Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8213

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
AWB 15/10548
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring, zicht op uitzetting Somalië.

Verweerder heeft aangevoerd dat de gedwongen uitzetting van eiser door verweerder op 1 mei 2015 is besproken met de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst. De rechtbank stelt vast dat, zoals eiser ook ter zitting heeft gesteld, met betrekking tot dit gesprek - of voortgang naar aanleiding van dit gesprek - geen gegevens zijn opgenomen in de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens (Model M120). Tevens stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het instellen van het beroep, vier weken nadien, verweerder geen enkele reactie van de Somalische autoriteiten heeft ontvangen naar aanleiding van het gesprek. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er dan ook onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de verwachting dat het contact met de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst zal leiden tot een gedwongen uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn, nu verweerder bovendien ter zitting heeft verklaard dat een reactie van de Somalische autoriteiten tot op heden is uitgebleven. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat op grond van de voortgang van het onderhandelingsproces, de verzending van de MoU en de Note Verbale en het voorgenomen overleg tussen partijen, zicht op een gedwongen uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Ter zitting heeft verweerder niet nader kunnen toelichten of - en zo ja, wanneer - de onderhandelingen zouden kunnen leiden tot de realisatie van gedwongen uitzettingen en gesteld noch gebleken is dat er thans gedwongen uitzettingen zijn gepland. Het beroep is gegrond, de bewaring wordt opgeheven met ingang van de datum van het instellen van het beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15 / 10548

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit, verblijvende in het [verblijfplaats],

eiser,

(gemachtigde: mr. S. Faber, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Op 20 april 2015 is aan eiser de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft op 28 mei 2015 beroep ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de maatregel van bewaring en verzocht schadevergoeding toe te kennen.

Verweerder heeft voortgangsgegevens d.d. 2 juni 2015 over de uitzetting van eiser ingediend.

De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 juni 2015. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij ingevolge artikel 96, derde lid, Vw het beroep gegrond.

  2. Bij de belangenafweging zal de rechtbank in ieder geval betrekken de duur van de maatregel van bewaring, de wijze waarop eiser invulling heeft gegeven aan zijn vertrekplicht en de activiteiten die verweerder heeft verricht om het vertrek van eiser te bespoedigen.

  3. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft een eerder beroep tegen de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om het toekennen van schadevergoeding afgewezen bij uitspraak van 8 mei 2015 (AWB 15 / 8365).

  4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft op 13 mei 2015 geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn ontbreekt. Derhalve is de maatregel van bewaring onrechtmatig. Bovendien zijn, afgezien van de vertrekgesprekken, geen uitzettingshandelingen verricht. Verweerder heeft evenmin contact gehad met de Somalische autoriteiten en zelfs geen pogingen daartoe gedaan. Verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel degelijk nog zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig is en dat voldoende voortvarend is gehandeld. Daarbij neemt verweerder de bijzondere omstandigheid in acht dat deze zaak op 1 mei 2015 is voorgelegd aan de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst. De directeur-generaal stond niet onafwijzend tegenover de gedwongen terugkeer van eiser. Daarnaast staat een overleg gepland tussen alle partijen die betrokken zijn bij de gedwongen uitzetting van Somaliërs voor deze week, of volgende week. In dit overleg zal een plan van aanpak en vervolgstappen besproken worden. Het onderhandelingsproces met de Somalische autoriteiten is nog gaande en loopt gestaag, nu in maart 2015 een nieuw Memorandum of Understanding (MoU) en medio april 2015 een zogenoemde Note Verbale zijn verzonden aan de Somalische autoriteiten. Gezien het voorgaande, verzoekt verweerder de reactie van de Somalische autoriteiten af te wachten.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft aangevoerd dat de gedwongen uitzetting van eiser op 1 mei 2015 is besproken met de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst. De rechtbank stelt vast dat, zoals eiser ook ter zitting heeft gesteld, met betrekking tot dit gesprek - of voortgang naar aanleiding van dit gesprek - geen gegevens zijn opgenomen in de door verweerder verstrekte voortgangsgegevens (Model M120). Tevens stelt de rechtbank vast dat ten tijde van het instellen van het beroep, vier weken nadien, verweerder geen enkele reactie van de Somalische autoriteiten heeft ontvangen naar aanleiding van het gesprek. Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er dan ook onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de verwachting dat het contact met de directeur-generaal van de Somalische immigratiedienst zal leiden tot een gedwongen uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn, nu verweerder bovendien ter zitting heeft verklaard dat een reactie van de Somalische autoriteiten tot op heden is uitgebleven. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat op grond van de voortgang van het onderhandelingsproces, de verzending van de MoU en de Note Verbale en het voorgenomen overleg tussen partijen, zicht op een gedwongen uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Ter zitting heeft verweerder niet nader kunnen toelichten of - en zo ja, wanneer - de onderhandelingen zouden kunnen leiden tot de realisatie van gedwongen uitzettingen en gesteld noch gebleken is dat er thans gedwongen uitzettingen zijn gepland.

5. Het beroep is gegrond. De andere beroepsgrond behoeft geen bespreking meer. De rechtbank zal de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel bevelen met ingang van heden.

6. De rechtbank zal aan eiser met toepassing van artikel 106 Vw een schadevergoeding toekennen met ingang van de datum van het indienen van het beroepschrift, te weten 28 mei 2015. Voor het verblijf van eiser in het [verblijfplaats] wordt een schadevergoeding van € 80,- per dag toegekend. De rechtbank zijn geen omstandigheden gebleken die tot matiging van de schadevergoeding zouden moeten leiden. De rechtbank begroot de schadevergoeding van eiser daarom op € 880,- (11 nachten in het [verblijfplaats]). De griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, betaalt op grond van artikel 93 Wetboek van Strafvordering het bedrag van de vergoeding uit.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Algemene wet bestuursrecht (Awb) verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 980,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiser.


Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden;

- draagt verweerder op € 880,- als schadevergoeding aan eiser te betalen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 980,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R. Mattemaker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2015.

griffier rechter

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 880,- uit te betalen.

Gedaan op 8 juni 2015, door mr. G.W.S. de Groot, rechter.

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.