Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8313

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
C-09-489087 - FA RK 15-3872
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Karakter van de ‘overrule-beslissing’ ex artikel 11 lid 7 en 8 Brussel IIbis. Indien de rechterlijke instanties van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt achtergehouden (in onderhavige geval Litouwen) de terugkeer weigeren, blijft de beslissing ten gronde – in welke Staat zal het kind zijn of haar hoofdverblijf hebben? – voorbehouden aan de rechterlijke instanties van het land van herkomst, in het onderhavige geval Nederland. Deze laatste beslissing wordt wel eens aangeduid als een ‘overrule-beslissing’. Dit betekent echter niet dat – in het onderhavige geval – de Nederlandse rechter na toezending van de beslissing en de stukken in de Litouwse zaak bevoegd is (nogmaals) te beslissen op een verzoek tot teruggeleiding op basis van het HKOV. Daarnaast heeft te gelden dat uit het systeem van het HKOV volgt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van ‘uitgaande’ teruggeleidingszaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0256

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-3872

Zaaknummer: C/09/489087

Datum beschikking: 10 juli 2015

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 18 mei 2015 bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, ingekomen verzoek van:

[vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. I.M.G. Maste te Almere.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[tante]

de tante,

wonende te [woonplaats], Litouwen,

advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Delft.

Procedure

Bij beschikking d.d. 10 juni 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de in het petitum van het verzoekschrift onder punt 1 tot en met 6 gedane verzoeken en de zaak voor zover het de in het petitum van het verzoekschrift onder punt 1 tot en met 6 gedane verzoeken betreft naar de rechtbank Den Haag verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het gewijzigd verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het faxbericht d.d. 2 juni 2015, van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht d.d. 11 juni 2015, van de zijde van de tante.

Op 24 juni 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de advocaat van de tante. De tante is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon ter zitting verschenen.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht om – uitvoerbaar bij voorraad – :

  1. de onmiddellijke teruggeleiding naar Nederland te bevelen van zijn dochter [minderjarige], waarbij de vader de minderjarige zal ophalen om haar over te brengen naar Nederland;

  2. te bepalen dat de tante de minderjarige met de benodigde reisdocumenten aan de vader zal afgeven binnen één week na de te wijzen beschikking;

  3. te bepalen dat de tante de kosten aan de vader als bedoeld in artikel 26 lid 4 HKOV en artikel 13 lid 5 Uitvoeringswet zal betalen;

  4. de vader te machtigen, althans hem toestemming te verlenen om deze beschikking zo nodig ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

  5. dan wel een beslissing door de rechtbank in goede justitie te nemen waardoor [minderjarige] wordt teruggeleid naar Nederland;

een en ander met veroordeling van de tante in de kosten van de procedure.

De tante voert verweer tegen de verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de tante zelfstandig om – uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van de proceskosten – te bepalen dat de minderjarige bij teruggeleiding onder toezicht van een gecertificeerde instelling wordt gesteld en een machtiging uithuisplaatsing af te geven aan de gecertificeerde instelling, opdat de minderjarige in het gezin kan blijven waar zij thans verblijft.

Feiten

- [vader] en [moeder] (de moeder) hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te Lelystad.

- Na het overlijden van de moeder op [datum] oefent de vader van rechtswege het gezag over de minderjarige uit.

- De minderjarige verblijft feitelijk bij een tante moederszijde, [woonplaats], in Litouwen.

- Blijkens de gegevens uit het systeem ingevolge de Wet Basisregistratie Personen heeft de vader de Nederlandse nationaliteit en is burger van Bangladesh. De tante heeft de Litouwse nationaliteit. De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    Bij beschikking van 27 februari 2015 is het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland afgewezen door de [gerecht] County Court te Litouwen.

  • -

    Bij beschikking van 9 april 2015 is voornoemde beslissing bekrachtigd door het Court of Appeal te [gerecht], Litouwen.

Beoordeling

Rechtsmacht

De verzoeken van de vader tot onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige van Litouwen naar Nederland en de in dat kader verzochte afgifte van de minderjarige zijn (naar hun aard) gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Litouwen zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

De vader heeft, zoals vermeld onder de feiten, reeds bij de rechterlijke autoriteiten Litouwen een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige. De rechterlijke autoriteiten in Litouwen hebben, zowel in eerste instantie als in hoger beroep, het verzoek om de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland te gelasten afgewezen.

De beslissing van het Court of Appeal te [gerecht], Litouwen d.d. 9 april 2015 is – op de voet van artikel 11 lid 6 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/200 (hierna: Brussel IIbis) – op 30 maart 2015 via de Centrale Autoriteiten van Litouwen en van Nederland en de Nederlandse liaisonrechter internationale kinderbescherming toegezonden aan de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad, opdat die rechtbank, zijnde het bevoegde gerecht van de lidstaat waar de minderjarige onmiddellijk voor het niet doen terugkeren haar gewone verblijfplaats had, op de voet van artikel 11 lid 7 Brussel IIbis de kwestie van het gezagsrecht kan onderzoeken.

De bepalingen van Brussel IIbis met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid zien op civiele procedures ten gronde betreffende – voor zover hier van belang - de ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze bepalingen staan los van de vraag of een kind dat ongeoorloofd naar een andere lidstaat is overgebracht, of in die lidstaat wordt achtergehouden, onmiddellijk moet terugkeren naar de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats. De behandeling van een verzoek als het onderhavige, dat strekt tot een last tot teruggeleiding van een minderjarige naar zijn gewone verblijfplaats, is naar zijn aard geen procedure ten gronde doch veeleer een rechtshulpverzoek aan de lidstaat waarin het kind werkelijk verblijft (zie ook Gerechtshof Den Haag 25 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:

BK4259) en heeft het karakter van een ordemaatregel. De beoordeling van een dergelijk verzoek – en in dat verband de rechtsmacht – wordt beheerst door het Verdrag. Artikel 11 Brussel IIbis wijst geen bevoegde rechter aan met betrekking tot deze specifieke, door het Verdrag voorziene spoedprocedure waarin bij wege van ordemaatregel de teruggeleiding van het ontvoerde kind kan worden gelast, maar stelt alleen aanvullende regels voor de te volgen procedure. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot het onderhavige verzoek kan derhalve niet worden gegrond op het bepaalde in artikel 8 dan wel artikel 11, dan wel enige andere bepaling van Brussel IIbis.

Indien en voor zover de vader de rechtsmacht van de Nederlandse rechter grondt op het bepaalde in het Verdrag, overweegt de rechtbank als volgt. In het Verdrag is niet geregeld welke rechterlijke autoriteit in geval van een rechtstreeks bij de rechter ingediend verzoek tot teruggeleiding bevoegd is daarvan kennis te nemen. De beslissing op een op het Verdrag gebaseerd verzoek tot onmiddellijke teruggeleiding is geen beslissing ten gronde, doch heeft het karakter van een ordemaatregel. Gelet op de systematiek van het Verdrag moet worden aangenomen dat een op het Verdrag gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt. Een en ander vindt steun in artikel 12 lid 1 van het Verdrag, inhoudende dat na indiening van het verzoek bij de rechterlijke autoriteit van de verdragsluitende staat waar het kind zich bevindt, de betrokken autoriteit de onmiddellijke terugkeer van het kind gelast (HR 9 december 2011, LJN: BU 2834). Nu de minderjarige bij haar tante in Litouwen verblijft, is in dit geval niet de Nederlandse, maar de Litouwse rechter bevoegd om op grond van het Verdrag te oordelen over een verzoek tot onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland.

Het vorenstaande komt samengevat op het volgende neer. Het systeem ingevolge het Verdrag, aangevuld door Brussel IIbis, voorziet erin dat een verzoek tot teruggeleiding van een kind dat ongeoorloofd naar een andere lidstaat is overgebracht of daar wordt achtergehouden, wordt behandeld door de rechterlijke instanties van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt achtergehouden, in het onderhavige geval Litouwen. Indien die rechterlijke instanties de terugkeer weigeren blijft de beslissing ten gronde – in welke Staat zal het kind zijn of haar hoofdverblijf hebben? – voorbehouden aan de rechterlijke instanties van het land van herkomst, in het onderhavige geval Nederland. Deze laatste beslissing wordt wel eens aangeduid als een ‘overrule-beslissing’. Dit betekent echter niet dat – in het onderhavige geval – de Nederlandse rechter na toezending van de beslissing en de stukken in de Litouwse zaak bevoegd wordt (nogmaals) te beslissen op het verzoek tot teruggeleiding.

De conclusie luidt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van de vader. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van het zelfstandig verzoek van de tante.

Dit laat onverlet dat de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad, nog dient te beslissen op de in het gewijzigd verzoekschrift gedane verzoeken onder punt 7 tot en met 9 op grond van artikel 11, lid 6 tot en met 8 Brussel IIbis.

Proceskosten

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal de rechtbank de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, J. Visser en H. Dragtsma, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2015.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.