Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-07-2015
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
09-809759-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt voor vier overvallen, een poging tot zware mishandeling, bedreiging en een inbraak veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. Tevens wordt aan hem tbs met dwangverpleging opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van verdachte, die in verband met de maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, redelijkerwijs alleen kan plaatsvinden in het kader van de maatregel van tbs met dwangverpleging. De rechtbank overweegt in dit verband dat een causaal verband tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten niet is vereist. De omstandigheid dat de psychiater geen uitspraak heeft kunnen doen over het specifieke recidivegevaar voortkomend uit de stoornis, staat aan het opleggen van de tbs-maatregel dan ook niet in de weg. Slechts de gelijktijdigheid van de stoornis en het delict is vereist. Aan dat vereiste is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/809759-14

Datum uitspraak: 14 juli 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te Den Haag,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 3 april 2015 en 30 juni 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Pronk en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. Y.H.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich

en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of

restaurant [restaurant] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- richten van een revolver, althans daarop gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 1] en/of

- ( daarbij) meermalen, althans eenmaal, roepen "geld, geld" en/of

- gooien van een tasje op de toonbank en daarbij zeggen dat het geld daarin

moest worden gedaan;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 12 december 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich

en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan B.P. [locatie 2]

[locatie 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- richten van een revolver, althans daarop gelijkend voorwerp, op de borst van

die [slachtoffer 3] en/of

- leggen van een tasje op de toonbank en/of (daarbij) zeggen van de woorden

"doe het geld er in, wat je hebt";

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 14 december 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich

en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Shell [locatie 3]

[locatie 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( meermalen) zeggen tegen die [slachtoffer 4] "geef je geld" en/of

- richten van een revolver, althans daarop gelijkend voorwerp, op die

[slachtoffer 4] ;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Voorburg, gemeente

Leidschendam-Voorburg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft

gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en/of sleutels, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld bestond(en) uit het

- ( met kracht) openduwen van de (voor)deur (van de woning aan de [locatie 4]

[locatie 4] en/of

- maken van stekende en/of zwaaiende bewegingen met een mes, althans een

daarop gelijkend voorwerp, naar/in de richting van die [slachtoffer 5] en/of

- ( daarbij) meermalen, althans eenmaal, roepen "geld, geld" en/of "Als je mij

geld geeft dan ga ik weg" en/of

- slaan/stompen van die [slachtoffer 5] (waardoor die [slachtoffer 5] op de grond terecht kwam)

en/of

- ( terwijl die [slachtoffer 5] op de grond lag) (meermalen) schoppen op/tegen het hoofd

en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer 5] ;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Voorburg, gemeente

Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

met een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp, stekende en/of zwaaiende

bewegingen naar/in de richting van die [slachtoffer 5] heeft gemaakt (waardoor die [slachtoffer 5]

in zijn hand(en) werd geraakt) en/of (meermalen) die [slachtoffer 5] heeft

geslagen/gestompt (waardoor die [slachtoffer 5] op de grond terecht is gekomen) en/of

(vervolgens) (meermalen) op/tegen het hoofd en/of het (boven)lichaam heeft

geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 oktober 2014 te Voorburg, gemeente

Leidschendam-Voorburg, opzettelijk met een mes, althans een daarop gelijkend

voorwerp, stekende en/of zwaaiende bewegingen naar/in de richting van [slachtoffer 5]

heeft gemaakt (waardoor die [slachtoffer 5] in zijn hand(en) werd geraakt) en/of

(meermalen) die [slachtoffer 5] heeft geslagen/gestompt (waardoor die [slachtoffer 5] op de grond

terecht is gekomen) en/of (vervolgens) (meermalen) op/tegen het hoofd en/of

het (boven)lichaam van die [slachtoffer 5] heeft geschopt, waardoor deze [slachtoffer 5] letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 04 november 2014 te Den Dolder, gemeente Zeist,

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend een revolver, althans een daarop gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 7] gericht en/of een revolver, althans een daarop gelijkend

voorwerp, met (een) kogel(s) geladen en/of met een revolver, althans een

daarop gelijkend voorwerp, (wilde/zwaaiende) bewegingen gemaakt, in elk geval

een revolver, althans een daarop gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 6] en/of

[slachtoffer 7] getoond;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2014 tot en met 9 november 2014

te Den Dolder, gemeente Zeist, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit (één of meer (afgesloten) kamer(s) van) een woning (gelegen

aan de [locatie 5] heeft weggenomen twee, althans één, televisie(s) (merk:

Sony en/of Samsung) en/of een playstation (merk: Sony) en/of één of meerdere

playstation spel(len) en/of een laptop en/of een draadloze muis en/of drie,

althans één of meerdere, mobiele telefoon(s) (Samsung S3 en/of Apple Iphone)

en/of een tablet en/of vijftien, althans meerdere, pakjes shag en/of twee,

althans één, usb stick(s) en/of een koptelefoon en/of een random reader en/of

geld (320 euro) en/of scheermesjes en/of een dvd en/of een dongel (van Albert

Heijn) en/of een armband en/of een dvd-speler en/of een Apple Ipad en/of

twee, althans één, horloge(s) (merk: Omega en/of Adidas) en/of een

geluidsbox (merk: Bose) en/of vier, althans meerdere, broeken (merk: Armani),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of

[slachtoffer 7] en/of [instelling] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben

gebracht door de voordeur en/of de deur(en) van de (afgesloten) kamer(s) (met

een schroevendraaier, althans een soortgelijk voorwerp) open te

wrikken/breken, in elk geval door middel van braak/verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In de periode van 30 november 2014 tot en met 14 december 2014 hebben er in Den Haag drie overvallen plaatsgevonden waarbij is gedreigd met een vuurwapen: op 30 november 2014 een overval op [restaurant] en op 12 en 14 december 2014 overvallen op de tankstations BP en Shell (feiten 1 tot en met 3). Voorts heeft er op 25 oktober 2014 te Voorburg een gewapende woningoverval plaatsgevonden waarbij geweld is uitgeoefend jegens de bewoner (feiten 4 en 5). De rechtbank heeft te beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om de betrokkenheid van verdachte bij deze tenlastegelegde feiten bewezen te verklaren.

Daarnaast is aan verdachte tenlastegelegd dat hij op 4 november 2014 twee medebewoners van zorginstelling [locatie 5] , te weten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] , heeft bedreigd met een revolver (feit 6) en dat hij in de periode van 7 november 2014 tot en met 9 november 2014 bij voornoemde personen heeft ingebroken en diverse goederen heeft weggenomen (feit 7).

Ook ten aanzien van deze feiten heeft de rechtbank te beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij dagvaarding aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

Voor wat betreft de feiten 1, 2 en 3 baseert de officier van justitie zich, naast de aangiften, op onder meer de omstandigheid dat steeds dezelfde modus operandi is toegepast en dat het signalement van de dader van de overvallen overeenkomt met dat van verdachte. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de resultaten van het uitlezen van de telefoon van verdachte, de zendmastgegevens alsmede de herkenning van verdachte door de getuigen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op de beelden van de overvallen op [restaurant] de Shell en de BP. Ook herkennen deze getuigen het wapen op de beelden als de revolver waarmee zij door verdachte zijn bedreigd op 4 november 2014.

Voor wat betreft de feiten 4 en 5 baseert de officier van justitie zich onder meer op de aangifte en het daarbij opgegeven signalement van de dader, de onderzoeksgegevens van de op de plaats delict achtergebleven mobiele telefoon en de zendmastgegevens.

Ten aanzien van feit 6 heeft de officier van justitie aangevoerd dat bij de doorzoeking van de kelderbox aan de [adres 1] in Den Haag, waarvan vaststaat dat verdachte daar goederen had opgeslagen, een revolver is aangetroffen die qua kenmerken precies overeenkomt met het wapen waarmee aangevers zijn bedreigd.

Met betrekking tot feit 7 heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd dat een bij de inbraak gestolen televisie door verdachte is ingeleverd bij [bedrijf] aan de Rijswijkse weg te Den Haag. Tevens bleek verdachte bij zijn aanhouding de telefoon van aangever [slachtoffer 6] bij zich te dragen, die was weggenomen bij de betreffende inbraak.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - op gronden in haar pleitnota verwoord - integrale vrijspraak bepleit nu de betrokkenheid van verdachte bij de feiten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat de modus operandi en de uiterlijke kenmerken van de dader onvoldoende zijn om te kunnen bewijzen dat verdachte de persoon is geweest die de tenlastegelegde overvallen heeft begaan. De blauwe Moncler jas is in dit verband niet onderscheidend genoeg om als bewijs te dienen voor een verband tussen de overval en verdachte.

Ook de aanwezigheid van verdachte in de omgeving kort voor of na de overvallen bevestigt geen daderschap van verdachte ten aanzien van de overvallen. Voorts zijn de herkenningen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] onvoldoende betrouwbaar waardoor hieraan geen bewijswaarde kan worden gehecht. Verdachte had daarnaast geen wetenschap van het bestaan van het vuurwapen dat is aangetroffen in de kelderbox aan de [adres 1] in Den Haag; bovendien is niet aangetoond dat het vuurwapen op de camerabeelden hetzelfde wapen is als het vuurwapen dat in de kelderbox is aangetroffen. De raadsvrouw betoogt voorts dat het rapport van het TMFI niet tot het bewijs kan bijdragen nu dit rapport onvoldoende wetenschappelijk is onderbouwd.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de aangetroffen telefoon op de plaats delict onvoldoende is om een veroordeling van verdachte te kunnen dragen.

Met betrekking tot feit 6 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen; primair wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs, subsidiair wegens het ontbreken van het benodigde opzet.

Tot slot heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van feit 7 nu verdachte ook dit feit heeft ontkend en het dossier onvoldoende bewijs bevat voor zijn betrokkenheid. Daarbij geldt dat verdachte de telefoon van [slachtoffer 6] al eerder had geleend, hetgeen ook bevestiging vindt in de verklaring van [slachtoffer 6] zelf.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

Feit 1

Aangifte [slachtoffer 2]

Aangeefster heeft verklaard dat zij samen met haar echtgenoot [slachtoffer 1] eigenaar van [restaurant] op de [adres 2] te Den Haag is. Op 30 november 2014 omstreeks 20.30 uur komt een man binnen met gezichtsbedekking, vermoedelijk een bivakmuts, met in zijn rechterhand een pistool. De man richt het pistool op aangeefster en haar man en roept “geld”. De man haalt een blauw plastic zakje uit zijn zak en gooit het op toonbank. Hij schreeuwt dat er in geld in het tasje moet. Haar man doet er geld in en gooit het tasje terug. Het tasje valt op grond de grond, de dader raapt het op en rent weg. Signalement van de dader: blank, 1.65m, ca. 25 jaar (gebaseerd op stem), droeg blauwe Moncler jas2.

Getuige [slachtoffer 1]

De getuige heeft verklaard dat een man met een capuchon en bivakmuts op 30 november 2014 rond half negen ’s-avonds binnenkomt en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp richt op zijn vrouw. Hij roept om geld en legt een blauwe plastic tas op toonbank. Hij richt afwisselend zijn wapen op hem en zijn vrouw. De getuige stopt ongeveer € 80,- in de plastic tas en gooit de plastic zak terug naar de man. De man raapt het op en rent weg. Signalement van de dader: jonge blanke man, 1.60-1.65m, sportief slank postuur, lichtblauwe jas met capuchon met bontrand, grijze broek3.

Getuige [getuige]

De getuige heeft verklaard dat hij in de keuken staat en op een televisiescherm ziet wat er in het restaurant gebeurt. Hij opent het doorgeefluik en gooit een knol naar de dader. Het wapen van de man is ook op hem gericht en het wapen wordt heen en weer gezwaaid richting de aanwezigen4.

Camerabeelden

In een proces-verbaal van bevindingen wordt een beschrijving gegeven van de camerabeelden van de onderhavige overval5. De verbalisant beschrijft onder meer dat de ‘overvaller’ een zwarte, gezichtsbedekkende muts met gaten bij de ogen droeg. De capuchon van zijn jas (kleur donkerblauw) droeg hij over de bivakmuts. Op basis van de handen en een gedeelte van het gezicht concludeert de verbalisant dat de overvaller een blanke huidskleur heeft. De overvaller hield in zijn rechterhand een revolver vast en in zijn linkerhand een blauw plastic tasje. De verbalisant merkt op dat de overvaller gedurende de overval continu zijn duim op de hamer van de revolver hield, en ook steeds met zijn linkerhand aan zijn bivakmuts trok, kennelijk om de gaten voor zijn ogen te houden.

Herkenning van verdachte

Opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] verklaart dat op de Facebook pagina van verdachte een foto staat met een opvallende blauwe jas die overeenkomt met de jas die bij de overval op [restaurant] in 2014 wordt gedragen6.

Telefoongegevens

Er is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij verdachte7. Deze telefoon straalt op 30 november 2014 om 19.48 uur tot ca. tien minuten voor de overval een zendmast aan op ca. 500 meter van [restaurant]8[restaurant]

Feit 2

Aangifte [slachtoffer 3]

Aangever heeft verklaard dat hij werkzaam was als service-medewerker bij tankstation BP, [locatie 2] te Den Haag en op 12 december 2014 dienst had. Rond 17.15 uur komt een man binnen met een bivakmuts op. De man legt een blauw plastic zakje op toonbank en wil geld. De man heeft een zwarte revolver in zijn hand en richt op de borst van aangever. Aangever haalt geld uit de kassa (circa € 300) en doet dit geld in het zakje. De man pakt het zakje op en gaat naar buiten. Signalement van de dader: blank, 1.70m, ca. 18 jaar, spreekt accentloos Nederlands9.

Camerabeelden

In een proces-verbaal van bevindingen wordt een beschrijving gegeven van de camerabeelden van de overval op benzinepomp BP. Op de camerabeelden is te zien dat de dader om 17:18:46 uur aan komt lopen met in zijn rechterhand een zwarte revolver en in zijn linkerhand een blauwe plastic tas dat hij op de balie legt. De dader richt zijn wapen op aangever10. In een proces-verbaal van bevindingen wordt naar aanleiding van deze beelden geconcludeerd dat de dader een lengte heeft tussen de 1.60 en 1.70 meter11.

Telefoongegevens

Er is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoon nummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte12. Deze telefoon straalt op 12 december 2014 om 17.10 uur en 17.27 twee zendmasten aan in de directe omgeving van het BP tankstation13.

Feit 3

Aangifte [slachtoffer 4]

Aangever heeft verklaard dat hij op 14 december 2014 werkzaam was als servicemedewerker van het Shell-benzinestation, gevestigd aan de [locatie 3] te Den Haag. Hij staat met zijn rug richting de ingang als hij hoort “geef je geld” in accentloos Nederlands. Aangever ziet een man van 23 -27 jaar, blank, ca. 1.60m met bivakmuts op. Hij heeft een zwarte revolver in zijn rechterhand en richt op aangever. In zijn linkerhand heeft hij een wit tasje. Aangever haalt geld uit de kassa (circa € 300) en legt dit op de toonbank. De dader pakt het en doet het in het tasje. De dader wil meer en zegt “haal de kassalade eruit”14.

Telefoongegevens

Er is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoon nummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij verdachte15. Deze telefoon straalt op 14 december 2014 vanaf 18.32 uur tot 20.06 uur zeven maal de zendmast op de [locatie 9] te Den Haag aan. Dit is 175 meter van het Shell tankstation. Om 20.17 uur straalt de telefoon een zendmast op de [locatie 10] aan16.

Feiten 1, 2 en 3

Doorzoeking

Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] te Den Haag is in de kelderbox een zwarte revolver van het merk Reck aangetroffen die zat gewikkeld in witte doeken17. Deze kelderbox is van een vriend van verdachte, te weten [naam 1] en verdachte heeft verklaard dat hij in die box goederen heeft opgeslagen.

Rapportage TMFI

In de rapportage van TMFI wordt geconcludeerd dat het met redelijkheid is aan te nemen dat het bij alle drie de overvallen om een en dezelfde dader gaat, gelet op het patroon van de overvallen, de werkwijze, het gedrag, het gebruikte wapen en de lengte van de overvaller. Ook vertonen de specifieke kenmerken van het inbeslaggenomen wapen grote overkomsten met het vuurwapen dat op de beelden van de overval op [restaurant] en de tankstations van BP en Shell te zien is18.

Verklaringen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

In de aangiftes van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] (feiten 6 en 7) verklaren beide aangevers dat ze door verdachte zijn bedreigd met een zwarte revolver die uit een blauwe plastic AH-tas werd gehaald en die in witte doeken zat gewikkeld19. De omschrijving van de revolver en wijze waarop deze verpakt was past bij de revolver die is aangetroffen in de kelderbox van [naam 1]

Voorts heeft getuige [slachtoffer 6] verklaard verdachte te herkennen als de overvaller van [restaurant] in 2014. De getuige herkent hem aan zijn houding, loopbewegingen, zijn jas, de revolver en de duim op de revolver wat verdachte ook bij de bedreiging van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] deed (feit 6). [slachtoffer 6] herkent verdachte ook als de overvaller van het Shell-benzinestation. Dit weet hij zeker vanwege het loopje, de houding en de starthouding toen de overvaller wegrende20.

Getuige [slachtoffer 7] verklaart dat hij verdachte herkent als de overvaller van [restaurant] in 2014 aan zijn houding, kleding en de revolver en verklaart onder meer dat de kleding die de overvaller draagt de outfit is die verdachte aan heeft als hij op verlof naar zijn moeder gaat. [slachtoffer 7] herkent verdachte voorts aan zijn houding en motoriek als de overvaller van het BP-tankstation en verklaart dat verdachte een aparte manier van bewegen heeft21.

Verklaring moeder van verdachte

[naam 2] , de moeder van verdachte, verklaart bij het zien van de foto’s van de overval bij [restaurant] “deze jas heb ik nog voor hem gekocht” en “dit is de blauwe Moncler jas van [verdachte] ”. [naam 2] heeft voorts in haar agenda het komen en gaan van verdachte bijgehouden. De aantekeningen in haar zakagenda plaatsen verdachte in Den Haag ten tijde van de overvallen22.

Conclusie van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het dossier voldoende komen vast te staan dat bij de drie onderhavige overvallen sprake is geweest van een en dezelfde dader. Voorts is de rechtbank van oordeel dat op grond van alle voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte deze dader is geweest. De rechtbank overweegt in dit verband dat verdachte past in het opgegeven signalement, waarbij geldt dat verdachte in het bezit is van een blauwe Moncler jas zoals genoemd door aangever bij feit 1. Voorts is aangever op de beelden herkend door de getuigen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] . Daarbij komt dat de getuigen niet alleen verdachte, maar ook het wapen herkennen als het wapen dat zij noemen in hun aangifte ter zake de bedreiging door verdachte (feit 6). Anders dan de verdediging acht de rechtbank de beide getuigenverklaringen voldoende betrouwbaar. Tot slot geldt dat uit de telefoongegevens blijkt dat verdachte telkens op tijdstippen rondom de overvallen in de buurt was, en dat verdachte voor zijn aanwezigheid naar het oordeel van de rechtbank geen enkele aannemelijke verklaring heeft gegeven.

overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van de feiten 4 en 5

Aangifte [slachtoffer 5]

Aangever heeft verklaard dat hij op 25 oktober 2014 rond 23.30 uur in zijn woning was op de [locatie 4] te Voorburg. Hij heeft verklaard dat hij een kleine man voor zijn deur zag staan toen hij opendeed en dat vervolgens de voordeur met geweld open werd geduwd. De dader had in zijn rechterhand een mes beet dat hij uit zijn rechtermouw tevoorschijn pakte. Met het mes maakte de dader stekende bewegingen terwijl hij riep om geld. Aangever wordt in zijn gezicht gestompt, zijn bril wordt kapot gestampt en hij wordt meermalen door de dader geschopt terwijl hij op de grond ligt. Hij geeft de man een biljet van € 50 en de man neemt een paar sleutelbossen mee van onder andere de auto van aangever. Signalement van de dader: 25-30 jaar, kleiner dan 1.70m, tenger postuur, smal tenger gezicht, sprak Nederlands23.

Medische verklaring

Aan de overval heeft [slachtoffer 5] een snijwond aan zijn linkerhand, een snee in zijn rechterhandpalm, een wondje aan zijn rechteroor, een dikke lip en pijnlijke (waarschijnlijk gekneusde) ribben overgehouden24.

De betrokkenheid van verdachte

Bij de woningoverval is de dader zijn telefoon in de woning verloren. De telefoon wordt aangetroffen in gang achter een schilderij.25 Deze telefoon stond aan en had 16 gemiste oproepen. De telefoon blijkt te zijn voorzien van een simkaart met het nummer [nummer 1]26. Van de telefoon zijn de historische gegevens opgevraagd over de periode van 26 juli tot en met 26 oktober 2014. Hieruit bleek dat het meest gebelde contact het telefoonnummer [telefoonnummer 3] was. Dit nummer is in gebruik bij [naam 1] , een zeer goede vriend van verdachte. Verder is er met de achtergebleven telefoon veelvuldig contact geweest met de moeder van verdachte. Op avond van de overval is er om 19.00 uur nog contact geweest met [naam 1] 27 en om 18.55 uur nog met de moeder van verdachte, M. Kamerman28.

Ook is er in voornoemde periode met deze telefoon telefonisch contact geweest met de GGZ instelling in Den Dolder waar verdachte woonachtig is29. Uit de zendmastgegevens is voorts gebleken dat het telefoonnummer [nummer 1] veel zendmasten aanstraalde in Den Dolder.30 Uit de bemonstering van de Samsung telefoon is tot slot een DNA profiel verkregen welke matcht met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.31

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter zitting verklaart dat hij een Samsung telefoon, type: S4 Galaxy Mini, had met het telefoonnummer [nummer 1] , maar dat hij deze telefoon enkele weken voor 25 oktober 2014 is verloren32. Tegenover de politie heeft verdachte verklaard dat deze telefoon kapot is gevallen33.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting het onder 4 en 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Aan de overtuiging van de rechtbank wordt bijgedragen door de vondst van de mobiele telefoon van verdachte op de plaats delict. Dit is een belastende omstandigheid die om uitleg van verdachte schreeuwt. Een dergelijke uitleg heeft verdachte echter niet geven, behalve dat hij de telefoon zou zijn verloren. Daargelaten dat verdachte bij de politie op dit punt anders heeft verklaard, valt zijn verklaring niet te rijmen met de historische telefoongegevens. Hieruit blijkt immers niet alleen dat er in de periode voorafgaande aan de overval veelvuldig contact is geweest met de telefoonnummers van Andiche en de moeder van verdachte, maar ook dat er zeer kort voor het moment van de overval met beide personen nog contact is geweest. De verklaring van verdachte dat hij zijn telefoon al een tijd voor de overval niet meer in gebruik zou hebben gehad is hierdoor dan ook niet geloofwaardig.

De rechtbank overweegt voorts dat, gezien het feit dat verdachte aangever [slachtoffer 5] meermalen tegen het hoofd heeft geschopt en stekende bewegingen heeft gemaakt met een mes, sprake is van een poging tot zware mishandeling.

De verweren van de verdediging vinden voor het overige hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hiervoor aangeduid.

overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van feit 6

Feit 6

Aangiftes [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7]

Aangevers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] hebben verklaard beide dat ze door verdachte zijn bedreigd met een zwarte revolver die door verdachte uit een blauwe plastic AH-tas werd gehaald en in witte doeken zat gewikkeld. Verdachte deed kogels in het wapen, maakte wilde bewegingen met het wapen in zijn hand en richtte het wapen meerdere keren op beide aangevers en riep daarbij dat hij weleens een slijterij had beroofd of nog zou gaan beroven. Verdachte was onder invloed van alcohol. Verder riep verdachte volgens [slachtoffer 7] : “ik moet geld hebben kankerleijers! Anders breek ik hier wel in.” Aangever [slachtoffer 6] heeft een zeer gedetailleerde beschrijving van revolver gegeven34. Die beschrijving van het wapen past bij de revolver die tijdens de doorzoeking in de kelderbox aan [adres 1] te Den Haag (bij verdachte in gebruik) in een witte doek werd aangetroffen35.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen onder 6 ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de aangiftes ondersteuning in elkaar vinden en dat de rechtbank, zoals hiervoor reeds opgemerkt, geen aanleiding heeft om de verklaringen van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] onbetrouwbaar te achten.

overwegingen omtrent het bewijs ten aanzien van feit 7

Feit 7

Aangiftes

Door GGZ instelling [locatie 5] is namens de bewoners [slachtoffer 7] , [slachtoffer 6] en verdachte aangifte gedaan van diefstal, gepleegd tussen 7 november 18.00 uur en 9 november 2014 om 17.10 uur, uit het pand van de instelling aan de [locatie 5] te Den Dolder. Er is blijkens de aangifte lichte braakschade bij de voordeur en de kamers van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] zijn met – vermoedelijk - een schroevendraaier geforceerd. De kamer van verdachte heeft aangeefster zelf niet gezien, maar zij hoort dat de politie onderzoek heeft verricht en de politie het onwaarschijnlijk achtte dat de deur van de kamer van verdachte zodanig was opengebroken dat men op de kamer van verdachte was geweest36.

Betrokkenheid verdachte

Verdachte heeft, zo heeft hij ook verklaard, op 13 november 2014 een Sony smart tv ingeleverd bij Used Products voor € 150,- op de Rijswijkseweg 572 in Den Haag. Naderhand bleek deze tv te zijn weggenomen bij de inbraak aan de [locatie 5] in Den Dolder en dat deze toebehoort aan [slachtoffer 6] 37.

Telefoongegevens

Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , in gebruik bij verdachte38, blijkt dat verdachte op 7 november 2014 laat in de avond van Den Haag naar Den Dolder (nabij de [straatnaam] is geweest en daarna weer terug naar Den Haag is gegaan. Vervolgens is verdachte op 8 november 2014 overdag nog in Den Haag geweest, op 9 november 2014 tussen 12.00 en 12.30 uur weer nabij de [straatnaam] in Den Dolder en die dag om 14.52 uur weer in Den Haag. De gesprekken die in deze periode met deze telefoon zijn gevoerd waren enkel met [naam 1] (goede vriend van verdachte) en de moeder van verdachte.39

Voorts heeft verdachte bij zijn aanhouding een LG-telefoon bij zich met IMEI-nummer [nummer 2] en telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Deze telefoon blijkt eerder te zijn gebruikt door [slachtoffer 6] .40.

Aangever [slachtoffer 6] verklaart dat de bij verdachte aangetroffen telefoon zijn oude telefoon is en dat hij deze niet in de aangifte had genoemd omdat hij deze ten tijde van de inbraak niet meer gebruikte. Hij heeft deze telefoon niet aan verdachte gegeven41.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft op 23 december 2014 tegenover de politie verklaard dat hij deze telefoon al sinds ongeveer een maand gebruikt en dat hij deze van een vriend had geleend42.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, het onder 7 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Aan de overtuiging van de rechtbank wordt bijgedragen door de inlevering van een bij de inbraak ontvreemde televisie door verdachte bij [bedrijf] . Dit is een belastende omstandigheid die om uitleg van verdachte vraagt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn telefoon in het wet weekend van de inbraak heeft uitgeleend aan een bekende en hij ook van deze bekende de televisie heeft gekregen die hij bij [bedrijf] heeft ingeleverd. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Niet alleen heeft verdachte desgevraagd niet nader willen verklaren over deze bekende, maar voorts blijkt dat in de periode waarin hij zijn telefoon zou hebben uitgeleend, deze telefoon slechts contact heeft gehad met de beste vriend van verdachte ( [naam 1] ) en met de moeder van verdachte. Verdachte heeft ook voor deze omstandigheid geen aannemelijke verklaring kunnen geven. Voorts acht de rechtbank verdachte’s verklaring dat hij de bij hem aangetroffen telefoon heeft gekregen van [slachtoffer 6] , niet aannemelijk, gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 6] op dit punt.

De verweren van de verdediging vinden hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hiervoor aangeduid.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 30 november 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [restaurant] ", welke bedreiging met geweld bestond uit het

- richten van een revolver op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en

- ( daarbij) meermalen roepen "geld, geld";

2.

hij op 12 december 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan B.P. (vestiging [locatie 2] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- richten van een revolver op de borst van die [slachtoffer 3] en

- leggen van een tasje op de toonbank en (daarbij) zeggen de woorden

"doe het geld er in, wat je hebt";

3.

hij op 14 december 2014 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan Shell (vestiging [locatie 3] ), welke bedreiging met geweld bestond uit het

- ( meermalen) zeggen tegen die [slachtoffer 4] "geef je geld" en

- richten van een revolver op die [slachtoffer 4] ;

4.

hij op 25 oktober 2014 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag en sleutels toebehorende aan [slachtoffer 5] , welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- ( met kracht) openduwen van de (voor)deur (van de woning aan de [locatie 4] ) en

- maken van stekende en zwaaiende bewegingen met een mes in de richting van die [slachtoffer 5] en

- ( daarbij) meermalen roepen "geld, geld" en "Als je mij geld geeft dan ga ik weg" en

- slaan/stompen van die [slachtoffer 5] (waardoor die [slachtoffer 5] op de grond terecht kwam) en

- ( terwijl die [slachtoffer 5] op de grond lag) (meermalen) schoppen tegen het hoofd en (boven)lichaam van die [slachtoffer 5] ;

5.

hij op 25 oktober 2014 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes stekende en zwaaiende bewegingen in de richting van die [slachtoffer 5] heeft gemaakt (waardoor die [slachtoffer 5] in zijn handen werd geraakt) en (meermalen) die [slachtoffer 5] heeft geslagen/gestompt (waardoor die [slachtoffer 5] op de grond terecht is gekomen) en

(vervolgens) (meermalen) tegen het hoofd en het (boven)lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op 4 november 2014 te Den Dolder, gemeente Zeist, [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een revolver op die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] gericht en met een revolver met kogels geladen (zwaaiende) bewegingen gemaakt;

7.

hij in de periode van 7 november 2014 tot en met 9 november 2014 te Den Dolder, gemeente Zeist, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit ((afgesloten) kamers van) een woning (gelegen aan de [locatie 5] ) heeft weggenomen twee televisies (merk:

Sony en Samsung) en een playstation (merk: Sony) en meerdere playstation spellen) en een laptop en een draadloze muis en drie mobiele telefoons (Samsung S3 en Apple Iphone)

en een tablet en vijftien pakjes shag en twee usb sticks en een koptelefoon en een random reader en geld (320 euro) en scheermesjes en een dvd en een dongel (van Albert Heijn) en een armband en een dvd-speler en een Apple Ipad en twee horloges (merk: Omega en Adidas) en een geluidsbox (merk: Bose) en vier broeken (merk: Armani),

toebehorende aan [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7] of [instelling] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door de voordeur en de deuren van de (afgesloten) kamers (met

een schroevendraaier, althans een soortgelijk voorwerp) open te breken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot oplegging van de maatregel van tbs met dwangverpleging en daarnaast een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 12 jaar met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van een eventuele behandeling in een strafrechtelijk kader heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er - gelet op de conclusie van de gedragsdeskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte - geen, althans nagenoeg geen, verband is te leggen tussen de geconstateerde stoornis en eventueel delictgedrag. Een (dwang)behandeling van die stoornis zal dus (nagenoeg) geen effect hebben op het recidivegevaar, terwijl dat nu juist is waar een behandeling, opgelegd in een strafrechtelijk kader, wel op dient te zien. Als het eventuele gevaar van haar cliënt niet kan worden weggenomen door een behandeling dan is het opleggen van een behandeling die daar wel op is gericht dus niet opportuun, aldus de raadsvrouw. Wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring komt dient daarom te worden volstaan met een reguliere afstraffing. Mocht de rechtbank daar anders over oordelen, dan heeft de raadsvrouw verzocht om de gedragsdeskundigen ter zitting te kunnen bevragen hoe zij aankijken tegen het mogelijk opleggen van de maatregel van tbs.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een destijds 73-jarige man. Verdachte heeft de man bedreigd en gestoken met een mes en hem verschillende malen geschopt en geslagen, ook toen het slachtoffer al op de grond lag. Verdachte heeft vervolgens geld en sleutels uit de woning meegenomen. Dat het slachtoffer niet ernstig gewond is geraakt is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Voorts heeft verdachte zich op een zeer brutale, agressieve en bedreigende wijze schuldig gemaakt aan drie gewapende bedrijfsovervallen.

Dergelijke feiten maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij de slachtoffers die vaak langdurig lijden onder de psychische gevolgen. De impact van een dergelijk feit blijkt eens te meer uit de schriftelijke verklaring van het slachtoffer van de woningoverval, die daarin verklaart dat hij nog steeds te kampen heeft met ernstige psychische problemen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een bedreiging van twee medebewoners van de zorginstelling waar hij verbleef, alsmede aan diefstal van spullen uit de kamers van die twee medebewoners. De rechtbank rekent ook deze feiten verdachte ernstig aan. Naast de schade en ergernis die de inbraak heeft veroorzaakt, heeft de bedreiging grote impact gehad op de slachtoffers. Een van hen heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring verklaard last te hebben gehad van herbelevingen en intensieve begeleiding nodig te hebben gehad om er weer bovenop te komen. Het feit dat verdachte de slachtoffers in hun eigen woonomgeving heeft bedreigd, een plek waar zij zich juist veilig dienen te voelen, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Dat verdachte vervolgens met de inbraak ook geen enkel respect heeft getoond voor hun eigendommen, acht de rechtbank eveneens laakbaar.

Documentatie

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2014 is verdachte in de afgelopen vijf jaar meermalen met politie en justitie in aanraking geweest wegens geweldsdelicten, waarvoor hem forse straffen zijn opgelegd. Zo is verdachte in 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens een poging tof diefstal met geweld. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan ernstige strafbare feiten.

Rapportages

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht geslagen op de volgende stukken:

- een reclasseringsadvies van GGZ Palier Den Haag d.d. 12 maart 2015, opgesteld door S. Verbeek;

- een aanvullend reclasseringsadvies van GGZ Palier Den Haag d.d. 16 juni 2015, opgesteld door S. Verbeek;

- het Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 23 juni 2015, opgesteld door drs. H.A. Gerritsen, psychiater;

- het Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek d.d. 16 juni 2015, opgesteld door P.E. Geurkink, forensisch psycholoog.

Uit voormelde reclasseringsadviezen komt naar voren dat de reclassering -gezien de delictsgeschiedenis van verdachte en de aard en de ernst van de onderhavig feiten- een hoog veiligheidsrisico ziet voor de omgeving van verdachte. Het recidiverisico zal naar inschatting van de reclassering hoog blijven wanneer er niets in de omstandigheden van verdachte verandert. Het verleden leert dat de ontvankelijkheid van verdachte en de mogelijkheden voor gedragsbeïnvloeding beperkt zijn. Hulpverlening, al dan niet in het kader van reclasseringstoezicht, heeft niet tot het uitblijven van recidive geleid, aldus de reclassering. Interventies waaronder een PIJ-maatregel, detenties, proefverloven, meldplichten en behandelingen hebben tot dusverre niet geleid tot het doorbreken van het delictpatroon. Op de voorgrond ligt volgens de reclassering verdachte’s gebrekkige inzicht in zijn vermeende verstandelijk beperking en zijn beperkte inzicht in de vermeende persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte erkent geen riscofactoren welke bijdragen aan zijn delictgedrag en bagatelliseert zijn delictgedrag bovendien. Zijn sterk externaliserende houding wordt door de reclassering gezien als sterke voorspeller voor de kans op recidive.

Psycholoog P.E. Geurkink heeft aangeven dat er bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogen in de zin van cannabisafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en verbale zwakbegaafdheid. Verdachte heeft wel besef van goed en kwaad maar kiest ervoor om hier niet naar te handelen en vooral zijn eigen behoeftebevrediging centraal te stellen. Hij adviseert om verdachte als hooguit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te zien voor de ten laste gelegde feiten. De deskundige acht een aanzienlijke kans op recidive aanwezig, vooral gezien het verleden in combinatie met de geringe doorwerking van zijn pathologie. Gezien echter het naar de mening van de psycholoog zeer beperkte verband tussen de pathologie en het ten laste gelegde ziet hij geen reden om een behandeling in een strafrechtelijk kader te adviseren.

Psychiater H.A. Gerritsen heeft aangegeven dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van cannabisafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogen in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Omdat verdachte niet wil praten over de hem ten laste gelegde feiten doet psychiater Gerritsen geen uitspraak over een mogelijk verband tussen de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, en de stoornis. Daarom wordt ook geen uitspraak gedaan over de recidivekans en de manier waarop de recidivekans mogelijk kan worden verminderd en het kader waarin dit zou kunnen gebeuren, aldus de psychiater.

Straf en/of maatregel

Over de vraag welke straf en/of maatregel passend is, overweegt de rechtbank tegen de achtergrond van het voorgaande als volgt.

Gelet op de ernst van de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten komt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking.

De psycholoog en de psychiater hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis (afhankelijkheid van cannabis) en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (antisociale persoonlijkheidsstoornis en verbale zwakbegaafdheid). De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport van psycholoog P.E. Geurkink over dat er een zeer beperkt verband is tussen de pathologie en het ten laste gelegde en dat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten voor deze feiten hooguit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte in een strafrechtelijk kader voor deze stoornissen moet worden behandeld en zo ja, in welk kader dat dan moet gebeuren. Daartoe dient allereerst te worden beoordeeld of verdachte een gevaar vormt voor de maatschappelijke veiligheid. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Verdachte is eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. De rechtbank noemt daarbij specifiek dat verdachte in 2012 is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens diefstal met geweld, in 2011 tot 2 maanden gevangenisstraf waarvan 1 maand voorwaardelijk, wegens mishandeling, in 2009 tot een gevangenisstraf van 28 maanden wegens een poging tot diefstal met geweld, terwijl aan hem in 2003 een PIJ-maatregel opgelegd is wegens een poging tot doodslag. Deze maatregel heeft 6 jaren geduurd. Het valt op dat tussen de detentieperiodes nauwelijks tijd gelegen is. Steeds is verdachte snel na vrijlating uit detentie weer met justitie in aanraking gekomen. Gelet op de thans bewezenverklaarde geweldsdelicten kan worden gesproken van een opbouw in ernst en aantal van de geweldsdelicten. Voorts heeft zowel de reclassering als de psycholoog aangegeven dat een aanzienlijk kans op recidive aanwezig is. Gelet op deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, vormt verdachte naar het oordeel van de rechtbank een gevaar voor de algemene veiligheid van personen. De omstandigheid dat de psychiater op gedragskundige gronden geen uitspraak heeft kunnen doen over het specifieke recidivegevaar voortkomende uit de stoornis, doet hieraan niet af.

De rechtbank is van oordeel dat, met het oog op de maatschappelijke veiligheid, een verplichte behandeling van verdachte in een strafrechtelijk kader is aangewezen. Daarvoor ziet de rechtbank slechts twee opties: een behandeling in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling na ommekomst van twee derde van de op te leggen gevangenisstraf of een behandeling in het kader van een tbs-maatregel.

De rechtbank overweegt dat eerdere behandelingen, zowel ambulant als klinisch, geen effect hebben gesorteerd, in zoverre dat verdachte nadien opnieuw (ernstige) strafbare feiten heeft gepleegd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de behandeling van verdachte, die in verband met de maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, redelijkerwijs alleen kan plaatsvinden in het kader van de maatregel van tbs met dwangverpleging. Ten aanzien van de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank dan ook gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Aan de wettelijke voorwaarden is voldaan: de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, tijdens het begaan van deze feiten bestond bij verdachte een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, en de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van deze maatregel.

De rechtbank overweegt in dit verband dat een causaal verband tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten niet is vereist (Hoge Raad 22 januari 2008, ECLI:NL: HR: 2008:BC1311). De omstandigheid dat de psychiater geen uitspraak heeft kunnen doen over het specifieke recidivegevaar voortkomend uit de stoornis, staat aan het opleggen van de tbs-maatregel dan ook niet in de weg. Slechts de gelijktijdigheid van de stoornis en het delict is vereist. Aan dat vereiste is, zoals hiervoor is overwogen, voldaan.

De rechtbank overweegt ten slotte uitdrukkelijk dat de maatregel van tbs met dwangverpleging wordt opgelegd ter zake van misdrijven die zijn gericht tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. Om die reden zal, gelet op het bepaalde in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, een totale duur van de maatregel van meer dan vier jaren niet op voorhand uitgesloten zijn.

De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de ernst van de feiten, de eerdere veroordelingen van verdachte en de mate van toerekeningsvatbaarheid - naast de maatregel van tbs met dwangverpleging ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd. Bij de hoogte van deze straf heeft de rechtbank nadrukkelijk in aanmerking genomen dat aan verdachte tevens de maatregel van tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.

7 De vordering van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.090,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.150,- betreffende een bedrag van € 60,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.090,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.600,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.995,31 betreffende een bedrag van € 2.695,31 aan materiële schade en een bedrag van € 2.300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[instelling] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.733,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 7.030,99 betreffende een bedrag van € 6.030,99 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.564,77 betreffende een bedrag van € 1.564,77 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige deel van de vordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.060, te weten een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 60,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel van de vordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige deel van de vordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor een bedrag van € 4.995,31, te weten een bedrag van

€ 2.695,31 aan materiële schade en een bedrag van € 2.300,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [instelling] tot een bedrag van € 1.433,- aan materiële schade (braakschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel van de vordering (personeelskosten) geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] tot een bedrag van € 1.800,- te weten een bedrag van € 500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 1.300,- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel van de vordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De officier van justitie heeft tenslotte geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] tot een bedrag van € 1.364,77, te weten een bedrag van

€ 500,- aan immateriële schade en een bedrag van € 864,77 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel van de vordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van de benadeelde partijen vanwege de door haar bepleite vrijspraak.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] en [instelling] heeft de raadsvrouw matiging van de gevorderde bedragen bepleit. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft de raadsvrouw afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring bepleit van de posten 3 en 4 en matiging van post 5. Met betrekking tot de overige posten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

vordering [slachtoffer 1]

De rechtbank acht deze vordering naar billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,- als vergoeding ter zake van immateriële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 november 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1]

vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.060,- als vergoeding naar billijkheid ter zake van een bedrag van € 1.000 aan immateriële schade en een bedrag van € 60,- aan materiële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 november 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.060,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2]

vordering [slachtoffer 3]

De rechtbank acht deze vordering naar billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,- als vergoeding ter zake van immateriële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 december 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] .

vordering [slachtoffer 5]

De rechtbank acht deze vordering in zijn geheel toewijsbaar voor een bedrag van

€ 4.995,31, als vergoeding ter zake van een bedrag van € 2.300,- aan immateriële schade en een bedrag van € 2.695,31 aan materiële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 4 en 5 primair bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 4 en 5 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.995,31 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5] .

vordering [instelling]

De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.273,40, als vergoeding ter zake van een bedrag aan materiële schade (herstel schade inbraak exclusief BTW), nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 7 bewezenverklaarde feit.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd en zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 november 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 7 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.273,40 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [instelling]

vordering [slachtoffer 7]

De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 1.500,-, als vergoeding ter zake van € 500,- aan immateriële schade en een geschat bedrag van € 1.000 aan materiële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 6 en 7 bewezenverklaarde feiten. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 november 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 6 en 7 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7] .

vordering [slachtoffer 6]

De rechtbank acht deze vordering toewijsbaar tot een bedrag van in totaal € 1.364,77, als vergoeding naar billijkheid ter zake van € 500,- aan immateriële schade en € 864,77 aan materiële schade, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 6 en 7 bewezenverklaarde feiten.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘boete openbaar vervoer’ zal de rechtbank afwijzen. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende onderbouwd en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 november 2014, zijnde de dag waarop de schade is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 6 en 7 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.364,77 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6] .

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 3 genoemde voorwerp (een Samsung televisie) zal worden teruggegeven aan [slachtoffer 6] .

8.2

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt omtrent het beslag.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen de onder 1, 2, 3 en 6 bewezenverklaarde feiten zijn begaan. Deze voorwerpen zijn bovendien van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het onder 3 genoemde voorwerp zal aan [slachtoffer 6] zijnde de rechtmatige eigenaar, worden geretourneerd.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36d, 37a, 37b, 45, 55, 57, 285, 302, 311, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. de feiten 1, 2 en 3

afpersing, meermalen gepleegd

t.a.v de feiten 4 en 5 primair

eendaadse samenloop van afpersing en poging tot zware mishandeling

t.a.v. feit 6

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

t.a.v feit 7

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak .

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaar;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

ten aanzien van de feiten 1, 2,3,4, 5 primair en 6:

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

de vorderingen van de benadeelde partijen

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] een bedrag van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] een bedrag van € 1.060, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.060,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 november 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 3] een bedrag van € 1.000, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij H. Hoos

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] in zijn geheel toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 5] een bedrag van € 4.995,31, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

4.995,31 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 oktober 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 5] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 59 (negen en vijftig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [instelling]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Altrecht Aventurijn BV gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [instelling] een bedrag van €1.273,40, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

1.273,40 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [instelling] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 (twee en twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij

gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 7] een bedrag van € 1.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 7] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijf en twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 6] een bedrag van € 1.364,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk

(behoudens voor de post ‘boete openbaar vervoer’, in zoverre wordt de vordering

afgewezen);

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.364,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2014, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 23 (drie en twintig) dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

inbeslaggenomen goederen

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten:

1.00

STK Revolver Reck RG50;

4.00

STK Patroon HP 4MM L.

bepaalt dat het op de beslaglijst onder 3 genummerde voorwerp, te weten een Samsung televisie, dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, [slachtoffer 6] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, rechter,

mr. Y.C. Bours, rechter,

in tegenwoordigheid van mr.H.E. Prinsen Geerligs, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014323582, van de politie eenheid Haaglanden, district Den Haag, bureau Laak, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 530).

2 Proces-verbaal van aangifte p. 24. e.v.

3 Proces-verbaal van aangifte p. 27 e.v.

4 Proces-verbaal verhoor getuige p. 30 e.v.

5 Proces-verbaal van bevindingen p. 158 e.v.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 34 e.v.

7 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek telecommunicatie p. 471 e.v.

8 Proces-verbaal van bevindingen p. 471 en bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, p.521

9 Proces-verbaal van aangifte p. 46 e.v.

10 Proces-verbaal van bevindingen p. 54 e.v.

11 Proces-verbaal van bevindingen p. 476 e.v.

12 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek telecommunicatie p. 471 e.v.

13 Proces-verbaal van bevindingen p. 229 e.v.

14 Proces-verbaal van aangifte p. 61 e.v.

15 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek telecommunicatie p. 471 e.v.

16 Proces-verbaal van bevindingen p. 229 e.v.

17 Proces-verbaal van bevindingen p. 72 e.v. en Proces-verbaal van het team Forensische opsporing Wapens, munitie en explosieven p. 125 e.v.

18 Rapportage van the Maastricht Forensic Institute (TMFI) d.d. 26 juni 2015

19 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6] p. 186 e.v. en proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] p. 188 e.v.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 205 e.v. en proces-verbaal p. 180.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 216 e.v.

22 Proces-verbaal van bevindingen p. 478 e.v.

23 Proces-verbaal van aangifte p. 139 e.v.

24 Geneeskundige verklaring p. 146

25 Proces-verbaal aanvraag benoeming deskundige DNA-onderzoek p. 320 e.v.

26 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek p. 255.

27 Proces-verbaal van bevindingen p. 244

28 Proces-verbaal van bevindingen p. 246

29 Proces-verbaal van bevindingen p. 137

30 Proces-verbaal van bevindingen p. 138

31 Rapport van het NFI d.d. 20 februari 2015 p. 308 e.v.

32 Verklaring verdachte ter terechtzitting

33 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 116

34 Proces-verbaal van aangifte p. 186 e.v. en proces-verbaal van aangifte p. 188 e.v.

35 Proces-verbaal van bevindingen p. 72 en proces-verbaal van relaas p. 179

36 Proces-verbaal van aangifte p. 196 e.v.

37 Proces-verbaal van bevindingen p. 101 e.v.

38 Proces-verbaal van bevindingen onderzoekt telecommunicatie p. 471 e.v.

39 Proces-verbaal van bevindingen p. 225 e.v.

40 Proces-verbaal van bevindingen p. 97 e.v.

41 Proces-verbaal van bevindingen p.100

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 116