Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8239

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 208
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:680, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet LB 1964

X BV heeft drie werknemers in dienst die in 2013 een loon genoten van meer dan € 150.000. Over het tijdvak maart 2014 heeft eiseres op grond van artikel 32bd Wet LB 1964 de zogenoemde pseudo-eindheffing hoog loon afgedragen over het loon voor zover dat meer bedroeg dan

€ 150.000. De inspecteur heeft het tegen die afdracht ingediende bezwaar afgewezen.

X stelt dat de heffing in strijd is met de wetssystematiek, alsmede in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, en daarnaast in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 26 van het IVBPR.

Rechtbank Den Haag verklaart het beroep ongegrond. Zij verwijst naar de overwegingen in de uitspraak van Hof Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2014:9329. Het oordeel van de wetgever om de heffing te verlengen tot en met het jaar 2014 is niet van redelijke grond ontbloot.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 32bd
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1740
FutD 2015-1954 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/208

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft in april 2014 voor het tijdvak maart 2014 aangifte loonheffingen gedaan. In die aangifte is begrepen een te betalen bedrag van € 36.964 aan pseudo-eindheffing hoog loon. Dit bedrag heeft eiseres op 29 april 2014 aan verweerder afgedragen.

Eiseres heeft tegen de afdracht van de pseudo-eindheffing hoog loon bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft een groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing.

2. De pseudo-eindheffing hoog loon opgenomen in artikel 32bd Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), die in eerste instantie als éénmalige heffing voor het jaar 2013 zou gelden (zie MvT, vergaderjaar 2011-2012, nr. 33287, nr. 3 blz. 22 en 23 en Handelingen EK 2011/12, 33 287, 30 juli 2012, 37-7-63), is verlengd tot 1 januari 2015. Omdat de eerder ingevoerde maatregelen, waaronder de pseudo-eindheffing hoog loon 2013, onvoldoende waren om (tijdig) te voldoen aan de Europese begrotingsafspraken en te zorgen voor duurzame solide overheidsfinanciën, heeft de regering aanvullende maatregelen genomen. Eén van die maatregelen was de verlenging van de pseudo-eindheffing hoog loon tot en met het jaar 2014. Deze verlenging is aangekondigd in de brief van de Minister van Financiën van 1 maart 2013 (Kamerstuk II, vergaderjaar 2012–2013, 33566, nr. 1, blz. 7). Bij brief van 11 april 2013 hebben de Minister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer bericht dat het kabinet afziet van het op 1 maart 2013 voorgestelde pakket. Daarbij is aangegeven dat het kabinet aanvullende maatregelen zou nemen indien de MEV-raming van het CPB gegeven het saldodoel 2014 daartoe aanleiding zou geven.

Het wetsvoorstel met daarin de verlenging is op 17 september 2013 (Nota over de toestand van ’s rijks financiën, 2013/2014, 33 750, nr. 1, blz. 77) aan de Tweede Kamer aangeboden, met Memorie van Toelichting waarin de pseudo-eindheffing hoog loon is toegelicht (TK, vergaderjaar 2013-2014, nr. 33 752, nr.3, blz. 20, 69 en 72). In de nota naar aanleiding van het verslag van 21 oktober 2013 (kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 11, blz. 57 en 58) is een nadere toelichting gegeven op de (beslissing tot) verlenging. Op 18 december 2013 heeft publicatie in het Staatsblad plaatsgevonden (Staatsblad 2013, nr. 565 blz. 39, 41 en 42, uitgave 23 december 2013).

3. De grondslag voor de pseudo-eindheffing hoog loon 2014 bij eiseres wordt gevormd door (een gedeelte van) het loon van drie van de werknemers van eiseres. Eiseres heeft in mei 2013 aan die werknemers bonussen uitbetaald die (deels) betrekking hadden op het jaar 2012.

Geschil
4.In geschil is of de pseudo-eindheffing hoog loon als geregeld in artikel 32bd van de Wet LB 1964 in strijd is met het wettelijke systeem, met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en met artikel 14 EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Voorts is in geschil of de verlenging van de pseudo-eindheffing hoog loon in strijd is met het in artikel 1 EP neergelegde vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres beantwoordt deze vragen bevestigend, verweerder ontkennend.

5. Voor haar standpunten en onderbouwing daarvan heeft eiseres dezelfde argumenten aangevoerd als in rechtsoverweging 4.2 in de procedure van haar moedermaatschappij bij Hof Den Haag betreffende het jaar 2013 (procedurenr. BK-14/00837) met uitzondering van hetgeen daarin is gesteld over een disproportionele last en over de ongelijkheid ten opzichte van werknemers die tevens aanmerkelijk belanghouder zijn. Met betrekking tot de heffing voor het jaar 2014 neemt eiseres het standpunt in dat al het loon dat is genoten tussen 1 januari 2013 en 31 december 2013 of 23 december 2013 of 17 september 2013, dan wel 1 maart 2013, uit de grondslag voor de heffing moet worden verwijderd. Eiseres stelt voorts dat de heffing in het algemeen disproportionele wetgeving betreft en daarom buiten werking dient te worden gesteld. De verlenging van de heffing is ook in strijd met het in met artikel 1 EP neergelegde vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van haar beroep en tot vermindering van de afdracht loonheffing conform door haar ingenomen standpunten.

6. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de uitspraak van Hof Den Haag, nrs. BK-14-00585 t/m BK-14-00588, ECLI:NL:GHDHA:2014:4131. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Verzoek tot aanhouden van het beroep

7. Eiseres heeft verzocht de behandeling van haar beroep aan te houden totdat de Hoge Raad heeft beslist in de door haar aangehaalde proefprocedures betreffende de pseudo-eindheffing hoog loon. De rechtbank ziet, het verzoek afwegend tegen het algemene procesbelang van een spoedig afgewikkelde procedure, onvoldoende grond om het verzoek van eiseres in te willigen. Niet gebleken is dat eiseres zwaarwegende belangen heeft, die nopen tot het inwilligen van het verzoek tot aanhouding.

De heffing

8. Hof Den Haag heeft op 22 april 2015 uitspraak gedaan in de in 5 hiervoor vermelde zaak (vindplaats op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHDHA:2015:981). De rechtbank verwijst voor de beoordeling van het onderhavige geschil naar de rechtsoverwegingen van voornoemde uitspraak van Hof Den Haag (een kopie daarvan is gehecht aan deze uitspraak).

9. Aangaande het standpunt van eiseres dat de pseudo-eindheffing hoog loon 2014 in strijd is met het in artikel 1 EP neergelegde vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel omdat was (toe)gezegd dat de heffing alleen voor het jaar 2013 zou gelden, oordeelt de rechtbank als volgt. Voorop moet worden gesteld dat aan de wetgever op fiscaal gebied volgens vaste rechtspraak van het EHRM een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, in die zin dat diens oordeel moet worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is. Verder dient in dit verband te worden opgemerkt dat terugwerkende kracht van fiscale wetgeving ten nadele van de belastingplichtige op zichzelf geen inbreuk vormt op artikel 1 EP. Van een inbreuk op deze bepaling is eerst sprake indien de wetgevende maatregel die in terugwerkende kracht voorziet, geen 'fair balance' teweegbrengt tussen de betrokken belangen, waaronder het belang van de belastingplichtige dat diens gerechtvaardigde verwachtingen worden gerespecteerd. Deze balans ontbreekt indien de desbetreffende maatregel in de omstandigheden van het concrete geval voor de belastingplichtige leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden').

10. De parlementaire geschiedenis over de verlenging van de pseudo-eindheffing hoog loon tot en met het jaar 2014 (zie onder 2) laat zien dat aan het besluit tot verlenging een uitvoerige belangenafweging is voorafgegaan waarom is afgezien van de afschaffing van de pseudo-eindheffing hoog loon met ingang van het jaar 2014. Net als bij de invoering van de pseudo-eindheffing hoog loon 2013 acht de rechtbank het oordeel van de wetgever, gelet op de noodzaak van het terugdringen van het begrotingstekort, niet van redelijke grond ontbloot. Dat eerder is gezegd dat de heffing alleen in het jaar 2013 zou plaatsvinden, maakt dit oordeel niet anders.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. J.P.F. Slijpen en

mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.