Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8343

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
AWB 14 / 28767
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Openbare orde, gezinsleven, langdurig verblijf, niet alle relevante feiten meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/28767

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 november 2014 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft op 30 maart 2015 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. F.J.M. Schonkeren, waarnemer voor eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak een maal verlengd.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum 1] en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben. De ouders van eiser hebben op 16 maart 1999, mede ten behoeve van eiser, aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluiten van 18 december 2000 zijn deze aanvragen afgewezen en bij besluiten van 29 november 2001 zijn de hiertegen ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 januari 2003 (AWB 01/64740) is het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard. Op 3 september 2003 heeft eiser opnieuw een verblijfsvergunning asiel aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 21 maart 2006 afgewezen.

2. Bij besluit van 9 juli 2007 is eiser vanwege een strafrechtelijke veroordeling tot ongewenst vreemdeling verklaard. Bij besluit van 8 mei 2008 is het hiertegen door eiser ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 juli 2009, is het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) heeft op 30 november 2009 voornoemde uitspraak bevestigd.

3. Eiser heeft op 17 juli 2012 verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring. Dit verzoek is ingewilligd bij besluit van 1 mei 2013, waarin is tevens vermeld dat wordt afgezien van het opleggen van een inreisverbod.

4. Op 10 juli 2013 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het kader van 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'. Eiser beoogt verblijf bij zijn echtgenote, [naam 2], geboren op [geboortedatum 2], met wie hij op 19 april 2006 is gehuwd, en hun drie in Nederland geboren minderjarige kinderen.

Bij besluit van 26 september 2013 is deze aanvraag afgewezen en bij besluit van 11 november 2013 is het hiertegen door eiser ingediend bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juni 2014 (AWB 13/30967) van deze rechtbank is het daartegen door eiser ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 november 2013 vernietigd wegens schending van de hoorplicht. Op 14 oktober 2014 is eiser in bezwaar gehoord.

5. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser opnieuw ongegrond verklaard.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf (hierna: mvv) krachtens artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Blijkens de aan het besluit ten grondslag liggende motivering heeft verweerder in de belangenafweging in het nadeel van eiser zwaar gewicht toegekend aan de volgende omstandigheden.

Ten eerste dat eiser vanaf zijn meerderjarigheid zonder geldige verblijfstitel in Nederland is blijven wonen, hier te land gezinsleven is gaan uitoefenen, dit heeft geïntensiveerd zonder rechtmatig verblijf, zodat de gevolgen hiervan voor eigen rekening en risico van eiser komen. Ten tweede de omstandigheid dat eiser bij onherroepelijk vonnis van 4 april 2007 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Middelburg is veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens overtreding van artikel 312, tweede lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) en artikel 317, eerste lid, van het WvSr (met pleegdatum 15 december 2006). Weliswaar is de ongewenstverklaring van eiser bij beschikking van 1 mei 2013 opgeheven, maar sinds het plegen van de misdrijven zijn nog geen 20 jaar verstreken, waarbij verweerder heeft verwezen naar paragraaf B1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Ten derde de omstandigheid dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond, nu hij geen geldig op zijn naam gesteld document voor grensoverschrijding heeft overgelegd. Niet is gebleken dat pogingen van eiser om naar zijn land van herkomst terug te keren uitputtend zijn geweest. Ten vierde de omstandigheid dat zijn echtgenote niet voldoet aan het middelenvereiste, nu zij een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand geniet. Ten vijfde de omstandigheid dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in het buitenland uit te oefenen. De omstandigheid dat zowel eiser als zijn echtgenote reeds lange tijd in Nederland verblijven maakt niet dat een verhuizing naar het land van herkomst van eiser niet uitvoerbaar, haalbaar of proportioneel zou zijn, nu niet gebleken is van onoverkomelijke obstakels om in het land van herkomst te gaan wonen. Een verhuizing is proportioneel ten aanzien van de kinderen omdat er thans nog geen sprake is van worteling in Nederland, gelet op de nog jonge leeftijd van de kinderen (7, 6 en 2 jaar). Gelet op het voorgaande heeft verweerder een zwaarder gewicht toegekend aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat dan aan het persoonlijk belang van eiser om in Nederland gezinsleven uit te oefenen. Voorts wordt geen schending aangenomen van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op privéleven. Niet gebleken is dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die de gebruikelijke banden met Nederland overstijgen.

6. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend, nu wel degelijk sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven elders uit te oefenen. Eiser beroept zich op artikel 3, eerste lid, van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IRVK) en hij verwijst naar de arresten Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, Udeh tegen Zwitserland van 16 april 2013, nr.12020/09, en Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10, van het Europese Hof van de rechten van de mens (EHRM). Verweerder is in de belangenafweging voorbij gegaan aan het feit dat eiser op 13-jarige leeftijd met zijn ouders naar Nederland is gekomen en hij hierin dus geen eigen keuze heeft gehad. Het feit dat eiser niet eerder een verblijfstitel heeft gehad wordt minder zwaarwegend in het licht van het feit dat eiser in Nederland is opgegroeid, eiser niet uitzetbaar bleek, sprake is van langdurig verblijf en hij vele en sterke banden met Nederland heeft. Eiser is Azerbeidzjan geheel ontwend. Eiser heeft dit verband verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 5 november 2014 (AWB 14/11643). Eiser heeft voorts aangevoerd dat de delicten al lang geleden zijn gepleegd en dat geen sprake is van recidive. Daarnaast heeft hij meermalen tevergeefs geprobeerd aan identiteitsdocumenten te komen om een paspoort te verkrijgen, zodat deze omstandigheid ten onrechte ten nadele is meegewogen.

7. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift van 30 maart 2015 op het standpunt gesteld dat verweerder in het bestreden besluit een fair balance heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, waarbij alle aangevoerde belangen van eiser en zijn gezin zijn meegewogen en de uitkomst rechtens juist is dat het algemeen belang zwaarder weegt. Niet is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die dwingen tot verblijfsaanvaarding.

Ter verduidelijking merkt verweerder op dat bij die belangenafweging onder meer in het nadeel is meegewogen dat eiser zijn nationaliteit en identiteit nog steeds niet heeft aangetoond. Dit klemt te meer nu is gebleken dat eiser met zijn ouders in 1993 in Duitsland asiel heeft gevraagd onder naam [naam 3], geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats] (Armenië) en zijn moeder toen heeft verklaard dat hij de Armeense nationaliteit bezit (zie bovengenoemde uitspraak van 10 januari 2003). Hieruit volgt primair dat allerminst vast staat dat Azerbeidzjan het land van herkomst van eiser is. Verweerder ziet voorts geen objectieve belemmering voor eiser om het gezinsleven in Armenië vorm te geven. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat zijn echtgenote de Armeense nationaliteit heeft en hun drie kinderen tweetalig (Nederlands en Armeens) worden opgevoed. Gezien hun leeftijd en hetgeen overigens is aangevoerd, wordt niet gevolgd dat zij diepgaand zijn geworteld in de Nederlandse samenleving.

Het beroep op de arresten Nunez, Udeh, en Jeunesse slaagt volgens verweerder niet omdat de situatie van eiser wezenlijk verschilt. Eiser heeft anders dan in Jeunesse een strafblad. Daarnaast is hij niet de primaire verzorger van hun drie kinderen en is niet gebleken dat hij – buiten de contacten met zijn hier te lande verblijvende gezins- en familieleden aan wie allen op grond van de “Afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet” (hierna: RANOV) een verblijfsvergunning is verleend – sterke sociale, culturele of andere banden met de Nederlandse samenleving heeft opgebouwd. Voorts weegt mee dat verweerder heeft getracht eiser uit te zetten en dit niet is gelukt omdat eiser niet wilde meewerken aan zijn vertrek (vlg. de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, nr. 201302969/1/V1). Ook de zaken Udeh en Nunez zijn niet vergelijkbaar met die van eiser, nu aan hem geen inreisverbod is opgelegd en geen sprake is van inmenging in gezinsleven, aldus verweerder.

De rechtbank overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

9. Uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 maart 2014 in zaak nr. 201301616/1/V3 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de gezinsleden enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

10. De rechter moet beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en overweegt daartoe als volgt.

12. Verweerder heeft bij de belangenafweging onderkend dat eiser op jonge leeftijd met zijn ouders, broer en zus naar Nederland is gekomen en dat alle familieleden van eiser inmiddels een verblijfsvergunning hebben op grond van de RANOV-regeling. Daarbij heeft verweerder echter niet in de belangenafweging betrokken dat niet alleen eiser, maar ook zijn echtgenote op jonge leeftijd met haar familie naar Nederland is gekomen en dat ook aan haar en al haar familieleden een verblijfsvergunning op grond van de RANOV-regeling is verleend. Voorts staat vast dat het gezinsleven van eiser met zijn echtgenote reeds was aangevangen vóór de pleegdatum van de delicten (15 december 2006), waarvoor eiser bij vonnis van 4 april 2007 is veroordeeld. Naar de oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierdoor onvoldoende alle belangen van de echtgenote en de in verband hiermee ingeroepen subjectieve belemmering van de echtgenote om zich buiten Nederland te vestigen bij zijn belangenafweging betrokken.

13. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder in de belangenafweging ten nadele zwaar gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser bij vonnis van 4 april 2007 is veroordeeld voor een tweetal ernstige delicten. Verweerder heeft weliswaar onderkend dat de ongewenstverklaring van eiser bij besluit van 1 mei 2013 is opgeheven, maar heeft daarbij, onder verwijzing naar paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000, slechts overwogen dat nog geen twintig jaar sinds het plegen van de misdrijven zijn verstreken. Daarmee heeft verweerder er geen blijk van gegeven dat rekening is gehouden met het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten en de omstandigheid dat er geen sprake is van recidive. Verweerder heeft derhalve niet in dit geval beoordeeld of de persoonlijke gedragingen van eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen.

14. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat verblijfsweigering aan eiser geen schending van artikel 8 van het EVRM betekent.

15. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

16. Het beroep is gegrond.

17. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 980,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 980,- (negenhonderdtachtig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.