Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8194

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
VK-14_20370
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nigeria, Boko Haram, christen, vestigingsalternatief, traumatabeleid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/20370

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [naam 2], geboren [geboortedatum],

gemachtigde mr. M.C.M. van der Mark,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 september 2014, waarbij de asielaanvraag van eiseres is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting op 26 januari 2015 is op verzoek van de gemachtigde van eiseres aangehouden omdat eiseres wegens persoonlijke omstandigheden niet aanwezig kon zijn. Verweerder was op die zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. J.C.O. Stiphout. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 9 maart 2015. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.F.E. Verdonck. Tevens was ter zitting aanwezig J.J. van Ravensteijn, tolk in de Engelse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten. Zij behoort tot de Igbo-bevolkingsgroep en is christen. Op 9 maart 2012 heeft eiseres aangifte inzake mensenhandel gedaan. Deze aangifte is tevens aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op 13 maart 2012 is eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘slachtoffer van mensenhandel’ verleend. De aangifte van eiseres is op 10 september 2012 geseponeerd. Op 4 oktober 2012 is een voornemen uitgebracht om de aan eiseres verleende vergunning in te trekken.

2. Op 22 november 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘slachtoffer van mensenhandel’ in een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De aanvraag is bij besluit van 28 februari 2013 afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 16 december 2013 het door eiseres hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Op 10 januari 2014 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij is gevlucht omdat haar vader, pastor, en haar broer bij een overval door Boko Haram tijdens een kerkdienst gedood zijn in januari 2012 en dat haar moeder daarbij gewond is geraakt. Tevens vreest eiseres voor besnijdenis.

4. Verweerder heeft op 24 maart 2014 een afwijzend voornemen uitgebracht. Op 7 juli 2014 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een advies uitgebracht. Verweerder heeft op 22 juli 2014 een aanvullend voornemen uitgebracht.

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres met toepassing van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000), afgewezen. Tevens is eiseres op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel tot vertrek verleend voor de periode van 23 juli 2014 tot en met 15 oktober 2014.

6. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder haar ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegenwerpt. Bij terugkeer loopt eiseres het risico op vervolging of onmenselijke behandeling omdat ze christen is. De autoriteiten zijn niet in staat haar bescherming te bieden tegen de aanslagen van Boko Haram. Daarbij komt dat zij het risico op besnijdenis loopt.

Ten onrechte is volgens eiseres een vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen. Zij kan immers niet terugvallen op een sociaal netwerk en familie. Haar psychische klachten zullen daardoor eveneens verergeren. Eiseres beroept zich in dit verband op paragraaf C2/6.1 van de Vc 2000 en wijst hierbij op UNHCR Guidelines on International Protection, punten 25 en 26. Eiseres beroept zich voorts op het traumatabeleid van verweerder. De algemene veiligheidssituatie verslechtert vanwege aanhoudend geweld van rebellen en Boko Haram. Ter onderbouwing van haar stelling wijst eiseres op het UNHCR rapport, Nigeria Protection Considerations Noordoost/Nigeria en artikelen van BBC en Reliefweb. Eiseres beroept zich in de aanvullende beroepsgronden op het nieuwe beleid van verweerder inzake de integrale toetsing van de geloofwaardigheid van asielrelazen.

7. Verweerder handhaaft in het verweerschrift zijn standpunt en merkt aanvullend op dat eiseres een vestigingsalternatief in het zuiden van Nigeria tegengeworpen mag worden omdat verweerder ervan uit gaat dat de ouders en broer van eiseres nog in leven zijn en eiseres daar nog over een sociaal netwerk beschikt. Verweerder acht zijn nieuwe beleid niet voor eiseres van toepassing.

De rechtbank overweegt als volgt.

8. Nu de beroepsgrond van eiseres die betrekking heeft op het nieuwe beleid van verweerder inzake de integrale toetsing van de geloofwaardigheid van asielrelazen, neergelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2014/36 en Werkinstructie 2014/10 en in werking getreden op 1 januari 2015, betrekking heeft op het toetsingskader in deze zaak, zal de rechtbank daarop het eerst ingaan.

9. Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 houdt de rechtbank rekening met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. Bij twee uitspraken van 9 april 2015, nrs. ECLI:NL:RVS:2015:1201 en 1203, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bepaald dat de bij WBV 2014/36 en Werkinstructie 2014/10 geïntroduceerde integrale beoordeling van de geloofwaardigheid geen wijziging van beleid is, als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, en dus geen wijziging van het recht. De rechtbank verwijst voor de toelichting bij dit oordeel naar voormelde uitspraken van de Afdeling en neemt dit oordeel over. Dit betekent dat verweerder niet gehouden was om (alsnog) een integrale beoordeling te maken, zoals beschreven in het nieuwe beleid, van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.

10. Over het standpunt van verweerder dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van reisdocumenten bij eiseres overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eiseres in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat zij geen bescheiden heeft overgelegd ter onderbouwing van haar reisroute. Eiseres heeft verklaard dat zij in januari 2012 vanuit Nigeria door een chauffeur in een grote truck is meegenomen naar Benin. In februari 2012 is ze als verstekeling op een containerschip naar Nederland gereisd. Ter verklaring van het feit dat eiseres niet over de noodzakelijke reisdocumenten beschikt en weinig van de reis kan vertellen, heeft eiseres betoogd dat zij ernstig getraumatiseerd was door de gebeurtenissen waarvoor ze gevlucht is. Dat neemt niet weg dat van eiseres verwacht mag worden dat zij detailinformatie kan verstrekken over plaatsen die gepasseerd werden, over de vraag of controles hebben plaatsgevonden en over de vervoersmiddelen waarmee gereisd is.

11. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid toepassing kunnen geven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d en f, van de Vw 2000. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht uitgaat.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiseres over de aanval door Boko Haram op de kerk geloofwaardig acht. Verweerder acht de verklaringen van eiseres over de gestelde dood van haar ouders en haar broer niet geloofwaardig, omdat eiseres is gevlucht en niet is teruggekeerd om zich te vergewissen of haar familie daadwerkelijk was gedood. Verder wordt vastgesteld dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat verweerder de verklaring dat de ouders en de broer zijn neergeschoten door Boko Haram in de kerk, wel geloofwaardig acht. Overwogen wordt dat uit de verklaringen van eiseres, afgelegd tijdens het nader gehoor en uit de door eiseres daarbij gemaakte situatieschets, naar voren komt dat de vader en de broer van eiseres tijdens de aanval van Boko Haram nabij het altaar stonden en van zeer dichtbij zijn neergeschoten. De moeder van eiseres bevond zich vooraan in de kerk en werd ook neergeschoten. Volgens eiseres bewoog zij echter nog. Eiseres bevond zich op grotere afstand van het altaar en wist, samen met een aantal andere kerkgangers, te ontkomen. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen dat eiseres zich na haar vlucht uit de kerk had kunnen vergewissen of haar familieleden daadwerkelijk waren overleden. Dit neemt niet weg, dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet geloofwaardig is dat de vader en de broer van eiseres zijn overleden, gelet op het door verweerder niet bestreden feit dat zij van zeer korte afstand door geweerschoten van Boko Haram zijn getroffen en daarna niet meer hebben bewogen. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

13. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de problemen die eiseres van de zijde van Boko Haram heeft ondervonden onvoldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin loopt eiseres een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat de aandacht van Boko Haram niet specifiek op de persoon van eiseres was gericht, maar op christenen in het algemeen, aldus verweerder.

14. De rechtbank overweegt dat verweerder niet in twijfel heeft getrokken en dit desgevraagd ter zitting bevestigd heeft dat eiseres belijdend christen is en dochter van een pastor. Tevens acht de rechtbank van belang dat verweerder niet betwist heeft dat de ouders en broer van eiseres zijn neergeschoten; verweerder betwijfelt alleen de gestelde dood van betrokkenen en is van mening dat het lot van de familie ongewis is. De rechtbank overweegt dat in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Nigeria van oktober 2012, paragraaf 2.4.2 staat dat “met name in centraal en noord-Nigeria al lange tijd spanningen tussen moslims en christenen bestaan. Er was in de verslagperiode van het ambtsbericht sprake van een trek van christenen uit het overwegend islamitische noorden naar het zuiden en naar omringende landen als Niger en Tsjaad uit angst voor de toenemende gewelddadigheden. In diverse steden kwam het tot ernstige gewelddadigheden, waarbij honderden doden en gewonden vielen en huizen, scholen, kerken en moskeeën in vlammen opgingen. Onder de bevolking in getroffen gebieden leeft veelal de angst voor nog meer aanslagen en vergeldingsacties”. Dit beeld wordt bevestigd door de door eiseres overgelegde rapportages en artikelen van recentere datum over aanslagen gepleegd door Boko Haram. De rechtbank overweegt dat hieruit is af te leiden dat eiseres als belijdend christen wel degelijk in de negatieve, individuele belangstelling van Boko Haram staat, te meer daar zij dochter is van een pastor, wat een verhoogd risicoprofiel met zich meebrengt. De rechtbank wijst er verder op dat ingevolge artikel 3.35, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) het feit dat eiseres in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging dan wel aan ernstige schade, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van eiseres voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is en het risico om te worden onderworpen aan ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zullen voordoen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet in de negatieve belangstelling van Boko Haram zou staan.

15. Voorts is niet in geschil dat eiseres te vrezen heeft voor besnijdenis. Verweerder heeft eiseres echter een vlucht- of vestigingsalternatief in het zuiden van, of elders in, Nigeria tegengeworpen, waar zij niet te vrezen heeft voor besnijdenis en waar zij zich eveneens aan de invloed van Boko Haram kan onttrekken, aldus verweerder. Eiseres heeft zich in dit verband beroepen op de UNHCR Guidelines on International Protection, punten 25 en 26, waarin onder meer gesteld wordt: ‘The personal circumstances of an individual should always be given due weight in assessing whether it would be unduly harsh and therefore unreasonable for the person to relocate in the proposed area.’ Daarnaast wordt gesteld: ‘Psychological trauma arising out of past persecution may be relevant in determining whether it is reasonable to expect the claimant to relocate in the proposed area.’ Naar het oordeel van de rechtbank vloeit ook uit het bepaalde in artikel 3.37d, tweede lid, van het VV 2000 voort dat verweerder moet onderzoeken of de algemene omstandigheden en de persoonlijke omstandigheden zodanig zijn dat verblijf in het beoogde vlucht- of vestigingsalternatief van de vreemdeling gevergd kan worden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat eiseres terug kan vallen op de bescherming van haar ouders en broer, nu verweerder zelf beaamt dat hun lot ongewis is en verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat het overlijden van de vader en de broer van eiseres niet geloofwaardig is. Eiseres kan evenmin terugvallen op familie die nog woonachtig is in het zuiden, want zij hangen het Arose geloof aan en zijn voorstander van besnijdenis. Eiseres kan evenmin ondersteuning vragen aan de gemeenschap van de [naam kerk] waartoe zij behoorde, aangezien deze in het noorden gevestigd is en daar de overval door Boko Haram heeft plaatsgevonden. Verder overweegt de rechtbank dat het BMA-advies van 7 juli 2014 uitgaat van de diagnose PTSS bij eiseres en dat het uitblijven van behandeling een reële kans op toename van klachten betekent. In het BMA-advies kon bij de beoordeling bovendien nog niet worden betrokken dat eiseres de zorg draagt voor een jong kindje, geboren in augustus 2014, dat met ernstige gezondheidsproblemen te maken heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op het vorenstaande in strijd met artikel 3:2 van de Awb de persoonlijke omstandigheden van eiseres onvoldoende onderzocht, alvorens een vestigingsalternatief tegen te werpen.

16. De rechtbank overweegt dat een asielzoeker volgens hoofdstuk C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 op grond van het traumatabeleid in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als gevolg van daden die zijn veroorzaakt door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan; indien hij aanwezig was als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling en betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat deze gebeurtenis aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat er causaal verband is tussen de overval door Boko Haram in januari 2012 op de kerk, waar eiseres de dienst bijwoonde, en haar vlucht. Anders dan verweerder heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank het optreden van Boko Haram, onder verwijzing naar de hierboven geciteerde artikelen, rapportages en het ambtsbericht, onder de definitie van politieke groepering die de feitelijke macht uitoefent in een deel van het land van herkomst en waartegen de autoriteiten geen bescherming kunnen bieden. Verweerder wordt voorts niet gevolgd in zijn standpunt dat voor toepassing van het traumatabeleid is vereist dat de familieleden bij de gestelde gebeurtenis om het leven moeten gekomen zijn. Aannemelijk dient te zijn dat eiseres aanwezig was als getuige bij ernstige mishandeling van naaste familieleden. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verklaringen van eiseres over de aanval door Boko Haram op de kerk geloofwaardig heeft geacht en niet betwist heeft dat haar ouders en broer zijn neergeschoten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op het vooroverwogene, in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid.

17. Gelet op het vooroverwogene is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit is in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

18. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.225 (1 punt voor het beroepschrift, 1,5 punt voor het verschijnen op twee zittingen, met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.225 (twaalfhonderdvijfentwintig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.