Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8086

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
14 / 25108 en 14 / 25119
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Intrekking, onjuiste gegevens, werkinstructie 2007/13, Afdeling: ECLI:NL:RVS:2012:BW 9118.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/25108 en 14/25119

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1], eiser 1,

[naam 2], eiser 2,

tezamen: eisers,

gemachtigde mr. E. van Kempen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van respectievelijk 10 oktober 2014 en 16 oktober 2014 (de bestreden besluiten) waarbij hun verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot en met de ingangsdatum ervan (13 april 1993) zijn ingetrokken.

De gevoegde behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 13 april 2015, tezamen met de behandeling van de beroepen van de andere familieleden. Zie daarvoor de uitspraak van heden met AWB nummers 14/25116 en 14/25117. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. De vader van eisers heeft onder de personalia [naam 3], geboren op [geboortedatum 3] en van Iraakse nationaliteit, mede ten behoeve van eisers, onder de hierboven als eerste vermelde namen, op 13 april 1993 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Daarbij is gesteld dat eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] en de Iraakse nationaliteit bezitten. Op 18 mei 1993 is deze aanvraag ingewilligd.

2. Bij Koninklijk Besluit van 20 februari 1999 is aan de vader onder voornoemde personalia het Nederlanderschap verleend. Het Nederlanderschap is daarbij mede aan de destijds minderjarige eisers, onder de voornoemde personalia, verleend.

3. Na een onderzoek door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) heeft verweerder op 20 april 2011 het voornemen bekend gemaakt rechtsgevolg te zullen onthouden aan het besluit tot naturalisatie van eisers, omdat de vader in de naturalisatieprocedure gebruik had gemaakt van onjuiste identiteitsgegevens. Bij brief van 19 maart 2012 heeft verweerder rechtsgevolg onthouden aan de naturalisatiebesluiten van eisers. De rechtbank Den Haag heeft het verzoek om vaststelling dat eisers het Nederlanderschap bezitten, bij beschikking van 7 maart 2013 afgewezen. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij beschikking van 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:408, afgewezen.

Het voorgaande betekent dat eisers nimmer het Nederlanderschap hebben verkregen. Het verblijfsrecht van eisers moet achteraf bezien met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) op 1 april 2001 op grond van artikel 115, vijfde lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000.

4. Op 27 februari 2013 is een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd uitgebracht. Bij brief van 1 mei 2013 hebben eisers hun zienswijze ingediend. Zij zijn op 26 juni 2013 gehoord.

Eisers hebben op 2 oktober 2013 nog aanvullende zienswijzen ingediend.

5. Eiser 1 staat na het afleggen van een verklaring onder ede en het later overleggen van een Syrische geboorteakte sinds eind oktober 2013 ingeschreven in de Gemeenschappelijke Basisadministratie (GBA), thans Basisregistratie Personen (BRP), als [naam 4], geboren [geboortedatum 4] te [geboorteplaats] (Syrië) en van onbekende nationaliteit.

6. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. De intrekking is in beide gevallen gebaseerd op het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van de juiste gegevens. Dit leidt tot een intrekking tot en met de datum van verlening van de oorspronkelijke verblijfsvergunningen, te weten 13 april 1993.

Wettelijk kader.

7. Op grond van artikel 33, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bedoeld in artikel 33 kan worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

De werkinstructie 2007/13 vermeldt onder 3.1, onderdeel D., het volgende.

Intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens kan niet meer plaatsvinden, indien sinds het tijdstip van eerste verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. In dit geval bestaat op voorhand geen aanleiding voor een nadere beoordeling of onderzoeking. Als een vreemdeling vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en inmiddels tenminste zeven jaar in het bezit is van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dus niet meer worden ingetrokken: sinds het eerste tijdstip van verlening is immers twaalf jaar verstreken.

Onjuiste gegevens.

8. Eisers betwisten dat hun verblijfsvergunningen kunnen worden ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. Zij verwijzen daartoe naar verweerders werkinstructie 2007/13 en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9118. Eisers voegen daaraan toe dat zij destijds minderjarig waren en dat hun vader, en niet zij, de onjuiste gegevens heeft verstrekt.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voornoemde uitspraak van de Afdeling betrekking heeft op vreemdelingen die steeds kenbaar onder de werkingssfeer van de Vreemdelingenwet zijn gevallen. Vreemdelingen in die situatie kunnen zich op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beroepen, indien zij in de periode dat de gedragslijn (werkinstructie 2007/13) gold, tenminste twaalf jaar in het bezit waren van een verblijfsvergunning asiel. Volgens verweerder slaagt het beroep van eisers op deze uitspraak niet. De reden hiervoor is dat eisers niet alleen bij de asielaanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt, maar dat zij vervolgens wederom onjuiste gegevens hebben verstrekt in het kader van hun naturalisatieverzoek. Als de termijn van twaalf jaar (genoemd in werkinstructie 2007/13) volloopt gedurende de termijn dat de desbetreffende vreemdeling voorwendt Nederlander te zijn, kan hij zich niet met succes beroepen op deze gedragslijn en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Immers, in dit geval is bij Koninklijk Besluit achteraf bezien het Nederlanderschap verleend aan een fictief persoon.

Als de eerdergenoemde termijn van twaalf jaar volloopt gedurende de periode dat de desbetreffende vreemdeling voorwendt Nederlander te zijn, kan hij zich niet met succes beroepen op deze gedragslijn en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

Volgens verweerder is hierbij mede van belang dat eisers niet uit eigen beweging, op het moment dat de vaste gedragslijn van toepassing was, aan de daartoe bevoegde autoriteiten hebben gemeld dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning asiel en tot verlening van het Nederlanderschap. Het feit dat eisers, die op het moment van het verzoek om naturalisatie minderjarig waren, niet zelf de onjuiste gegevens hebben verstrekt, is niet van belang. De vader had als hun wettelijk vertegenwoordiger de juiste gegevens moeten verstrekken en eisers dragen de gevolgen daarvan.

10. De rechtbank overweegt dat in de door eisers ingeroepen uitspraak van de Afdeling sprake is van de volgende situatie.

De desbetreffende vreemdelingen zijn op 16 september 1995 toegelaten als vluchteling. Met de invoering van de Vw 2000 per 1 april 2001 is hun vluchtelingenstatus van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Op 11 mei 2008 heeft één van de vreemdelingen zich vrijwillig gemeld bij de politie en verklaard dat zij onjuiste informatie heeft verschaft die heeft geleid tot de statusverlening. Bij besluiten van 7 april 2011 zijn de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2001. De eerder aan hun verleende toelating als vluchteling zijn aangemerkt als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd en met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum ingetrokken.

De Afdeling overweegt vervolgens: dat de werkinstructie (2007/13, geldig van 27 augustus 2007 tot 13 augustus 2010), voor zover hier van belang, het volgende vermeldt. Intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens kan niet meer plaatsvinden, indien sinds het tijdstip van eerste verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. In dit geval bestaat op voorhand geen aanleiding voor een nadere beoordeling of onderzoeking. Als een vreemdeling vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en inmiddels tenminste zeven jaar in het bezit is van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dus niet meer worden ingetrokken: sinds het eerste tijdstip van verlening is immers twaalf jaar verstreken.

En gaat verder: niet in geschil is dat op 16 september 2007, twaalf jaren na de eerste statusverlening aan de vreemdelingen, verweerder bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel de in de werkinstructie neergelegde vaste gedragslijn hanteerde. Gelet op de tekst van de werkinstructie kon vanaf dat tijdstip de aan de vreemdelingen verleende verblijfsstatus niet meer worden ingetrokken. Toen vervolgens de werkinstructie met het in dit geval voor de vreemdelingen gunstige beleid werd afgeschaft, heeft de minister alsnog gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de op grond van onjuiste gegevens verstrekte verblijfsvergunningen in te trekken. Kennelijk beoogde hij aldus met terugwerkende kracht eerder onaantastbaar geworden verblijfsvergunningen in te trekken. Dit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel dat het bij de vreemdelingen gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat die verblijfsvergunningen niet meer zouden worden ingetrokken niet mag worden geschonden.

11. De rechtbank is van oordeel dat de feiten in bovengenoemde uitspraak van de Afdeling en de daar onderliggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2011 (AWB 11/14871), vergelijkbaar zijn met de feiten in deze zaak. Ook in die zaak betrof het intrekkingen van verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 waarbij vóór 1 april 2003 het Nederlanderschap was verleend en nadien was geconcludeerd dat betrokkenen niet het Nederlanderschap hadden verkregen. Ook in dat geval hebben betrokkenen zich beroepen op werkinstructie 2007/13 die ten tijde van de intrekking van de verblijfsvergunningen niet meer van toepassing was.

12. Niet in geschil is dat op 27 augustus 2007, meer dan twaalf jaren na de eerste statusverlening aan eisers, verweerder bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel de in de werkinstructie neergelegde vaste gedragslijn hanteerde. Gelet op de tekst van de werkinstructie en de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling kon, naar het oordeel van de rechtbank, vanaf dat tijdstip de aan eisers verleende verblijfsvergunning niet meer worden ingetrokken. In de door eisers aangehaalde werkinstructie van 2013/5, onderdeel 3.1.D, wordt dit standpunt bevestigd. De stelling van verweerder dat het beroep van eisers op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat eisers in dit geval niet alleen onjuiste gegevens hebben verstrekt bij de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, maar tevens hebben voorgewend Nederlander te zijn, onderschrijft de rechtbank niet. Uit de feiten zoals opgesomd onder rechtsoverweging 11 blijkt immers duidelijk dat ook in die zaak sprake was van een naturalisatie vóór 1 april 2003 en identiteitsfraude.

Ook in de werkinstructie 2007/13 en de geldende werkinstructie 2013/5 is niet bepaald dat het beroep op de verjaringstermijn vervalt indien men in het verleden het Nederlanderschap heeft verkregen. Dat eisers niet uit eigen beweging en niet op het moment dat de vaste gedragslijn van toepassing was, zich hebben gemeld, is anders dan verweerder heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank niet bepalend. Uit de uitspraak van zittingsplaats Zwolle blijkt immers niet dat alle eisers zich uit eigen beweging hebben gemeld. Dat de verjaringstermijn van twaalf jaar nadien niet in het beleid is gehandhaafd en ten tijde van de bestreden besluiten niet meer gold, betekent niet dat daarmee de mogelijkheid hun verblijfsvergunningen in te trekken is herleefd. Zoals de Afdeling heeft overwogen sluit de werkinstructie de mogelijkheid van rechtsherstel uit.

13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de intrekking van de vergunningen asiel voor onbepaalde tijd van eisers op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 13 april 1993, wegens strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft plaatsgevonden.

14. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

15. De beroepen van eisers zullen dan ook gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten worden vernietigd.

16. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 490,-- in verband met het beroep met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 490,-- (vierhonderdnegentig euro) te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. A.W. Ente en mr. B.F.Th. de Roos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.