Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8439

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/9314 en 15/9313
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de herhaalde asielaanvraag van een Afghaanse vrouw, die stelt onder het beleid voor alleenstaande verwesterde vrouwen te vallen, kunnen afwijzen. De vrouw had aangegeven dat haar relatie al een tijd niet meer goed was en dat haar man eind 2014 met onbekende bestemming is vertrokken en inmiddels in Duitsland verblijft. Dit maakt echter niet dat zij als alleenstaande kan worden aangemerkt. De vrouw is namelijk, naar zij stelt, pas drie maanden feitelijk gescheiden van haar echtgenoot, nadat zij daarvoor jarenlang in Nederland met hem op hetzelfde adres heeft verbleven. Drie maanden geen contact meer hebben en de stelling dat een echtscheidingsprocedure gaat worden opgestart, is onvoldoende om aan te nemen dat geen sprake meer is van een relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

V-nr.: [V-nummer]

zaaknummers: AWB 15/9314 (voorlopige voorziening) en AWB 15/9313 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], geboren op [geboortedag] 1958, van Afghaanse nationaliteit, verzoekster

(gemachtigde: mr. P.L.E.M. Krauth),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 30 januari 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124) volgt dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, evenals bewijsstukken van al eerder gestelde feiten en omstandigheden, die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toets rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat berust. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaat deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen, waarbij wordt verwezen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45).

3. Verzoekster heeft eerder, op 16 augustus 2004, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 6 september 2007 afgewezen. Dit besluit is bij uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2010 in rechte komen vast te staan. Het bestreden besluit is van gelijke strekking als het besluit van 6 september 2008, zodat het hiervoor onder 2 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

4. Verzoekster heeft aan onderhavige aanvraag – kort gezegd – als nova ten grondslag gelegd dat haar echtgenoot in oktober 2014 met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij als alleenstaande vrouw is aan te merken. Volgens verzoekster is hij zomaar vertrokken, zonder iets te zeggen. Inmiddels heeft haar echtgenoot wel contact opgenomen met hun kinderen, maar niet met verzoekster. In december 2014 heeft verzoekster via haar kinderen gehoord dat haar echtgenoot in Duitsland was. Het ging al langere tijd niet goed tussen verzoekster en haar echtgenoot. Er waren veel spanningen en ruzies. Verzoekster heeft geen contact meer gehad met haar echtgenoot sinds hij is vertrokken. Verzoekster en haar echtgenoot zijn officieel nog getrouwd. Zij houdt zich echter alleen nog maar bezig met haar eigen toekomst en haar echtgenoot met de zijne. Verzoekster heeft een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 juli 2010 in de zaak N. tegen Zweden (nr. 23505/09, JV 2010/373), op grond waarvan ook zij als alleenstaande dient te worden aangemerkt. Verzoekster heeft tevens een beroep gedaan op het op 6 februari 2014 gewijzigde beleid ten aanzien van alleenstaande verwesterde vrouwen in Afghanistan, zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit vreemdelingencirculaire 2014/2 (WBV 2014/2). Zij heeft immers geen echtgenoot meer met wie zij kan samenleven in Afghanistan. Zij kan evenmin terug naar haar ouderlijk gezin, omdat haar ouders zijn overleden. Er zijn geen mannelijke familieleden van wie zij bescherming kan krijgen in Afghanistan, aldus verzoekster.

5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht die kunnen afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust. In de eerdere asielprocedure is de ongeloofwaardigheid van verzoeksters asielrelaas in rechte komen vast te staan. De omstandigheid dat verzoeksters echtgenoot zich momenteel in Duitsland bevindt en aldaar een asielverzoek heeft ingediend is onvoldoende voor de conclusie dat verzoekster als alleenstaande vrouw dient te worden aangemerkt. Verzoekster verblijft weliswaar momenteel niet feitelijk bij haar echtgenoot, hij is nog steeds haar wettige echtgenoot. Niet is gebleken dat concrete stappen zijn ondernomen om te komen tot een echtscheiding(sprocedure). Verder staan verzoekster en haar echtgenoot ingeschreven op hetzelfde adres. Van verzoekster kan worden verwacht dat zij samen met haar echtgenoot terugkeert naar Afghanistan en dat zij zich daar zal kunnen aanpassen aan de Afghaanse normen en waarden.

6.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster met de door haar tijdens het gehoor opvolgende aanvraag afgelegde verklaring over de gestelde scheiding van haar echtgenoot geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als hiervoor onder 2 omschreven aan haar aanvraag ten grondslag gelegd.

6.2.

Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat, anders dan verzoekster stelt, haar situatie niet vergelijkbaar is met de situatie die speelde in voormelde uitspraak van het EHRM in de zaak N. tegen Zweden. Het Hof heeft in deze uitspraak onder 56. als volgt overwogen:

56. (…) ‘The court points out that in cases like the one before it, the expression of an intention to divorce could be motivated by previous refusals by the authorities to grant asylum on the motive originally submitted. Thus, it must be expected that an applicant can demonstrate convincingly that the intention is real and genuine. (…) In the present case the applicant separated from her husband X in June 2005, approximately one year after the spouses had entered Sweden, and while the appeal against the Migration Board’s first refusal of 29 March 2005 was pending before the Migration Board. It is not in dispute that she only saw her husband once thereafter and it is a proven fact that she tried in vain to divorce him in 2008. In these circumstances the Court finds that the applicant has demonstrated a real and genuine intention of not living with her husband. (…)’.

6.3

Verzoekster is in Nederland sedert juli 2004. Nadat de afwijzing van haar eerste asielaanvraag op 26 februari 2010 door voormelde uitspraak van de Afdeling in rechte is komen vast te staan, heeft verzoekster op 11 maart 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperking ‘uitoefenen gezinsleven conform artikel 8 EVRM’. Blijkens de aanvraag van verzoekster ziet deze op uitoefening van gezinsleven met haar echtgenoot en volwassen kinderen. Bij besluit van

5 april 2012 is (opnieuw beslissend op een bezwaarschrift van 2 juni 2010) het bezwaar van verzoekster tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard. Een soortgelijke aanvraag van 28 maart 2011 is op inhoudelijke gronden, na bezwaar, bij besluit van 15 september 2011 afgewezen. De onderhavige herhaalde asielaanvraag dateert van 30 januari 2015, een jaar na de inwerkingtreding van het

WBV 2014/2.

6.4

Anders dan in de zaak N. tegen Zweden staat niet vast dat verzoekster en haar echtgenoot reeds lang uit elkaar zijn. Integendeel, verzoekster is pas sedert oktober 2014, naar zij stelt, feitelijk gescheiden van haar echtgenoot, nadat zij daarvoor jarenlang in Nederland op hetzelfde adres, bij één van hun kinderen, hebben verbleven. Nog afgezien van het feit dat verzoekster haar stellingen niet met (relevante) stukken of anderszins heeft onderbouwd, is drie maanden geen contact meer hebben met de echtgenoot en de stelling dat een echtscheidingsprocedure gaat worden opgestart, naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende voor de conclusie dat geen sprake meer is van een relatie en dat verzoekster als alleenstaande vrouw zou moeten worden aangemerkt. Er kan, met de formulering van het EHRM, niet worden geoordeeld dat verzoekster heeft aangetoond dat sprake is van een echte en oprechte intentie om niet meer met haar echtgenoot samen te leven.

6.5.

Aangezien niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar kunnen het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het is tot stand gekomen niet door de voorzieningenrechter worden getoetst. Aan een beoordeling van hetgeen door verzoekster overigens naar voren is gebracht komt de voorzieningenrechter hierdoor niet meer toe.

7. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Gegeven deze

beslissing in de hoofdzaak bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige

voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Wevers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll: WGS

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening

staat geen rechtsmiddel open.