 van de Definitierichtlijn aan verweerder om aannemelijk te maken dat Libiërs aan wie een verblijfsstatus is verleend niet langer bij terugkeer naar Libië het slachtoffer worden van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, waarbij ook ex nunc dient te worden getoetst aan de bestaande gevaren.

4. De rechtbank stelt vast dat eiser in het tijdsbestek tussen de periode van de besluit- en vertrekmoratoria voor Libische asielzoekers die hebben gegolden van 19 juli 2006 tot en met 1 juli 2007 en van 25 mei 2011 tot en met 24 mei 2012 door verweerder bij besluit van 12 november 2009 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. De reden hiervoor was gelegen in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Libië van 20 november 2002 (pagina 10), waaruit volgt dat indien een uitgeprocedeerde Libische asielzoeker na terugkeer in Libië wordt gedetineerd, mishandeling of foltering tijdens detentie niet kan worden uitgesloten, zodat op basis hiervan het vermoeden bestond dat eiser bij terugkeer naar Libië geconfronteerd kon worden met een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Op het moment van de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser op 12 november 2009 was nader onderzoek door de minister van Buitenlandse Zaken niet mogelijk en is eiser door verweerder op dit punt het voordeel van de twijfel gegund en hem de asielvergunning verleend. Zoals verweerder bij brief van 26 juni 2012 heeft aangegeven, is de minister van Buitenlandse Zaken verzocht om bij afloop van laatstgenoemde moratoria na de wettelijke maximale geldigheidsduur van één jaar een ambtsbericht op te stellen over de situatie in Libië. Op 25 mei 2012 is dit ambtsbericht uitgebracht. Verweerder acht op basis daarvan bescherming niet langer nodig vanwege de regimewisseling die in Libië heeft plaatsgevonden. Daarop heeft verweerder het landgebonden asielbeleid inzake Libië gewijzigd bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2012/15 van 13 juli 2012, dat is gepubliceerd in Staatscourant 2012, 15127 op 19 juli 2012. Verder heeft de reden op grond waarvan eiser door verweerder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op de zogeheten b-grond omdat hem bij terugkeer naar Libië een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling staat te wachten geen verband met het al dan niet bekend staan als anti-Gaddafi dan wel als Gaddafi-sympathisant.

Het ambtsbericht van 25 mei 2012 biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat terugkerende Libische uitgeprocedeerde asielzoekers, louter omdat zij in het buitenland asiel hebben aangevraagd, bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich derhalve terecht op het standpunt heeft gesteld dat er als gevolg van de duidelijke regimewijziging in Libië met de dood van Gaddafi sprake is van een wijziging van omstandigheden in Libië van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter, in de zin van artikel 3.37e Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Verweerder heeft dit met de verwijzing naar het ambtsbericht inzake Libië van 25 mei 2012 en de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2013 deugdelijk gemotiveerd. Daarmee is de grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, op basis waarvan eiser op 12 november 2009 een asielvergunning werd verleend, niet langer aanwezig.

5. Eiser heeft niet bestreden dat verweerder, op grond van het bij WBV 2012/15 gewijzigde landgebonden asielbeleid Libië dat op 20 juli 2012 in werking is getreden, aan de intrekking terugwerkende kracht heeft verleend tot 20 juli 2012. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 kon de aan eiser verleende verblijfsvergunning dan ook worden ingetrokken. De grief faalt.

Andere verleningsgronden ten tijde van verlening of intrekking van de verblijfsvergunning asiel

6. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op grond van zijn eerdere relaas dan wel zijn huidige situatie niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op een van de (overige) gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, Vw 2000.

7. Volgens eiser komt hij in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw 2000 en heeft verweerder de door hem genoemde gevaren niet (afdoende) onderzocht.

Individuele gronden

8. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag – kort samengevat – aangevoerd dat hij, nadat hij door Zweden was uitgezet, bij terugkeer in Libië direct werd aangehouden en moest hij een document ondertekenen vanwege een rechterlijke veroordeling tot 17 jaar en één maand tijdens zijn verblijf in Zweden. Uiteindelijk werd hij gedetineerd vanwege zijn asielaanvraag in Zweden. Van 31 maart 2004 tot 15 augustus 2009 heeft eiser in Libië gedetineerd gezeten in de Ain Zara-gevangenis. In augustus 2009 werd eiser tijdens zijn detentie naar een politiebureau gebracht om daar schoon te maken. Hij moest daar voor de bewakers ook lunch halen in een café aan de overzijde van het politiebureau en daarbij zag eiser kans om zijn vader te bellen. Zijn vader heeft geregeld dat, toen eiser weer lunch moest halen, er iemand kwam om hem op te halen. Eiser is ontsnapt door in de auto van die persoon te stappen waarna ze zijn weggereden. Daarop heeft eiser op 16 augustus 2009 Libië verlaten en is hij met een schip vanuit Al-Khums naar Nederland gereisd en vervolgens per trein naar Emmen en per taxi naar Ter Apel. Voorts heeft eiser verklaard in Libië nog niet zijn dienstplicht te hebben vervuld.

9. De rechtbank stelt voorop dat uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Libië van 20 november 2002, 25 mei 2012, 23 september 2003 en het voor het eerst in Europees verband opgesteld ambtsbericht Libië van 19 december 2014 (een coproductie van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, de Immigratie en Naturalisatiedienst en de migratiediensten van België, Zweden en Noorwegen) blijkt dat de algemene situatie in Libië niet zodanig is dat een vreemdeling die afkomstig is uit Libië in het algemeen en die behoort tot Ouhaydat-stam in het bijzonder zonder meer als vluchteling is aan te merken. Zo bevatten deze ambtsberichten geen aanwijzingen dat leden van de Ouhaydat-stam in Libië van regeringswege of anderszins te vrezen hadden of hebben voor geweld of intimidaties enkel op grond van hun etniciteit. Ook wordt hierbij in aanmerking genomen dat eiser heeft verklaard dat hij nimmer persoonlijke problemen heeft gehad vanwege het behoren tot de Ouhaydat-stam. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

10. Nu in het besluit van 12 november 2009 niet kenbaar is gemaakt om welke redenen eiser niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de (overige) gronden in artikel 29, eerste lid, Vw 2000, heeft verweerder dit in het bestreden besluit (en het daarin als ingelast te beschouwen voornemen) alsnog gedaan.

Ontbreken documenten

11. In het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Zo acht verweerder het verwijtbaar dat eiser zijn reisbescheiden (treinreis en taxirit) niet heeft overgelegd en dat hij zijn rijbewijs, dat hij thuis in Libië had, niet heeft meegenomen terwijl hij op de hoogte was van het belang van documenten naar zijn verblijf en gedwongen vertrek uit Zweden. Naar de mening van verweerder is sprake van toerekenbaar ontbreken van documenten en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van de documenten die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag niet aan hem is toe te rekenen.

12. Eiser stelt dat hij gedetailleerd heeft verklaard over zijn reisroute en dat zijn identiteit en nationaliteit afdoende is aangetoond met andere documenten en door verifiëring bij de Zweedse autoriteiten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen nu hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit, of reisroute te kunnen vaststellen. De stelling van eiser dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de papieren die ontbreken noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag wordt niet gevolgd. In dit geval heeft verweerder het overleggen van op juistheid verifieerbare documenten, waarop een foto is aangebracht of met andere identificerende kenmerken, van belang kunnen achten bij de vaststelling van de juistheid van de door eiser opgegeven identiteit. De omstandigheid dat verweerder de personalia van eiser heeft geverifieerd bij de autoriteiten van Zweden doet hieraan niet af. Ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft eiser een uittreksel uit het geboorteregister overgelegd, maar met een geboorteakte is niet de juistheid van dergelijke identiteitsgegevens vast te stellen. Daarnaast heeft eiser zijn verklaring dat het een oud rijbewijs zou betreffen niet aangetoond.

14. Voorts heeft verweerder ook reisdocumenten noodzakelijk kunnen achten om de reisroute van eiser, die onderdeel uitmaakt van zijn asielrelaas, te kunnen vaststellen. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om – daar waar mogelijk – zijn reisverhaal te staven en aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op de gestelde wijze heeft gereisd. Eiser heeft bevestigd dat hij zijn treinticket heeft weggegooid. Ook heeft hij nagelaten zijn reis met de taxi te onderbouwen. Van eiser mag in redelijkheid worden verwacht dat hij reisdocumenten zorgvuldig zou hebben bewaard en dat hij het belang hiervan inziet voor zijn asielaanvraag, zodat in zijn stellingen dat hij het treinkaartje bij zich had tijdens het eerste gehoor en dat hij van de taxirit van Emmen naar Ter Apel geen bonnetje heeft gekregen geen verschoonbare omstandigheden kunnen worden gevonden voor het niet overleggen van deze documenten. Het ontbreken daarvan komt dan ook, anders dan eiser meent, voor zijn risico. Nu eiser geen verschoonbare reden heeft voor het niet kunnen overleggen van deze documenten bij zijn aanvraag ter staving van zijn reisverhaal, kan dit niet met gedetailleerde, consistente en verifieerbare verklaringen over de gestelde reisroute worden hersteld. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC9690) en van 29 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG9599). Derhalve is op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiser en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

15. Indien, zoals hier het geval is, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, mogen in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.

16. Ter zitting is betoogd dat verweerder, gezien WBV 2014/36 en werkinstructie 2014/10, waarin de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling is uiteengezet, nader had dienen te motiveren in hoeverre omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 raken aan een of meerdere relevante elementen van het asielrelaas. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraken van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1201 en 1203) dat de inwerkingtreding van het WBV 2014/36, uitgewerkt in WI 2014/10, geen wijziging van beleid is, zodat verweerder daaraan niet heeft hoeven toetsen.

17. Eiser stelt dat, nu zijn Libische nationaliteit en herkomst uit Tripoli niet in geschil zijn, niet valt in te zien dat (informatie uit) identiteits-, nationaliteits- en reisdocumenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielrelaas. In het licht van artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), zoals de door eiser aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak Collins en Akasiebie tegen Zweden (nr. 23944/05) van 8 maart 2007, is het – gezien de lastige (bewijs)situatie waarin asielzoekers zich vaak bevinden – noodzakelijk om hen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van hun verklaringen en de ter onderbouwing daarvan overgelegde documenten het voordeel van de twijfel te gunnen. Volgens eiser wordt ten onrechte vereist dat zijn asielrelaas voldoet aan de eisen van de positieve overtuigingskracht en heeft verweerder daarom een onjuist toetsingskader aangelegd met deze toets.

18. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Indien een asielzoeker zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen ingevolge artikel 3.35, derde lid, VV 2000 (waarin artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn en voormelde rechtspraak van het EHRM is geïmplementeerd) alsnog geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer is voldaan aan de voorwaarden dat de vreemdeling een oprechte inspanning heeft geleverd om zijn verzoek te staven, alle relevante gegevens, als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, Vb 2000, waarover de vreemdeling beschikt zijn overgelegd en er een bevredigende verklaring is gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante gegevens, de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor de aanvraag, de vreemdeling de aanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en is vast komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat aan deze voorwaarden in de regel niet is voldaan in een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000, zoals hier het geval is. In dat geval is namelijk geen bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van relevante documenten. Gelet hierop heeft verweerder terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat en het juiste toetsingskader aangelegd. De grief faalt.

De geloofwaardigheid van de verklaringen (positieve overtuigingskracht)

19. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser geen positieve overtuigingskracht bezit en daarom ongeloofwaardig wordt geacht.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, toetsend naar de situatie ten tijde van het inwilligend besluit en naar de situatie ten tijde van het bestreden besluit, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. Verweerder heeft – in onderlinge samenhang bezien – voldoende steekhoudende argumenten aangedragen om tot deze conclusie te komen. Daarvoor heeft verweerder allereerst redengevend kunnen achten dat eiser zijn verblijf en daarmee ook zijn gevangenhouding in Libië na zijn uitzetting uit Zweden niet aannemelijk heeft weten te maken. Zo bestaat een ongerijmdheid tussen de indicatieve bewijzen, te weten: een aantal visitekaartjes, die eiser in zijn bezit had bij aankomst in Nederland en zijn verklaringen dat hij zich in Libië geen minuut vrijelijk heeft kunnen bewegen. Daarbij is tevens van belang dat verweerder uit informatie van de Zweedse autoriteiten enkel heeft kunnen opmaken dat eiser is uitgezet en dat hieruit niet kan worden vastgesteld dat hij daadwerkelijk in Libië is aangekomen.

Voorts heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat, nu eiser geen (vermeende) opposant was van het toenmalige Libische regime van Gaddafi, de door hem gestelde strafmaat van 17 jaar en één maand ernstig afwijkt van de geschetste problemen voor terugkerende, uitgeprocedeerde asielzoekers in Libië volgens het ambtsbericht van 20 november 2002. Uit pagina 9 van dit ambtsbericht volgt immers dat uitgeprocedeerde asielzoekers, die langere tijd buiten Libië hadden verbleven, enkele dagen werden vastgehouden en uitgeprocedeerde asielzoekers, die onder begeleiding werden verwijderd, tijdelijk werden gedetineerd.

Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat het niet aannemelijk is te achten dat eiser die volgens zijn verklaringen als een dusdanig belangrijke opposant werd beschouwd dat hij tot de gestelde gevangenisstraf van 17 jaar en één maand was veroordeeld, zich zonder echte bewaking buiten de gevangenis zou kunnen begeven en op gemakkelijke wijze zou kunnen ontsnappen. De enkele stelling dat de ontsnapping grondig was voorbereid, maakt dit niet anders. Dit geldt evenzeer voor de uitgebreide uiteenzetting van de ontsnapping door eiser. Evenmin kunnen, zoals verweerder ook aangeeft in het verweerschrift van 12 mei 2015, de (zeer gedetailleerde) beschrijvingen en tekeningen van eiser van de Ain Zara-gevangenis en het politiebureau hieraan af doen nu hij die kennis ook uit andere hoofde kan hebben opgedaan.

Verder heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat het niet aannemelijk is te achten dat eiser, die heeft verklaard te worden gezocht en zijn militaire dienstplicht nog niet te hebben vervuld, in staat is om zonder identiteitsdocumenten de afstand van ongeveer 100 kilometer van Tripoli naar Al-Khums te overbruggen, terwijl Libië blijkens het ambtsbericht van 20 november 2002 (pagina 3) onder Gaddafi een streng gecontroleerde staat was en sprake was van zeer strikte controles op Libische reizigers (pagina 8).

Tot slot heeft verweerder van belang kunnen achten dat uit de onderzoeksresultaten van de Koninklijke Marechaussee (KMar) van 6 oktober 2013 blijkt dat eiser bij controle op luchthaven Schiphol op 5 oktober 2013 is aangetroffen in het bezit van een instapkaart voor vluchtnummer [vluchtnummer] van Malta naar Tripoli (Libië), een op 16 juni 2009 afgegeven en op naam gesteld Libisch paspoort ([paspoortnummer]) en een op naam gesteld Nederlands verblijfsdocument, hetgeen niet valt te rijmen met de door hem verklaarde detentieperiode in Libië van 31 maart 2004 tot 15 augustus 2009 en de gestelde negatieve belangstelling voor zijn persoon. De stelling van eiser dat zijn vader dit paspoort heeft aangevraagd doet daaraan niet af. Hiervoor is, anders dan eiser ter zitting meent, geen onderbouwing van verweerder door middel van landeninformatie vereist. Verder geeft verweerder in het verweerschrift terecht aan dat eiser tijdens het intrekkingsgehoor op 29 november 2013 in eerste instantie heeft ontkend een Libisch paspoort te hebben. Hoewel in het bestreden besluit door verweerder niet nader is gemotiveerd dat eiser daadwerkelijk is teruggekeerd in Libië, doet de loutere ontkenning van eiser bij de confrontatie met deze onderzoeksresultaten tijdens het intrekkingsgehoor in het bezit te zijn van het betreffende paspoort en te zijn teruggekeerd naar Libië niet af aan de onderzoeksresultaten van de KMar.

21. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in het bestreden besluit, en het daarin ingelaste voornemen, voldoende gemotiveerd is dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is vanwege tegenstrijdig- en ongerijmdheden. Dit betekent dat, anders dan eiser stelt, er in zoverre geen risicofactoren bestaan waaraan hij bij (gedwongen) terugkeer naar Libië zal worden blootgesteld. Aldus bestaat evenmin grond voor het oordeel dat verweerder heeft nagelaten om met rigorous scrutiny de gestelde risicofactoren te onderzoeken en op elkaar te betrekken. De grief faalt.

22. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij tijdens het nader gehoor van 10 november 2009 (pagina 8) heeft aangeboden medisch onderzoek te ondergaan om aan te tonen dat hij tijdens zijn detentie martelingen (geslagen met een wapenstok en riem) en verkrachtingen heeft ondergaan. Nu getwijfeld wordt aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas dient dit naar de mening van eiser op grond van artikel 4 van de Definitierichtlijn en de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsnog te worden onderzocht, temeer omdat uitgeprocedeerde asielzoekers bij terugkeer in Libië onder het bewind van Gaddafi geconfronteerd konden worden met detentie, mishandeling en foltering.

23. Deze beroepsgrond faalt. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling, dat hij in Libië gedetineerd is geweest wegens zijn asielaanvraag in Zweden en dat hij tijdens deze detentie is mishandeld en verkracht, niet met een door een arts geproduceerd bewijsmiddel (medisch rapport) heeft gestaafd. Derhalve ontbreekt de noodzakelijk te achten sterke aanwijzing dat de gestelde onmenselijke behandeling in Libië het letsel van eiser heeft veroorzaakt, die verweerder ertoe kan verplichten om nader onderzoek naar dat bewijsmiddel te laten verrichten om twijfel weg te nemen over het risico dat hij na uitzetting naar Libië wordt onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Immers, eerst nadat een dergelijk bewijsmiddel ter staving van (een deel van) het asielrelaas is ingediend, moet verweerder in het licht van de gestaafde dan wel geloofwaardig te achten persoonlijke situatie van eiser en tegen de achtergrond van de algemene situatie in Libië beoordelen of dat bewijsmiddel tot nader onderzoek noopt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:600, rechtsoverweging 5.1).

24. Voorts heeft eiser in beroep aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan het feit dat er in Libië bij familieleden door politieagenten die door zijn ontsnapping in de problemen zijn gekomen nog altijd naar hem wordt geïnformeerd, dat enkele familieleden zijn bedreigd en mishandeld en dat zijn vader een keer is meegenomen door de politie, zoals hij tijdens het intrekkingsgehoor heeft toegelicht.

25. De rechtbank stelt vast dat de door eiser naar voren gebrachte individuele risicofactoren – daaronder begrepen de individuele bedreigingen en de problemen van zijn familieleden van de zijde van de politie en de volgens hem in Tripoli nog altijd invloedrijke kolonel [kolonel] – in direct causaal verband staan met de gestelde detentie en ontsnapping. Nu verweerder die in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat deze individuele risicofactoren niet deugdelijk bij de besluitvorming zijn betrokken. Eiser heeft er op gewezen dat ongeveer zes maanden geleden (november 2014) de politie weer bij het huis van zijn ouders is langs geweest, op zoek naar hem, waarbij is gedreigd dat eiser zal worden neergeschoten als zij hem vinden. Ook geeft eiser aan dat hij van zijn familie heeft gehoord dat de ontvoering van zijn broer met hemzelf te maken heeft. Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat, in aanmerking genomen dat (onder)officieren en andere aanhangers van het toenmalige regime in Libië als risicogroep hebben te gelden, het nog meer bevreemding wekt dat de politie (al dan niet vanwege de gestelde ontsnapping) bij eisers ouders in Tripoli langs zou zijn geweest op zoek naar eiser. Dat lijkt immers eerder te onderstrepen dat het ongeloofwaardig is dat eiser in het verleden of thans daadwerkelijk te vrezen zou hebben (gehad) van de betreffende kolonel en/of de betrokken agenten. De rechtbank kan verweerder in deze opvatting volgen en is daarom van oordeel dat – afzonderlijk en cumulatief in het licht van de situatie in Libië beschouwd – in dit geval op basis van de individuele factoren geen ‘arguable claim’ bestaat op een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer van eiser. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat – hoewel uit de landeninformatie (de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken van 2012 en 2013 en het door eiser aangehaalde rapport van het UK Home Border Agency, getiteld: Country Information and Guidance Libya: Actual or perceived Gaddafi clan members/loyalists (paragrafen 1.3.3, 1.3.10, 1.3.14 en 2.2.12) van 19 augustus 2014) blijkt dat (vermeende) Gaddafi-sympathisanten grote risico’s lopen en problemen ondervinden in het huidige Libië – uit het rapport van het UK Home Border Agency niet kan worden opgemaakt dat het enkel behoren tot de Ouhaydat-stam reeds impliceert dat eiser als Gaddafi-aanhanger wordt beschouwd. Deze algemene informatie vormt onvoldoende onderbouwing van de stelling dat eiser als lid van de Ouhaydat-stam zelf wordt gezien als aanhanger van het vorige regime, zoals door zijn gemachtigde ter zitting ook is erkend. Voorts blijkt uit pagina 44 van het ambtsbericht van 25 september 2013 inzake Libië dat het ministerie van Defensie sinds de val van Gaddafi bezig is met de reorganisatie van de strijdkrachten en dat nog niet bekend is hoe nieuwe wetgeving inzake dienstplichtweigeraars er uit gaat zien. Bij deze stand van zaken kan hieruit voorshands geen duidelijke risicofactor voor eiser op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM bij terugkeer worden afgeleid.

26. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn individuele asielrelaas niet in aanmerking komt, of had behoren te komen, voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, en onder b, sub 2, Vw 2000.

Algemene veiligheidssituatie

27. Ter beoordeling staat of de veiligheidssituatie in Libië, of een deel daarvan, zodanig ernstig is verslechterd, dat thans sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000). Verweerder heeft het toetsingskader of sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie neergelegd in paragraaf C2/3.3 Vc 2000. Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • -

    de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  • -

    de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • -

    de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  • -

    de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie.

Ingrijpende en duurzame verbetering veiligheidssituatie?

28. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat uit recente informatie over Libië blijkt dat de veiligheidssituatie niet ingrijpend en duurzaam is verbeterd, zoals wordt vereist in artikel 16 van de Definitierichtlijn. Nu de bewijslast bij verweerder ligt, is volgens eiser in het bestreden besluit ten onrechte overwogen dat de huidige situatie in Libië niet voldoet aan de eisen van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Daarbij verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) in de zaak Aydin Salahadin Abdulla e.a. tegen Duitsland van 2 maart 2010 (ECLI:EU:C:2010: 105, het Abdulla-arrest). Naar de mening van eiser is, ondanks de regimewijziging, geen sprake van een ingrijpende en duurzame verbetering van de veiligheidssituatie in Libië. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat weliswaar Gaddafi niet meer aan de macht is, maar Libië sindsdien in een situatie van chaos verkeert zonder effectief overheidsgezag en functionerend rechtssysteem. Zo was blijkens het ambtsbericht van 25 september 2013 sprake van een voortdurende situatie van grote onveiligheid in Libië gedurende 2012 en 2013, aldus eiser. Volgens eiser is de veiligheidssituatie in Libië sinds dit ambtsbericht alleen nog maar verslechterd en is er aanleiding te veronderstellen dat de situatie in Libië alleen nog meer verder zal escaleren. Eiser stelt dat in Tripoli in Libië, naar welke stad hij zal moeten terugkeren, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Hij verwijst daartoe naar overgelegde publicaties van The Telegraph, Libya in chaos as Islamists seize capital's airport, van 24 augustus 2014, The Guardian, Tripoli residents face dilemma after Libya Dawn take controle of capital, van 31 augustus 2014, Security Council Briefing van de Special Representative of the Secretary‑General and Head of UNSMIL (de VN-missie in Libië), Tarik Mitri, van 27 augustus 2014, de website Libya Body Count over (burger)doden door geweld in Tripoli, de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR), Cross-border aid reaches 12.000 displaced civilians in western Libya, van 18 augustus 2014 en van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM).

29. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op grond van informatie uit openbare bronnen, in het bijzonder het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Libië van 25 september 2013, op het standpunt gesteld dat in Libië sprake is van een zorgelijke veiligheidssituatie, maar dat de situatie aldaar in zijn algemeenheid niet zodanig is dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

30. De rechtbank overweegt dat uit artikel 16, eerste en tweede lid, van de Definitierichtlijn (geïmplementeerd in artikel 3.37e VV 2000) volgt dat wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend niet langer bestaan, zoals in het geval van eiser, in aanmerking dient te worden genomen of de wijziging in de omstandigheden zo ingrijpend en niet‑voorbijgaand is dat de persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming niet langer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hoewel het door eiser aangehaalde Abdulla-arrest, anders dan in dit geval, betrekking heeft op de intrekking van een vluchtelingenstatus, moet het ervoor worden gehouden dat rechtsoverweging 73 van dit arrest voor onderhavige intrekking evenzeer van belang is. In deze rechtsoverweging is overwogen dat de verandering van omstandigheden ingrijpend en niet-voorbijgaand is wanneer de factoren op grond waarvan de subsidiaire bescherming is verleend, kunnen worden geacht duurzaam te zijn weggenomen. De beoordeling of de verandering van omstandigheden ingrijpend en niet-voorbijgaand is, strekt niet zo ver dat hierbij betrokken dient te worden beoordeeld of eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 15 van de Definitierichtlijn, maar beperkt zich tot de verleningsfactor(en). Nu in dit geval de factor op grond waarvan eiser subsidiaire bescherming is verleend is komen te vervallen vanwege de val van het regime van Gaddafi en deze verandering van omstandigheden ingrijpend en niet-voorbijgaand is, en deze factor naar het oordeel van de rechtbank valt onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder b, van de Definitierichtlijn, omvat de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie in Libië of Tripoli als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet tevens de beantwoording van de vraag of de factoren op grond waarvan de subsidiaire bescherming zou moeten worden verleend duurzaam (ingrijpend en niet‑voorbijgaand) zijn weggenomen.

Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn

31. De rechtbank overweegt verder dat de beoordeling van de vraag of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zich uitstrekt tot het moment van sluiting van het onderzoek in deze zaak op 21 mei 2015.

Bij deze beoordeling acht de rechtbank de navolgende vragen van belang, zoals verwoord in de beslisboom (Appendix A – Decision Tree, p. 37) van de analyse van de European Asylum Support Office (EASO) van december 2014 ( Article 15(c) Qualification Directive (2011/95/EU) - A judicial analysis).

De beoordeling die EASO in zijn analyse uiteenzet luidt als volgt:

“Appendix A — Decision Tree

A. Refugee protection denied?

Subsidiary protection can only be granted to persons who do not qualify as a refugee (Article 2(f)).

B. Situation in the home area giving rise to Article 15(c) risk?

1. Is the situation in the applicant’s home area one in which there is an armed conflict?

2. If yes, is it one characterised by indiscriminate violence at such a high level that persons there are at real risk of suffering serious harm merely by being civilians? (The question of ‘general risk’)?

3. Even if the answer to the second question is no, can an applicant nevertheless show a real risk of suffering serious harm by virtue of specific harm(s) faced because of personal circumstances combined with the background of (the lesser level) of indiscriminate violence? The more an applicant can show being specifically affected, the less the level of indiscriminate violence needs to be (The question of ‘specific risk’).

To answer yes to either of these questions the courts and tribunals must be satisfied there is no effective protection against such serious harm in accordance with Article 7 (The protection question).

As an applicant’s home area is assumed to be the place of destination, it may be necessary to ask if that area can be reached safely. If not, then it must be assumed that the applicant has demonstrated a real risk of suffering serious harm en route to the area of destination and that this is sufficient to satisfy B.

C. No possibility of internal protection?

If the answer to questions 2 or 3 is yes, it is still necessary to ask (unless the Member State concerned does not apply Article 8) whether, in accordance with Article 8, an applicant can avoid serious harm by settling elsewhere in the country of origin.

This inquiry (which must be based on precise and up-to-date information from relevant sources) requires asking whether an applicant:

- is safe from serious harm in this other part of the country;

- can travel there safely and legally and gain admittance to this other part of the country;

- can be reasonably expected to settle there.

For an alternative part of the country to be safe, it is necessary to ask whether it is one where there is no real risk of the applicant suffering serious harm (against which there is no effective protection).

For an alternative part of the country to be accessible, an applicant needs to be able to travel/reach there and gain admittance to the area without being prevented from doing so by legal or practical obstacles (e.g. a requirement to have a particular type of identity document or all routes to there being impassable or by a lack of safety en route).

For it to be considered reasonable for an applicant to settle in an alternative part of the country, it is necessary to ask if to do so will cause undue hardship.

For an applicant to be able to settle there, it is necessary to be satisfied that there is an ability to stay on a non-temporary and non-contingent basis.

D. Eligibility for subsidiary protection

If the answer identified in Sections B and C is yes, the applicant meets the requirements of Article 15(c) and (if there are no exclusion or cessation issues) has established eligibility for subsidiary protection.”

Situatie ten tijde van het verleningsbesluit en het bestreden besluit

32. Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Tripoli, één van de actuele conflicthaardgebieden in Libië. Tevens stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft bestreden dat ten tijde van de aan hem verleende verblijfsvergunning op 12 november 2009 geen sprake was van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bedoelde uitzonderlijke situatie.

33. Daarnaast verwerpt de rechtbank de beroepsgrond van eiser dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een uitzonderlijke situatie. Uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Libië van 25 september 2013blijkt, dat de periode beslaat van mei 2012 tot en met augustus 2013, niet dat in Libië, meer in het bijzonder Tripoli, sprake is van een conflict waarbij partijen oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen. Weliswaar is sprake van veiligheidsincidenten, waarbij ook burgers zijn getroffen, maar niet is gebleken van geweld met een wijdverbreid karakter. Daarnaast doen gewelddadige incidenten zich blijkens het ambtsbericht van 2013, in vergelijking met de periode voorafgaand aan de bevrijding, minder voor en is, hoewel de situatie in Libië een punt van zorg blijkt, ook gebleken dat Libiërs weer terugkeren naar hun land van herkomst. De door eiser bij aanvullend beroepschrift van 2 oktober 2014 ingebrachte informatie doet hieraan niet af, nu deze publicaties de periode beslaan van na het nemen van het bestreden besluit.

Actuele situatie

34. Eiser wijst er echter naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat de informatie uit het ambtsbericht van 25 september 2013 inmiddels is achterhaald. Uit de stukken die door eiser zijn ingebracht blijkt dat in conflictgebieden in Libië waaronder Tripoli in juli en augustus 2014 hevige gevechten hebben plaatsgevonden waarbij een groot aantal doden en gewonden zijn gevallen (469 doden in juli 2014 en 488 doden in augustus 2014), dat Tripoli en het internationale vliegveld in handen zijn gevallen van pro-islamitische groeperingen, dat in Tripoli meer dan 100.000 mensen zijn ontheemd en dat 150.000 mensen Libië zijn ontvlucht als gevolg van deze gevechten. Ook is gebleken van gebruik van oorlogsmethoden die de kans op burgerslachtoffers vergroot (‘indiscriminate shelling’) doordat alle strijdende partijen zware wapens gebruiken in dichtbevolkte gebieden, waardoor het aantal burgerslachtoffers is gestegen. Verder meldde de UNHCR op 18 augustus 2014 dat het Rode Kruis verwacht dat door het conflict minstens twee miljoen mensen gevaar lopen door voedseltekorten als de gevechten aanhouden en gaf het IOM aan dat het vrijwillige terugkeer naar Libië niet kan faciliteren vanwege de ontoegankelijkheid en de veiligheidssituatie rond de vliegvelden. De rechtbank leidt verder uit diverse openbare bronnen af dat sinds de val van het Gaddafi-regime in 2011 er in Libië een chaotische situatie is ontstaan waarbij het centraal gezag, voor zover daarvan na de dood van Gaddafi sprake was, snel is geërodeerd. Verder is op 16 mei 2014 met Operatie Dignity in Benghazi en in Tripoli met Operatie Dawn op 13 juli 2014 een tweede Libische burgeroorlog begonnen, die heeft geresulteerd in een voortdurend conflict tussen ruwweg vier rivaliserende partijen (de internationaal erkende Libische regering, de Islamitische regering, de Shura Council of Benghazi Revolutionaries en de Islamitische Staat). Al deze partijen streven naar de controle over Libië. Voorts roept de UNHCR in het rapport: UNHCR Position on Returns to Libya, van 12 november 2014 op om gedwongen terugkeer naar Libië op te schorten, totdat de situatie ter plaatse merkbaar verbeterd is.

35. Met betrekking tot de stelling van eiser dat in Tripoli, Libië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, overweegt de rechtbank dat de Afdeling bij uitspraken van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:786 en 780) heeft geoordeeld dat uit de in die zaak betrokken stukken niet kon worden afgeleid dat zich op 16 januari 2015 (het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling) voormelde uitzonderlijke situatie in Tripoli of Benghazi voordeed.
In de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:786), waarnaar de Afdeling tevens verwijst in de uitspraken van 3 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:792) en 19 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1695), wordt specifiek ingegaan op de situatie in Tripoli. In rechtsoverweging 5.5. van deze uitspraak is opgenomen dat uit de door partijen overgelegde stukken kan worden opgemaakt dat de veiligheidssituatie in Tripoli zorgelijk is. Tussen juli en september 2014 vonden gevechten plaats rond het internationale vliegveld en in bepaalde wijken in en rond de stad. Nadien is blijkens de overgelegde stukken de veiligheidssituatie in Tripoli verbeterd en het dagelijks leven grotendeels genormaliseerd. De verbetering van de veiligheidssituatie is echter fragiel, nu uit deze stukken eveneens kan worden opgemaakt dat eind november 2014 ten zuidwesten van Tripoli nog gevechten plaatsvonden en door een aantal partijen een militair offensief was aangekondigd. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat uit de stukken het beeld naar voren komt dat, hoewel als gevolg van de gebruikte gevechtsmethoden burgerslachtoffers te betreuren zijn, het geweld in intensiteit wisselt en voornamelijk tussen rivaliserende groeperingen plaatsvindt. De cijfers over slachtoffers en ontheemden in de door de vreemdeling ingeroepen stukken en die in het landenrapport van 19 december 2014 zijn gebaseerd op gegevens van dezelfde organisaties, te weten UNSMIL, OHCHR, Libya Body Count en de UNHCR. Uit die stukken blijkt weliswaar dat het aantal slachtoffers en ontheemden aanzienlijk is, maar dit aantal is naar het oordeel van de Afdeling, afgezet tegen het aantal inwoners van Tripoli, niet dusdanig hoog dat de conclusie gerechtvaardigd is dat zich in Tripoli de bedoelde uitzonderlijke situatie voordoet, nu in die stukken geen onderscheid wordt gemaakt tussen slachtoffers van gericht geweld en willekeurige burgerslachtoffers.

36. Met betrekking tot de huidige veiligheidssituatie in Libië heeft verweerder in het verweerschrift van 12 mei 2015 en ter zitting ook verwezen naar de genoemde uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015 en 3 maart 2015. Volgens verweerder geven de door eiser ingeroepen stukken geen wezenlijk ander beeld van de algehele veiligheidssituatie in Tripoli.

37. Bij faxbericht van 8 mei 2015 heeft eiser gewezen op informatie uit het rapport van het UK Foreign and Commonwealth Office (FCO) van 21 januari 2015, waaruit volgt dat de mensenrechtensituatie in Libië het laatste kwartaal van 2014 opnieuw is verslechterd als gevolg van het aanhoudende gewapende conflict en de verslechtering van het politieke klimaat. In dit kader wijst eiser er op dat zijn familieleden in Tripoli vanwege de onveilige situatie van de ene naar de andere plek verhuizen en dat zij er over denken om Libië te verlaten. Ook wijst eiser erop dat twee jonge Libiërs, afkomstig uit Tripoli en Benghazi, die vanuit Nederland naar Libië zijn uitgezet, zijn omgekomen.

38. De rechtbank houdt op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 rekening met de door eiser ingebrachte recente informatie over de algemene veiligheidssituatie in Libië in het algemeen en meer in het bijzonder Tripoli of andere conflicthaardgebieden.

Uit het ambtsbericht van 19 december 2014 (pagina 21 en 22) blijkt dat het aantal ontheemden in Tripoli door de UNHCR op 15 september 2014 wordt geschat op 100.000 en 175.000 in het totaal in Libië en op 20 november 2014 op meer dan 393.400 sinds mei 2014. Uit gegevens van Libya Body Count blijkt dat het aantal dodelijke burgerslachtoffers van het conflict tussen januari 2014 en 30 november 2014 (pagina 21, ambtsbericht van 19 december 2014) 499 bedraagt. In totaal bedraagt over 2014 het aantal dodelijke slachtoffers in Libië 2.825 en is dit aantal in 2015 gesteld op 782 (op 21 mei 2015). De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 februari 2015 het aantal slachtoffers en ontheemden afgezet tegen het aantal inwoners van Tripoli. De rechtbank merkt op dat in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2015 het aantal gewonde burgers niet is betrokken in de beoordeling en ook niet is vastgesteld of deze gegevens beschikbaar zijn. Libya Body Count rapporteert uitsluitend dodelijke slachtoffers. De rechtbank stelt verder vast dat uit de Libya Body Count (na doorklikken: http://www.libyabodycount.org/table) wel kan worden afgeleid of de gerapporteerde doden burgerslachtoffers betreffen. Ook volgt uit deze bron, evenals de andere door eiser ingebrachte informatie, dat de tweede Libische burgeroorlog een binnenlands gewapend conflict betreft dat zich zodanig uitstrekt over de kuststeden dat nagenoeg het gehele bewoonde deel van Libië tot brandhaard gerekend kan worden. In het bestreden besluit en met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015 en 3 maart 2015 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de verschillende elementen van 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn zijn ingevuld en gewogen. Verweerder heeft ter zitting geen uitsluitsel kunnen geven hoe in zijn beleid de term “wijdverbreid” uitgelegd wordt. Tevens is ter zitting niet duidelijk geworden welk geografisch gebied verweerder tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de vraag of zich hier een uitzonderlijke situatie als bedoeld in 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn voordoet. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt of hierbij de veiligheidssituatie in het gehele land of uitsluitend (delen van) Tripoli wordt beoordeeld. Ook de door de strijdende partijen gehanteerde methoden zijn bij de besluitvorming niet kenbaar betrokken. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de door de aard van het conflict ontstane situatie, waarin veelal ongetrainde personen zware wapens hanteren, van invloed kan zijn op het risico op burgerslachtoffers.

39. Verweerder stelt in de brief van 16 januari 2015 – waarin hij de Tweede Kamer informeert over de beleidsconsequenties die hij verbindt aan de landenrapportage van 19 december 2014 voor het asielbeleid ten aanzien van Libië – dat hij de situatie in Libië, of meer specifiek in de steden Tripoli en Benghazi, niet zodanig beoordeelt dat de – hoge – drempel van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 wordt gehaald. Verder lijkt het erop dat de bewapende milities vooral bezig zijn elkaar te bestrijden, aldus verweerder in deze brief. Ten aanzien van de situatie in Tripoli merkt verweerder in deze brief op dat deze stad in de verslagperiode werd getroffen door een wisselende mate van geweld en dat tegen het einde van de verslagperiode de veiligheidssituatie in de hoofdstad Tripoli aanzienlijk was verbeterd, maar tevens dat hij kennis heeft genomen van de berichtgeving dat na het aflopen van de verslagperiode van het rapport van 19 december 2014 gevechten zouden zijn uitgebroken rondom Tripoli. In deze berichten ziet verweerder vooralsnog geen reden om het hierboven geschetste beleid anders in te vullen. Wel onderstrepen deze berichten de fluïde situatie in Libië en het belang de ontwikkelingen in Libië nauwgezet te blijven volgen, aldus verweerder.

40. De rechtbank stelt vast dat in dit specifieke geval voor het eerst de informatievergaring en verslaglegging over de veiligheidssituatie in een bepaald land in een gezamenlijk ambtsbericht heeft plaatsgevonden. Het ambtsbericht inzake Libië van 19 december 2014 is een coproductie van Nederland, België, Zweden en Noorwegen. België kwalificeert de feitelijke situatie in Libië mede op basis van dit ambtsbericht als een situatie bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ook Zweden heeft een aantal kuststeden aangewezen als 15c-gebied. Verder heeft Noorwegen feitelijk een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld, nu dit land blijkens het van de Noorse immigratiedienst Utlendingsnemnda (UNE) verkregen document van 5 januari 2015, het nemen van beslissingen in Libische asielzaken heeft opgeschort en de gedwongen terugkeer van asielzoekers naar Libië heeft opgeschort vanwege het aanhoudend gewapend conflict aldaar.

41. Aangezien deze landen voor hun juridische kwalificatie van de situatie in Libië van een identieke feitelijke situatie en een identiek normenkader zijn uitgegaan, dient verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder rekenschap te geven van het beleid dat deze landen zijn gaan voeren. Hoewel iedere lidstaat een eigen bevoegdheid toekomt, laat dit naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat verweerder dient te motiveren waarom hij de veiligheidssituatie in Libië, zoals beschreven in het gezamenlijk ambtsbericht, juridisch anders kwalificeert dan België, Zweden en Noorwegen. Daarbij kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de enkele constatering ter zitting dat het hier om een politieke beslissing gaat. Verweerder heeft in de brief van 16 januari 2015 het beleid in omliggende landen wel genoemd, maar geeft geen inzicht op welke wijze dit is betrokken bij de formulering van het landgebonden beleid ten aanzien van Libië. De rechtbank overweegt hierbij dat het niet goed denkbaar is dat verweerder niet op de hoogte is van de redenen die bij bovengenoemde andere landen ten grondslag ligt aan hun beleid. Verweerder dient hierin dan ook inzicht te verschaffen.

42. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in dit geval met de enkele verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015, 3 maart 2015 en 19 mei 2015 onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Nu verweerder met het oog op zijn reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 niet voldoende zorgvuldig heeft onderzocht en – dus – in die reactie ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in Tripoli, Libië, op het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting op 21 mei 2015 niet de uitzonderlijke situatie voordoet waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, Vw 2000 bescherming biedt en zich dus geen andere grond voordoet op grond waarvan eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade waartegen hij subsidiaire bescherming nodig heeft, is het bestreden besluit en verweerders aanvullende reactie op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb.

43. De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde gebrek zich leent voor herstel. Met het oog op een finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank omtrent de overige beroepsgronden als volgt.

Kwetsbare groep

44. Eiser is er niet in geslaagd om met persoonlijke omstandigheden, welke geloofwaardig zijn bevonden, aan te tonen dat specifiek hij wordt geraakt bij een lager niveau van uitzonderlijk geweld als gevolg van het gewapend conflict in Libië, bijvoorbeeld doordat hij behoort tot een specifiek kwetsbare groep waardoor voor hem de mate van onveiligheid toeneemt. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij met het Gaddafi-regime in verband kan worden gebracht en dat hij enkel vanwege zijn jonge leeftijd het risico loopt (gedwongen) te worden gerekruteerd. De stelling van eiser dat verweerder heeft miskend dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn met (een beperkte) individualisering moet worden uitgelegd en hiermee een aanvullende bescherming biedt ten opzichte van artikel 3 EVRM wordt dan ook niet gevolgd.

Artikel 8 EVRM

45. Tot slot is aan de orde of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a Vb 2000 (de ambtshalve beoordeling). Verweerder heeft in dit verband ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 op grond van artikel 8 EVRM.

46. Eiser beroept zich op het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zoals beschermd door artikel 8 EVRM, en de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betekent een inmenging hierop. Ter illustratie van de wijze waarop hij invulling geeft aan zijn privéleven, heeft eiser aangegeven dat hij veel vrienden heeft in Nederland en dat hij taalcursussen volgt. Voorts had eiser ten tijde van het bestreden besluit weliswaar gewezen op zijn partner [partner] en het gezinsleven dat hij hier te lande uitoefent, maar nog geen nadere informatie overgelegd over de invulling van die relatie. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland gezinsleven heeft opgebouwd met zijn partner [partner], die de Nederlandse nationaliteit heeft, en haar acht jaar oude zoon [(pleeg)zoon], dat hun vaste relatie inmiddels ruim vier jaar duurt, hij vrijwel permanent bij haar verblijft en dat hij tevens de rol van vader vervult voor [(pleeg)zoon]. Ter onderbouwing heeft eiser een e-mail van [partner], waarin zij haar relatie met hem toelicht, alsook foto's, waaruit zijn band met [(pleeg)zoon] blijkt, ingebracht. De intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning betreft derhalve een inmenging op het recht op bescherming van zijn gezinsleven, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij sinds vijf maanden ook samenwoont met zijn partner en pleegzoon.

47. Verweerder heeft, na confrontatie met de aanvullende stukken betreffende het privé- en gezinsleven van eiser in het kader van artikel 8 EVRM, ter zitting terecht betoogd dat in dit verband artikel 83 van de Vw 2000 (ex nunc-toetsing) niet van toepassing is. Hoewel het EHRM bij de beoordeling of sprake is van een schending van artikel 8 EVRM ex nunc naar de feiten kijkt, toetst de Afdeling of sprake is van een dergelijke schending sinds de uitspraak van 18 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL4534) de feiten ex tunc. Echter, in dit geval beschouwt de rechtbank de door eiser ingebrachte nadere informatie omtrent zijn privé- en gezinsleven echter als nadere onderbouwing van een reeds eerder ingenomen standpunt en zal zij deze informatie bij de beoordeling van het beroep betrekken.

48. Voor zover tussen partijen niet in geschil is dat eiser hier te lande invulling geeft aan zijn privéleven, dat sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn partner [partner] en haar minderjarige zoon [(pleeg)zoon] dat de intrekking door verweerder van de aan hem verleende verblijfsvergunning een inmenging op de eerbiediging van het recht op gezinsleven vormt, is vervolgens de vraag of deze inbreuk – gelet op artikel 8, tweede lid, EVRM gerechtvaardigd is. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt.

49. Nu verweerder in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan het privé- en gezinsleven van eiser in het kader van artikel 8 EVRM en er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, is het bestreden besluit daarom in zoverre in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 Awb. De enkele opmerking van verweerder ter zitting dat het verblijf van eiser in Nederland niet zodanig lang is geweest dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet meer kon worden ingetrokken, hetgeen de rechtbank begrijpt als dat hij niet in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000 juncto artikel 3.6a Vb 2000, wordt niet betrokken bij de beoordeling van het beroep, nu eiser zich niet op betwisting van dit standpunt heeft kunnen voorbereiden.

50. Ook dit gebrek leent zich voor herstel.

Artikel 64 Vw 2000

51. De rechtbank constateert dat niet (gemotiveerd) is bestreden dat ten tijde van het bestreden besluit, zoals door verweerder is vastgesteld, eiser onder medische behandeling is en dat in dit geval en op dat moment sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 64 Vw 2000.

Herstel gebreken

52. Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als artikel 8:51a Awb wordt toegepast. De rechtbank ziet daarom aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, Awb in de gelegenheid te stellen die gebreken te herstellen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

53. Indien verweerder verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, moet hij dat, op grond van artikel 8:51b, eerste lid, Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen, zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

54. De rechtbank zal bij de einduitspraak beslissen over de proceskosten

55. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de geconstateerde gebreken te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om, binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, de gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. drs. S. van Lokven en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen géén hoger beroep instellen. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog (eventueel) te wijzen einduitspraak.