Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8438

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/1372 en 15/1374
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone – beoordeling seksuele geaardheid – overgelegde stukken onvoldoende gemotiveerd meegenomen in de beoordeling

Eiser heeft verklaringen van zijn pastor en een ex-partner uit Nederland overgelegd, alsmede foto’s van hemzelf tijdens de Gay Pride op de boot van de PvdA. Verweerder heeft geen waarde gehecht aan de verklaringen van de pastor en de ex-partner, omdat het geen objectiveerbare mededelingen betreffen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom aan die gedetailleerde verklaringen in het geheel geen waarde kan worden gehecht bij de beoordeling van eisers seksuele geaardheid. Verweerder heeft, door zich op het standpunt te stellen dat deze foto’s zich niet onderscheiden van de gemiddelde foto’s van de gemiddelde toerist in Amsterdam, tevens onvoldoende gemotiveerd dat aan de overgelegde foto’s geen waarde kan worden gehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/1372 (beroep)

AWB 15/1374 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 26 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1981, van Sierra Leoonse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde mr. F.M. Holwerda),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. S.F.E. Verdonck).

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 6 augustus 2014 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen.

Op 21 januari 2015 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van gelijke datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig N. Lisk, tolk in de taal Krio. De rechtbank/voorzieningenrechter (rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser heeft op 3 maart 2011 een eerdere asielaanvraag ingediend, waarbij hij het volgende heeft aangevoerd. Eiser heeft eind 2008/begin 2009 Sierra Leone verlaten, omdat hij vreesde gedood te worden door zijn oom. Sinds de dood van zijn ouders in 1999 zorgde zijn [oom] voor hem. Zijn oom is een medicijnman en hij maakt gebruik van voodoo. In 2002 heeft eiser aan zijn oom verteld dat hij homoseksueel is. Zijn oom heeft hem toen verwond en gedreigd dat hij hem zou vermoorden. Eiser heeft geprobeerd aangifte te doen bij de politie maar daar werd hem verteld dat de politie zich niet met zulke zaken bemoeit. Eiser is toen ondergedoken bij zijn vriend [persoon 1]. Na zijn vertrek uit Sierra Leone heeft eiser in Oostenrijk en Griekenland verbleven alvorens naar Nederland te reizen.

1.2

Verweerder heeft de eerdere aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, omdat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn nationaliteit, identiteit en reisroute. Voorts heeft eiser ten aanzien van zijn relaas zodanig vage, summiere, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd, dat hieraan door verweerder geen geloof kon worden gehecht.

1.3

Bij uitspraak van 8 april 2011 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser tegen het besluit van 11 maart 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als volgt geoordeeld:

“15. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat de verklaringen van verzoeker vaag, summier, tegenstrijdig en bevreemdingwekkend worden geacht. Zo weet verzoeker zeer weinig te vertellen over [persoon 1], de man met wie hij jarenlang een homoseksuele relatie zou hebben gehad. Verzoeker weet niet wat diens achternaam is, wat voor werk hij precies deed, hoe oud hij is, waar hij precies woonde, of hij met anderen samenwoonde, waar hij vandaan kwam en waarom hij in Sierra Leone was komen wonen. Voorts heeft verzoeker tegenstrijdig verklaard over de duur van de relatie, 12 dan wel 9 jaar. De openbare en voortvarende wijze waarop verzoeker [persoon 1] zou hebben leren kennen, wekt daarbij bevreemding gezien de precaire situatie van homoseksuelen in Sierra Leone. Over de situatie na zijn conflict met zijn oom heeft verzoeker tegenstrijdig verklaard. Tijdens het nader gehoor heeft hij eerst verklaard dat hij van 2002 tot zijn vertrek in 2008/2009 bij een vriend heeft verbleven. Later in het nader gehoor heeft hij verklaard dat hij slechts 5 dagen bij deze vriend verbleef en dat hij daarna tot zijn vertrek in een guest house woonde. Dit is tevens tegenstrijdig aan de verklaringen over zijn verblijfplaats in het eerste gehoor, waar verzoeker dit woonadres niet heeft vermeld.

Ook ten aanzien van de bedreigingen van zijn oom heeft verzoeker tegenstrijdig verklaard. Zo heeft hij verklaard dat zijn oom hem persoonlijk met de dood heeft bedreigd en verklaart hij later dat hij jarenlang via geruchten en via vrienden heeft gehoord dat zijn oom hem wilde doden. Later zegt verzoeker dat hij dat slechts eenmalig van één vriend heeft gehoord. Deze informatie is vervolgens erg vaag, omdat deze vriend dat weer via geruchten heeft gehoord die hij niet verder gespecificeerd heeft. Het feit dat verzoeker sinds het incident met zijn oom in 2002 nog tot 2008/2009 in Sierra Leone en in [stad] is blijven wonen en zijn sociale leven gewoon heeft voortgezet zonder hulp in te (hoeven) roepen en zonder problemen te ervaren, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de door verzoeker gestelde problemen met zijn oom.

16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht ontbeert en mitsdien ongeloofwaardig is. Verweerder heeft dan ook terecht geen grond aanwezig geacht om verzoeker een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid van de Vw 2000.”

1.4

De uitspraak van 8 april 2011 staat in rechte vast, nu deze uitspraak op 1 juni 2011 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bekrachtigd.

2.1

Op 6 augustus 2014 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft het volgende relaas aan die aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser is homoseksueel. Homoseksualiteit is in Sierra Leone strafbaar gesteld en wordt maatschappelijk niet geaccepteerd. De overheid biedt geen bescherming tegen ernstige discriminatie en mishandeling door medeburgers van homoseksuelen. Bij terugkeer heeft eiser gegronde vrees voor vervolging dan wel loopt hij een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2

Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

- verklaring van de heer [persoon 2], wonende te [adres], dat hij één jaar een relatie met eiser heeft gehad, dat eiser ongeveer elf maanden bij hem heeft gewoond en in september 2013 bij hem is weggegaan;

- twee verklaringen van de heer [naam pastor], pastor, van oktober 2014 en 26 februari 2015 waarin hij aangeeft overtuigd te zijn van eisers homoseksualiteit;

- verklaring van de heer [persoon 3], MC bij Club Rouge, dat hij eiser regelmatig aantreft in Club Rouge, Fux bar, Reality en club Nyx;

- een uitdraai van de internetsites www.nighttours.com en www.reguliers.net waarop staat vermeld dat Cafe Rouge en Club Fuxxx gay barren zijn respectievelijk dat Club NYX en Reality Bar homozaken zijn;

- een foto van eiser met de portier van Club Rouge;

- foto’s van eiser tijdens de Gay Pride op de boot van de Partij van de Arbeid met een regenboogvlag in zijn hand;

- een visitekaartje van de directeur van Secret Garden.

2.3

Voorts heeft een aanvullend asielgehoor plaatsgevonden op 4 november 2014.

3.1

Op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de aanvrager, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren.

3.2

Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:509) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

3.3

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

4. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of eiser aan de herhaalde aanvraag nova ten grondslag heeft gelegd die kunnen afdoen aan het eerdere besluit van 11 maart 2011.

5. Eiser voert aan dat sprake is van een novum, nu het beleid van verweerder, neergelegd in WBV 2014/36 en Werkinstructie 2014/10, met ingang van 1 januari 2015 is gewijzigd. Dit betreft voor eiser een relevante wijziging van het recht.

6. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1203) is de rechtbank van oordeel dat het betoog van eiser dat sprake is van een relevante wijziging van het recht niet kan slagen.

7. Eiser doet voorts een beroep op het gewijzigde beleid van verweerder van
14 februari 2014 (brief van verweerder aan de Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014,
19 637, nr. 1788) naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2423). Volgens eiser heeft verweerder in de eerdere procedure niet bestreden dat eiser homoseksueel is. De eerdere aanvraag is afgewezen, omdat eisers asielrelaas niet geloofwaardig is geacht. In de eerdere procedure is niet onderzocht of de seksuele geaardheid van eiser bij terugkeer naar Sierra Leone een risico op vervolging oplevert. Uit genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013, alsmede het gewijzigde beleid van 14 februari 2014, volgt dat thans naast het beoordelen van het asielrelaas ook een oordeel moet worden gevormd over de gestelde seksuele geaardheid. Daarbij moeten de verklaringen van de vreemdeling over hoe hij na terugkeer invulling zal geven aan zijn seksuele geaardheid, dan wel waarom hij zich daarvan zal onthouden, worden betrokken en op aannemelijkheid worden onderzocht. Uit pagina 6 van de eerdere afwijzende beschikking blijkt dat verweerder in eisers geval niet heeft doorgetoetst, omdat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is geacht. Nu dit in de eerdere procedure niet is gebeurd en niet is overwogen dat de seksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig is geacht, is sprake van een relevante wijziging van het recht, aldus eiser.

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de eerdere asielprocedure wel degelijk is komen vast te staan dat eisers seksuele geaardheid niet geloofwaardig is geacht, nu zijn gehele asielrelaas niet geloofwaardig is geacht, waaronder zijn gestelde homoseksualiteit. Daarom is in de eerdere procedure ook niet doorgetoetst. Per brief van 8 maart 2011 heeft de toenmalige gemachtigde van eiser aangevoerd dat aan artikel 3 van het EVRM moet worden getoetst gelet op eisers seksuele geaardheid en heeft daartoe stukken overgelegd. Dit was dus in de eerdere procedure al onderwerp van geschil. Verweerder heeft toen in het voornemen en het besluit eisers relaas, waaronder zijn homoseksuele geaardheid, niet geloofwaardig geacht. Dit is in beroep door de toenmalige gemachtigde van eiser niet verder betwist. Als eiser het daar niet mee eens was, had het op zijn weg gelegen daar tegen te ageren in die procedure, aldus verweerder.

9. De rechtbank is van oordeel dat noch door verweerder in het besluit van 11 maart 2011, noch door de rechtbank in voornoemde uitspraak van 8 april 2011 een expliciet oordeel is gegeven over de geloofwaardigheid van eisers seksuele geaardheid. Destijds zijn de gebeurtenissen die eiser stelt te hebben meegemaakt en die gerelateerd zijn aan zijn seksuele geaardheid ongeloofwaardig geacht. Of hij daadwerkelijk homoseksueel is, is in het midden gelaten, omdat de gestelde gebeurtenissen reeds ongeloofwaardig zijn en dus niet tot de gestelde vrees kunnen leiden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser nu, gezien de vrees die aan de geaardheid op zich gekoppeld is, zijn homoseksualiteit alsnog aannemelijk kan maken. Gelet hierop kan het gewijzigde beleid van verweerder van
14 februari 2014 (brief van verweerder aan de Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014,
19 637, nr. 1788) naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2423) een relevante wijziging van het recht opleveren, indien eisers homoseksualiteit geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank zal het bestreden besluit derhalve inhoudelijk toetsen.

10.1

In onderhavige procedure heeft verweerder de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde seksuele geaardheid wel expliciet beoordeeld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers homoseksualiteit niet geloofwaardig wordt geacht. Verweerder werpt eiser tegen dat hij op een aantal punten tegenstrijdig heeft verklaard. Verweerder verwijst daarbij allereerst naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in de eerdergenoemde uitspraak van 8 april 2011. Voorts verwijst verweerder naar het aanvullend gehoor van 4 november 2014. Daaruit blijkt dat eiser verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn aan eisers verklaringen in het nader gehoor van 7 maart 2011. Eiser heeft onder meer tegenstrijdig verklaard over zijn oom, over zijn relatie met [persoon 1] (duur en ontmoeting), over het moment waarop hij zich bewust werd van zijn seksuele geaardheid, over zijn eerste homoseksuele relatie en over zijn aanvraag om een verblijfsvergunning bij zijn toekomstige echtgenote. Gelet op deze tegenstrijdige verklaringen acht verweerder eisers gestelde homoseksualiteit niet geloofwaardig.

10.2

De door eiser overgelegde stukken kunnen niet afdoen aan bedoelde verklaringen, aldus verweerder. De foto’s waarop eiser te zien zou zijn op een boot van de PvdA met een regenboogvlag in zijn hand tijdens de Gay Pride onderscheiden zich niet van de gemiddelde foto’s van de gemiddelde toerist in Amsterdam. Het visitekaartje van de directeur van Secret Garden zegt niets over eisers deelname aan een congres van deze organisatie. Aan de verklaring van [persoon 2] dat hij één jaar een relatie met eiser heeft gehad kan geen waarde worden gehecht, nu eiser zelf aangeeft dat deze relatie niet serieus was en deze verklaring geen objectiveerbare mededeling betreft. Eiser heeft voorts twee verklaringen van [naam pastor] overgelegd, waarin hij aangeeft er van overtuigd te zijn dat eiser homoseksueel is, gelet op de gesprekken die hij met eiser heeft gevoerd. Verweerder hecht hier geen waarde aan, nu dit verklaringen betreffen van een man die er blijk van heeft gegeven zich in te willen zetten voor uitgeprocedeerde asielzoekers, waardoor, nog los van de algemene objectiveerbaarheid, vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van dit betoog, aldus verweerder.

11. De rechtbank overweegt als volgt.

11.1

Ten aanzien van de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden in de door eiser afgelegde verklaringen, zoals weergegeven onder 10.1, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze tegenstrijdigheden aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

11.2

Ten aanzien van de door eiser overgelegde stukken ter onderbouwing van zijn gestelde seksuele geaardheid, zoals opgesomd onder 2.2, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met de onder 10.2 weergegeven motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen waarde kan worden gehecht aan die stukken.

11.3

Eiser voert aan dat de foto’s waarop hij te zien is tijdens de Gay Pride zich wel degelijk onderscheiden van de gemiddelde foto’s van de gemiddelde toerist in Amsterdam, nu het een boot van de PvdA betreft en eiser heeft aangegeven dat hij op uitnodiging op die boot, niet zijnde een privévaartuig, mee is gegaan en dat dit via Secret Garden is geregeld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet gemotiveerd op ingegaan. De enkele stelling van verweerder dat deze foto’s zich niet onderscheiden van de gemiddelde foto’s van de gemiddelde toerist in Amsterdam is daartoe onvoldoende.

11.4

Verweerder heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom aan de verklaring van [persoon 2] geen gewicht kan worden toegekend. Op pagina 9 van het aanvullend gehoor verklaart eiser als volgt:

Heeft u in Nederland een vaste relatie met iemand gehad?

Ik heb in het verleden een relatie gehad met een man in Nederland. Toen hij erachter kwam dat ik geen verblijfsvergunning had heeft hij de contacten met mij verbroken, daarvoor zagen we elkaar wel in clubs.

Wat is zijn volledige naam?

[persoon 2]. Zijn achternaam staat in mijn telefoon.

Hoe oud is [persoon 2]?

Boven de 50 jaar.

Waar woonde hij?

In [adres]. Ik ben nooit meer naar hem toe geweest. Hij vond mij leuk. Hij wilde iets met mij beginnen, maar liep weg vanwege mijn situatie.

Heeft u nu wel of niet een vaste relatie met deze man gehad?

Ja, wel relaties maar nooit serieus.

En met [persoon 2]?

[persoon 2] en ik waren elkaar aan het leren kennen.”

Waarom deze verklaring niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen [persoon 2] heeft verklaard, valt naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering niet in te zien. Eiser verklaart immers dat hij wel een vaste relatie met [persoon 2] heeft gehad. De enkele stelling van verweerder dat de verklaring van [persoon 2] geen objectiveerbare mededeling betreft, is onvoldoende voor verweerders conclusie dat aan deze verklaring in het geheel geen waarde kan worden gehecht.

11.5

Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat aan de verklaringen van [naam pastor] geen waarde kunnen worden gehecht. [naam pastor] heeft twee verklaringen ten aanzien van eiser afgelegd. In zijn eerste verklaring verklaart hij onder meer het volgende:

“Ik ben werkzaam als spreekuurcoördinator van het Wereldhuis, een project van de Protestantse Diaconie van Amsterdam. […] Op vrijdag 17 oktober had ik, na lange tijd, een ontmoeting met [eiser]. Ik ken hem nog vanuit de tijd dat ik ook werkzaam was als protestants pastor bij de Open Deur, een van origine r.k. organisatie, die in de jaren zestig een specifieke plek was voor homoseksuelen die problemen hadden om in hun netwerk van familie en bekenden uit te komen voor hun homoseksualiteit. […] [eiser] kwam op 15 april 2011 in beeld als een (bijna uitgeprocedeerde) asielzoeker […] De Open Deur sloot zijn deuren op 15 december 2012 […] Terugzoekend in mijn aantekeningen noteer ik op 15 april dat hij mij vertelt dat hij homoseksueel is […] En na de sluiting van de Open Deur verdween [eiser] ‘buiten beeld’. […] Op grond van de gesprekken die ik indertijd met hem heb gevoerd ben ik ervan overtuigd dat hij een homoseksuele man is die gewend is geraakt aan het zich vrij kunnen beweging in een samenleving waarin homoseksualiteit geaccepteerd is en hem gelijke rechten geeft. […]”

11.6

In zijn tweede verklaring reageert [naam pastor] onder meer op het standpunt van verweerder, dat aan zijn eerste verklaring geen waarde kan worden gehecht omdat hij er blijk van zou hebben gegeven zich in te willen zetten voor uitgeprocedeerde asielzoekers:

“Ik ben niet een pastor die op zondag in de kerk ‘vrome’ woorden spreekt, maar zich door de week aan de bijbelse oproep tot gerechtigheid voor de arme, de weduwe en de wees, en de vreemdeling, niets gelegen laat liggen. Ik heb in de afgelopen 25 jaar in mijn manier van luisteren en vragen stellen een gevoeligheid ontwikkeld die mensen het vertrouwen geeft dat zaken waar in de samenleving een taboe op rust op een veilige manier met mij gedeeld kunnen worden. Al tijdens het eerste pastorale contact heeft hij mij in vertrouwen verteld over zijn homoseksuele geaardheid. Binnen de Sierraleoonse samenleving is dat niet alleen een taboe, maar voor zijn landgenoten bij het bekend worden ervan een vrijbrief voor discriminatie, uitsluiting en geweld. […] In de begeleiding van vreemdelingen die zich op mijn spreekuur melden bepaal ik niet de route die een ongedocumenteerde moet volgen om van mijn kant hulp en ondersteuning te krijgen, maar is de vreemdeling vrij in het maken van keuzes. […] Maar het is bij mij boven alle twijfel verheven dat de [eiser] een homoseksuele oriëntatie heeft en dat hij die niet zonder gevaar voor eigen leven in Sierra Leone kan praktiseren. Opkomen van mijn kant voor zijn recht op bescherming door de Nederlandse autoriteiten mag niet worden afgedaan met de conclusie dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de objectiviteit van mijn betoog. Ik kom op voor kwetsbare mensen en toets mijn handelen aan de bijbelse normen van gerechtigheid. […]”

11.7

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat aan voornoemde verklaringen van [naam pastor] geen waarde kan worden gehecht, reeds omdat [naam pastor] zich in zou zetten voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Dat de verklaringen van [naam pastor] niet objectief zouden zijn is, in het licht van zijn uitgebreide, gedetailleerde verklaringen, onvoldoende ter motivering van dat standpunt.

12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan de door eiser overgelegde documenten als hiervoor onder 2.2 weergegeven, in samenhang bezien, geen waarde kan worden gehecht ter onderbouwing van zijn gestelde homoseksualiteit.

13. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

14. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.470,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/1372,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 15/1374,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- (zegge: honderdzevenenzestig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.470,-- (zegge: duizendvierhonderdzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Vreede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.

griffier

rechter,

tevens voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: NV

Coll.: MvD

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.