Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8192

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
16-07-2015
Zaaknummer
VK-14_19215
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Libië, intrekking vva bep. tijd, afwijzing aanvraag verlening bep. tijd en verlenen onbep. tijd, feitelijke grond voor verlening vervallen,

geen pok, geen 15c

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/19215

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 juli 2015 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde mr. P.C.M. van Schijndel,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. A. Hadfy Kovacs.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 augustus 2014 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Bourik, tolk in de Libisch-Arabische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Libische nationaliteit te bezitten. Op 17 juni 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 15 oktober 2008 heeft verweerder de gevraagde vergunning aan eiser verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met ingang van 17 juni 2008 en geldig tot 17 juni 2013. Op 25 februari 2013 heeft verweerder een voornemen kenbaar gemaakt tot intrekking van de verleende vergunning. Eiser heeft op 15 mei 2013 een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan wel een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingediend. Op 18 maart 2014 heeft verweerder een voornemen uitgebracht tot afwijzing van deze aanvraag.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken tot 20 juli 2012 omdat de grond voor verlening is komen te vervallen. Verweerder heeft bij hetzelfde besluit de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libië van 25 mei 2012 blijkt dat de verandering van omstandigheden door de regimewijziging en de dood van Gadaffi een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter heeft en er in het algemeen geen beperkingen voor Libiërs gelden om het land in en uit te reizen. Voorts heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser op grond van zijn eerdere relaas (ex-tunctoets) dan wel zijn huidige situatie (ex-nunctoets) niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op een van de (overige) gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Tot slot heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

3. Eiser heeft in beroep, onder verwijzing naar de zienswijze(n), aangevoerd dat de aan hem verleende asielvergunning ten onrechte is ingetrokken en dat zijn verzoek om verlenging ten onrechte is afgewezen. Eiser stelt dat intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd is met het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel en dat sprake is van willekeur. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is ten onrechte aan hem tegengeworpen en van zijn asielrelaas gaat positieve overtuigingskracht uit. Eiser persisteert bij zijn verklaring dat hij zich destijds als gids ten overstaan van Italiaanse toeristen negatief heeft uitgelaten over Gaddafi en het toenmalige Libische regime en dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat de veiligheidsagent die de groep begeleidde Italiaans verstond.

Daarnaast zijn er nieuwe feiten en ontwikkelingen waardoor hij niet terug kan keren naar Libië. Zijn tweelingbroer [naam 1] heeft meegevochten in het leger van Gaddafi tegen het Libische volk en de stam waartoe eiser behoort steunde destijds Gaddafi. Hierdoor loopt eiser bij terugkeer naar Libië een veiligheidsrisico.Verder is de veiligheidssituatie in Libië verslechterd en is in Libië sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2011/95/EU, voorheen: 2004/83/EG (de Definitierichtlijn).

4. In artikel 29 van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

Ingevolge artikel 3.37e van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000), voor zover hier van belang, wordt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, wordt ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, in aanmerking genomen of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen. De rechtsgrond voor verlening van de desbetreffende verblijfsvergunning heeft niet opgehouden te bestaan indien de vreemdeling dwingende redenen kan aanvoeren die voorvloeien uit vroegere vervolging dan wel uit vroegere ernstige schade, om te weigeren de bescherming in te roepen van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, of, in het geval van een staatloze, van het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfsplaats had.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er als gevolg van de regimewijziging in 2011 in Libië sprake is van een wijziging van omstandigheden in Libië van een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter, in de zin van artikel 3.37e van het VV 2000. Verweerder heeft zich in dit verband kunnen beroepen op het algemeen ambtsbericht over Libië van de minister van Buitenlandse zaken van 25 mei 2012 en op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 oktober 2013 met zaaknummer 201207680/1/V4 (www.raadvanstate.nl). Daarmee is de grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, op basis waarvan eiser op 15 oktober 2008 een asielvergunning werd verleend, niet langer aanwezig.

Er is geen sprake van strijd met het vertrouwens-, rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel of van willekeur. Iedere vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet wegens het tijdelijke karakter ervan rekening met verblijfsbeëindiging houden. Er is nooit aan eiser toegezegd dat zijn verblijfsvergunning niet zou worden ingetrokken of dat aan hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zou worden verleend. Verweerder heeft verklaard dat in gelijke gevallen, namelijk zaken van Libische asielzoekers die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hadden verkregen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vanwege de algemene situatie, eveneens de verblijfsvergunning is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 juli 2012.

6. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Allereerst moet, gelet op de beroepsgronden, worden beoordeeld of eiser vanwege zijn individuele asielrelaas in aanmerking hoort te komen voor een asielvergunning.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvragen met toepassing van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef, onder f, van de Vw 2000, afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te kunnen vaststellen. Het asielrelaas ontbeert volgens verweerder de vereiste positieve overtuigingskracht.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen nu eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit, of reisroute te kunnen vaststellen. Eiser heeft immers verklaard dat hij een militair boekje, een paspoort, een rijbewijs, een geboorteakte, identiteitskaart en een uittreksel uit het gemeenteregister had. Deze documenten liggen nog thuis in Libië, omdat eiser er niet aan heeft gedacht deze mee te nemen. Ook heeft eiser zijn treinkaartje van zijn reis in Nederland naar het aanmeldcentrum in ter Apel weggegooid. Eiser heeft verder vage verklaringen afgelegd over zijn reis per schip van Libië naar Turkije en zijn reis per vrachtwagen vanuit Turkije naar Nederland. Zo weet eiser niet in welke Turkse plaats het schip aankwam en vanuit welke plaats in Turkije de vrachtwagen vertrok naar Nederland. Verder kent eiser de naam van de reisagent in Turkije niet.

9. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht mist.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat niet geloofwaardig is dat eiser zich als gids zo negatief als gesteld heeft uitgelaten over Gaddafi en het toenmalige regime in Libië, gegeven het feit dat eiser gedurende vier jaar, onder begeleiding van een veiligheidsagent/’toeristische politieagent’, beroepshalve vrijwel uitsluitend groepen toeristen uit voornamelijk Italië heeft begeleid. Niet valt in te zien dat eiser, die daarnaast werkzaam was bij de autoriteiten/rijksoverheid (het Kadaster van [plaats]) niet al bij voorbaat had kunnen weten of vermoeden dat de betreffende begeleider/politieagent enig begrip van het Italiaans zou hebben. Verweerder heeft dat in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd en eiser heeft dat in beroep niet weerlegd.

11. De stelling van eiser dat hij vanwege de werkzaamheden van zijn tweelingbroer [naam 1] in het leger van Gaddafi bij terugkeer naar Libië een persoonlijk veiligheidsrisico loopt, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen.

De rechtbank acht bij de beoordeling daarvan van belang dat alle documenten die eiser heeft ingebracht ter onderbouwing van zijn relaas kopieën zijn, die niet op echtheid kunnen worden onderzocht. De getuigenverklaring en de akte van volmacht vermelden dat deze zijn opgemaakt op verzoek van eisers broer [naam 1] en zijn vader, zodat deze documenten niet afkomstig zijn van een objectief verifieerbare bron. Uit de overige documenten, te weten een paspoort, militair boekje, getuigschrift van de parchutistenopleiding en een handgeschreven brief van een ziekenhuis, kan alleen worden opgemaakt dat een persoon genaamd [naam 3] in het Libische leger heeft gediend, maar niet dat deze persoon als gevolg hiervan problemen heeft ondervonden. Verder zien alle documenten die eiser heeft overgelegd uitsluitend op zijn gestelde tweelingbroer, maar heeft hij niet middels documenten aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk een tweelingbroer heeft. Daarnaast heeft eiser tijdens het intrekkingsgehoor verklaard dat hij alle informatie over de gebeurtenissen via de telefoon heeft vernomen, dat zijn broer [naam 1] en vader in Libië niet worden gezocht en dat ook de rest van de familie geen problemen heeft ondervonden als gevolg van de arrestatie van [naam 1].

12. Het beroep dat eiser vanwege zijn stamafkomst tot een risicogroep behoort en de verwijzing ter zitting naar Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2015/2, waarin staat vermeld dat vreemdelingen die behoren tot een stam waarvan bekend was dat zij loyaal waren aan het bewind van Gaddafi tot de risicogroepen in Libië behoren, slaagt evenmin.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser met zijn verwijzing naar het artikel van CNN, ‘Could Libya split along tribal lines?’, van 23 augustus 2011 en het rapport van de United Nations Mission in Libya, ‘Update on violation of international human rights and humanitarian law during the ongoing violence in Libya, van 23 december 2014 (pagina 3) onvoldoende heeft onderbouwd dat de stam waartoe hij behoort (Wersifanh-stam/Warshafana-stam) een aan Gaddafi loyale stam is. Daarnaast wordt de stam van eiser niet genoemd in WBV 2015/2.

13. Verweerder heeft zich gelet op het vooroverwogene, toetsend naar de situatie ten tijde van het inwilligend besluit en naar de situatie ten tijde van het bestreden besluit,

terecht op het standpunt gesteld dat eiser op grond van zijn individuele asielrelaas niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

14. Vervolgens staat ter beoordeling of de veiligheidssituatie in Libië, of een deel daarvan, zodanig ernstig is verslechterd, dat thans sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Deze bepaling is inmiddels geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000.

15. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak van Elgafaji tegen Nederland, van 17 februari 2009, C-465/07, ECLI:EU:C:2009:94, vloeit het volgende voort. Artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Definitierichtlijn, beoogt bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, bedoelde ernstige schade.

16. Artikel 3 van het EVRM ziet – gezien de daaraan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gegeven uitleg in het arrest van 17 juli 2008 in de zaak van NA. tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 25904/07, JV 2008/329 – ook op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

17. Eiser is afkomstig uit Tripoli en niet uit één van de actuele conflicthaardgebieden. In het bestreden besluit heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libië van september 2013 en het UNHCR-rapport van 4 september 2014, op het standpunt gesteld dat de situatie in Libië zorgwekkend is maar dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Bij brief van 18 februari 2015 heeft verweerder gesteld dat het nieuwe algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libië van 19 december 2014 geen aanleiding geeft om het eerdere ingenomen standpunt te wijzigen. Bij brief van 25 maart 2015 heeft verweerder verwezen naar twee uitspraken van de Afdeling van 27 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:786 en 780). De rechtbank overweegt dat de Afdeling in deze uitspraken, voor zover hier van belang, heeft geoordeeld dat uit de in die zaak betrokken stukken niet kan worden afgeleid dat zich op 16 januari 2015 - het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling - voormelde uitzonderlijke situatie in Tripoli voordeed. De uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 21 mei 2015, waarnaar eiser ter zitting heeft verwezen, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze betrekking heeft op Al Tajoura en geen wezenlijk ander beeld geeft van de algemene veiligheidssituatie in Tripoli. Dat eiser ook banden heeft met Warshafana neemt niet weg dat eiser uit Tripoli afkomstig is. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000.

18. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiser terecht heeft ingetrokken, nu de grond voor vergunningverlening is vervallen en er geen overige gronden zijn voor verlening van een asielvergunning. Dit brengt tevens met zich dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning voor onbepaalde tijd, of voor verlenging van zijn asielvergunning voor bepaalde tijd.

19. Het beroep is ongegrond.

20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.