Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8084

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
14 / 25106
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1550, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Intrekking, onjuiste gegevens, openbare orde, zwaar inreisverbod, Afdeling: ECLI:NL:RVS:2012:BW 9118, Hof C-554/13.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/25106

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 juli 2015 in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. E. van Kempen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen.

Procesverloop

Eiser heeft op 4 november 2014 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2014 (het bestreden besluit) waarbij zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 13 april 1993 is ingetrokken. Daarbij is aan eiser tevens een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 april 2015, tezamen met de behandeling van de beroepen van de andere familieleden. Zie daarvoor de uitspraak van heden met AWB nummers 14/25116 en 14/25117. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was de partner van eiser ter zitting aanwezig. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. De vader van eiser heeft op 13 april 1993 onder de personalia [naam 2], geboren op [geboortedatum 2] en van Iraakse nationaliteit, mede ten behoeve van eiser, onder de hierboven als eerste vermelde naam, een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Daarbij is gesteld dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] en de Iraakse nationaliteit bezit. Op 18 mei 1993 is deze aanvraag ingewilligd.

2. Bij Koninklijk Besluit van 29 september 1998 is aan eiser onder voornoemde personalia het Nederlanderschap verleend.

3. Na een onderzoek door het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) heeft verweerder op 20 april 2011 het voornemen bekend gemaakt rechtsgevolg te zullen onthouden aan het besluit tot naturalisatie van eiser, omdat hij in de naturalisatieprocedure gebruik had gemaakt van onjuiste identiteitsgegevens. Bij brief van 19 maart 2012 heeft verweerder rechtsgevolg onthouden aan het naturalisatiebesluit van eiser. De rechtbank Den Haag heeft het verzoek om vaststelling dat eiser het Nederlanderschap bezit, bij beschikking van 7 maart 2013 afgewezen. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij beschikking van 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:408, afgewezen.

Het voorgaande betekent dat eiser nimmer het Nederlanderschap heeft verkregen. Het verblijfsrecht van eiser dat wordt ontleend aan de toelating als vluchteling, moet achteraf bezien met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) op 1 april 2001 op grond van artikel 115, zevende lid, van de Vw 2000 worden aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 33 van de Vw 2000.

4. Op 27 februari 2013 heeft verweerder een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd alsmede een voornemen tot het opleggen van een inreisverbod uitgebracht. Op 1 mei 2013 heeft eiser zijn zienswijze ingediend. Eiser is vervolgens op 26 juni 2013 gehoord en heeft op 14 juni 2013, 2 oktober 2014 en 7 oktober 2014 aanvullende zienswijzen ingediend.

5. Eiser staat na het afleggen van een verklaring onder ede en het later overleggen van een Syrische geboorteakte, sinds eind oktober 2013 in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), thans de Basisregistratie Personen (BRP), ingeschreven als [naam 3], geboren op [geboortedatum 3], te [geboorteplaats] (Syrië) en van onbekende nationaliteit.

6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken. De intrekking is gebaseerd op twee gronden. Ten eerste: het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van de juiste gegevens. Dit leidt tot een intrekking tot en met de datum van verlening van de oorspronkelijke verblijfsvergunning, te weten 13 april 1993. Ten tweede: op grond van het gevaar voor de openbare orde. Dit leidt tot een intrekking met terugwerkende kracht tot en met 3 april 2000, de datum waarop eiser zijn eerste delict heeft gepleegd.

Wettelijk kader.

7. Op grond van artikel 33, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

Artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

Het eerste lid, aanhef en onder b, bepaalt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden ingetrokken indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregel bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd.

In artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, voor zover van belang, is bepaald dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

In het vierde lid is bepaald dat het inreisverbod wordt gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de desbetreffende vreemdeling naar het oordeel van de minister een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder a, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt, in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem ter zake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.

In het achtste lid is bepaald dat verweerder in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Ter uitvoering van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 is in artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) met betrekking tot de duur van het inreisverbod de hoofdregel neergelegd dat de maximale duur twee jaren bedraagt. In het tweede tot en met zesde lid is bepaald in welke gevallen naar beneden of naar boven wordt afgeweken van deze duur.

In het vijfde lid, voor zover thans van belang, is bepaald dat in afwijking van het eerste tot en met het vierde lid, de duur van een inreisverbod ten hoogste tien jaren bedraagt, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid.

De werkinstructie 2007/13 vermeldt onder 3.1, onderdeel D., het volgende.

Intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens kan niet meer plaatsvinden, indien sinds het tijdstip van eerste verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. In dit geval bestaat op voorhand geen aanleiding voor een nadere beoordeling of onderzoeking. Als een vreemdeling vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en inmiddels tenminste zeven jaar in het bezit is van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dus niet meer worden ingetrokken: sinds het eerste tijdstip van verlening is immers twaalf jaar verstreken.

Procesbelang.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser door verweerder is aangemerkt als een ernstige bedreiging voor de openbare orde in de zin van artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000. Gelet op de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 beschreven rechtsgevolgen van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod, dient de rechtbank allereerst ambtshalve een beslissing te nemen over de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de intrekking.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiser, zolang het inreisverbod voortduurt, geen procesbelang heeft bij onderhavig beroep. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en een recentere uitspraak van 18 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638). Of verweerder de verblijfsvergunning in redelijkheid heeft kunnen intrekken, kan echter ten volle in het kader van de toetsing van het inreisverbod aan de orde worden gesteld, aldus deze uitspraken.

De rechtbank zal de door eiser aangevoerde beroepsgronden hieronder puntsgewijs bespreken.

Onjuiste gegevens.

10. Eiser betwist dat zijn verblijfsvergunning kan worden ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens. Hij verwijst daartoe naar verweerders werkinstructie 2007/13 en een uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9118.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voornoemde uitspraak van de Afdeling betrekking heeft op vreemdelingen die steeds kenbaar onder de werkingssfeer van de Vreemdelingenwet zijn gevallen. Vreemdelingen in die situatie kunnen zich op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beroepen, indien zij in de periode dat de gedragslijn (werkinstructie 2007/13) gold, tenminste twaalf jaar in het bezit waren van een verblijfsvergunning asiel.

Volgens verweerder slaagt het beroep van eiser op deze uitspraak niet. De reden hiervoor is dat eiser niet alleen bij de asielaanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt, maar dat hij vervolgens wederom onjuiste gegevens heeft verstrekt in het kader van zijn naturalisatieverzoek. Immers, in dit geval is bij Koninklijk Besluit achteraf bezien het Nederlanderschap verleend aan een fictief persoon.

Als de eerdergenoemde termijn van twaalf jaar volloopt gedurende de periode dat de desbetreffende vreemdeling voorwendt Nederlander te zijn, kan hij zich niet met succes beroepen op deze gedragslijn en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.

Volgens verweerder is mede van belang dat eiser niet uit eigen beweging, op het moment dat de vaste gedragslijn van toepassing was, aan de daartoe bevoegde autoriteiten heeft gemeld dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning asiel en tot verlening van het Nederlanderschap.

12. De rechtbank overweegt dat in de door eiser ingeroepen uitspraak van de Afdeling sprake is van de volgende situatie.

De desbetreffende vreemdelingen zijn op 16 september 1995 toegelaten als vluchteling. Met de invoering van de Vw 2000 per 1 april 2001 is hun vluchtelingenstatus van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Op 11 mei 2008 heeft één van de vreemdelingen zich vrijwillig gemeld bij de politie en verklaard dat zij onjuiste informatie heeft verschaft die heeft geleid tot de statusverlening. Bij besluiten van 7 april 2011 zijn de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2001. De eerder aan hun verleende toelating als vluchteling zijn aangemerkt als verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd en met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum ingetrokken.

De Afdeling overweegt vervolgens: dat de werkinstructie (2007/13, geldig van 27 augustus 2007 tot 13 augustus 2010), voor zover hier van belang, het volgende vermeldt. Intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens kan niet meer plaatsvinden, indien sinds het tijdstip van eerste verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. In dit geval bestaat op voorhand geen aanleiding voor een nadere beoordeling of onderzoeking. Als een vreemdeling vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en inmiddels tenminste zeven jaar in het bezit is van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dus niet meer worden ingetrokken: sinds het eerste tijdstip van verlening is immers twaalf jaar verstreken.

En gaat verder: niet in geschil is dat op 16 september 2007, twaalf jaren na de eerste statusverlening aan de vreemdelingen, verweerder bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel de in de werkinstructie neergelegde vaste gedragslijn hanteerde. Gelet op de tekst van de werkinstructie kon vanaf dat tijdstip de aan de vreemdelingen verleende verblijfsstatus niet meer worden ingetrokken. Toen vervolgens de werkinstructie met het in dit geval voor de vreemdelingen gunstige beleid werd afgeschaft, heeft de minister alsnog gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de op grond van onjuiste gegevens verstrekte verblijfsvergunningen in te trekken. Kennelijk beoogde hij aldus met terugwerkende kracht eerder onaantastbaar geworden verblijfsvergunningen in te trekken. Dit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van rechtszekerheid en het beginsel dat het bij de vreemdelingen gewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat die verblijfsvergunningen niet meer zouden worden ingetrokken niet mag worden geschonden.

13. De rechtbank is van oordeel dat de feiten in bovengenoemde uitspraak van de Afdeling en de daar onderliggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 30 september 2011 (AWB 11/14871), vergelijkbaar zijn met de feiten in deze zaak. Ook in die zaak betrof het intrekkingen van verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 waarbij vóór 1 april 2003 het Nederlanderschap was verleend en nadien was geconcludeerd dat betrokkenen niet het Nederlanderschap hadden verkregen. Ook in dat geval hebben betrokkenen zich beroepen op werkinstructie 2007/13 die ten tijde van de intrekking van de verblijfsvergunningen niet meer van toepassing was.

14. Niet in geschil is dat op 27 augustus 2007, meer dan twaalf jaren na de eerste statusverlening aan eiser, verweerder bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel de in de werkinstructie neergelegde vaste gedragslijn hanteerde. Gelet op de tekst van de werkinstructie en de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling kon, naar het oordeel van de rechtbank, vanaf dat tijdstip de aan eiser verleende verblijfsvergunning niet meer worden ingetrokken. In de door eiser aangehaalde werkinstructie van 2013/5, onderdeel 3.1.D, wordt dit standpunt bevestigd. De stelling van verweerder dat het beroep van eiser op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat eiser in dit geval niet alleen onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, maar tevens heeft voorgewend Nederlander te zijn, onderschrijft de rechtbank niet. Uit de feiten zoals opgesomd onder rechtsoverweging 13 blijkt immers duidelijk dat ook in die zaak sprake was van een naturalisatie vóór 1 april 2003 en identiteitsfraude.

Ook in de werkinstructie 2007/13 en de geldende werkinstructie 2013/5 is niet bepaald dat het beroep op de verjaringstermijn vervalt indien men in het verleden het Nederlanderschap heeft verkregen. Dat eiser niet uit eigen beweging en niet op het moment dat de vaste gedragslijn van toepassing was, zich heeft gemeld, is anders dan verweerder heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank niet bepalend. Uit de uitspraak van zittingsplaats Zwolle blijkt immers niet dat alle eisers zich uit eigen beweging hebben gemeld. Dat de verjaringstermijn van twaalf jaar nadien niet in het beleid is gehandhaafd en ten tijde van het bestreden besluit niet meer gold, betekent niet dat daarmee de mogelijkheid zijn verblijfsvergunning in te trekken is herleefd. Zoals de Afdeling heeft overwogen sluit de werkinstructie de mogelijkheid van rechtsherstel uit.

15. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de intrekking van de asielvergunning voor onbepaalde tijd van eiser op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en

onder a, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 13 april 1993, wegens strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft plaatsgevonden.

16. Op grond van het voorgaande slaagt het beroep, voor zover dat is gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning op de a-grond tot 13 april 1993.

Openbare orde

17. Eiser stelt dat het beleid in onderdeel C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) voor de facultatieve intrekkingsgrond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 van belang is. Hij is van mening dat niet deugdelijk is onderbouwd dat hij een gevaar voor de veiligheid of de gemeenschap vormt. De strafbare feiten dateren van veertien jaar geleden. Ook het recidivegevaar is niet beoordeeld. Niet is gemotiveerd waarom pas na zes jaar na het onherroepelijk worden van het strafvonnis wordt overgegaan tot intrekking van zijn vergunning. De toepassing van de glijdende schaal acht hij onredelijk. Volgens eiser verzetten artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich tegen zijn uitzetting en had verweerder moeten motiveren waarom hij niet heeft afgezien van toepassing van het openbare orde beleid. Verweerder had de besluitvorming moeten opschorten in afwachting van de uitkomst van procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak H.T. tegen Land Baden-Württemberg (C 373-13).

18. Verweerder voert aan dat conform het beleid in onderdeel C5/4 en C2/8 van de Vc 2000 tot intrekking wordt overgegaan als aan de eisen wordt voldaan zoals die worden gesteld in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en in artikel 3.86 van het Vb 2000. Eiser is blijkens een vonnis van de rechtbank Maastricht van 11 oktober 2006 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar voor het plegen van strafbare feiten in de periode 3 april 2000 tot en met 21 juni 2005. De strafbare feiten hebben dus niet veertien jaar geleden plaatsgevonden. Volgens verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd waarom pas na enkele jaren is overgegaan tot intrekking van de vergunning. Vóór 19 maart 2012 ging eiser immers door het leven als Nederlander. Verweerder stelt dat conform de norm in het beleid tot intrekking is overgegaan. Bij een verblijfsduur van nog geen zeven jaren bedroeg de norm op 21 juni 2005, 30 maanden. Met een gevangenisstraf van 84 maanden voldoet eiser aan deze norm. Het voornemen tot intrekking in februari 2013 is niet zodanig laat dat van intrekking -ook gelet op de ernst van de gepleegde strafbare feiten- had moeten worden afgezien.

Het beroep op de zaak H.T. tegen Land Baden-Württemberg ( C-373/13) slaagt niet nu eiser over een nationale verblijfstitel heeft beschikt, zodat niet valt in te zien hoe de beantwoording van de vragen door het Hof van invloed is op deze zaak.

19. De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit reeds voldoende heeft gemotiveerd waarom pas na jaren is overgegaan tot de intrekking van de vergunning en ziet geen aanleiding om daar anders over te oordelen nu verweerder pas tot intrekking over kon gaan nadat de procedure met betrekking tot het Nederlanderschap was afgerond. Vervolgens heeft eiser de toepassing van de zogenoemde glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb 2000 in beroep niet betwist. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd een nationaalrechtelijke verblijfstitel is, zodat de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak van H.T. tegen Land Baden-Württemberg (C-373/13) niet van invloed is op deze zaak.

Artikel 3 en 8 van het EVRM

20. Niet in geschil is dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar Syrië. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, door te verwijzen naar de aard en de ernst van de gepleegde misdrijven, in voldoende mate gemotiveerd waarom, ondanks het uitzettingsbeletsel, de intrekking van de verblijfsvergunning niet achterwege wordt gelaten.

21. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM in het kader van de intrekking, heeft verweerder terecht verwezen naar de regelgeving en de jurisprudentie waarin is bepaald dat artikel 8 van het EVRM bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet wordt getoetst.

22. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verweerder heeft kunnen besluiten tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 3 april 2000, de datum waarop eiser zijn eerste delict heeft gepleegd. Die beroepsgrond treft dan ook geen doel.

Inreisverbod

23. Eiser voert aan dat niet is gemotiveerd waarom niet is afgezien van een inreisverbod nu hij niet wordt uitgezet. Voorts is het unierechtelijk openbare orde criterium van toepassing. Eiser verwijst daartoe, onder andere, naar de prejudiciële vragen die de Afdeling over artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn op 23 oktober 2013 in de zaken met kenmerk 201112799/1/V3 en 201202062/1/V3 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft gesteld.

24. Verweerder verwijst naar het bestreden besluit. Volgens verweerder is de motivering voldoende omdat omstandigheden zoals de duur van eisers verblijf, de detentie, de veroordeling, de zakelijke belangen en de relatie met zijn vrouw en kinderen die in Duitsland wonen, in de belangenafweging zijn meegenomen. De omstandigheid dat eiser niet kan worden uitgezet en niet uit Nederland kan vertrekken, laat onverlet dat uit het terugkeerbesluit van rechtswege een vertrekplicht voor eiser voortvloeit en dat daarom terecht een inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd.

25. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting heeft erkend dat vanwege het inreisverbod de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Dat betekent dat, gelet op de duur van tien jaren (artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn), in dit geval sprake moet zijn van een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, onder verwijzing naar de prejudiciële vragen van de Afdeling, terecht gesteld dat het unierechtelijk openbare orde criterium van toepassing is. Zoals bij partijen inmiddels bekend mag worden verondersteld, heeft het Hof bij arrest van 11 juni 2015 (C-554/13) de gestelde vragen beantwoord met betrekking tot het in artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde begrip ‘gevaar voor de openbare orde’.

In het arrest is het volgende hieromtrent in punt 50 overwogen: “Bijgevolg dient een lidstaat het begrip „gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115 per geval te beoordelen teneinde na te gaan of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen.

Wanneer een lidstaat daarbij steunt op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk gevaar, zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, gaat die lidstaat voorbij aan de vereisten die voortvloeien uit een individueel onderzoek van het betrokken geval en uit het evenredigheidsbeginsel. Daaruit volgt dat het enkele feit dat een derdelander wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor is veroordeeld, er op zich geen rechtvaardiging voor kan vormen dat deze derdelander wordt beschouwd een gevaar voor de openbare orde te zijn in de zin van artikel 7, lid 4, van richtlijn 2008/115.”

26. Gelet op het voorgaande dient verweerder ook in dit geval het unierechtelijk openbare orde criterium toe te passen. Immers, ook in dit geval ligt aan het inreisverbod een terugkeerbesluit ten grondslag. In dit geval heeft verweerder bij het opleggen van het inreisverbod ten onrechte uitsluitend gekeken naar de delicten die eiser in het verleden heeft gepleegd en de overige door het Hof aangegeven omstandigheden, zoals het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling en het gevaar voor recidive, niet beoordeeld.

27. Met betrekking tot de afweging die verweerder in het kader van eisers beroep op artikel 8 van het EVRM heeft toegepast, oordeelt de rechtbank als volgt.

Van belang zijn de volgende feiten. Eiser heeft een relatie met een vrouw van Duitse nationaliteit. Uit deze relatie zijn twee kinderen met de Duitse nationaliteit geboren die eiser heeft erkend. De vrouw en kinderen wonen in Duitsland. Eiser woont in Nederland. Ook is van belang dat eiser wegens strijd met artikel 3 van het EVRM niet wordt uitgezet naar Syrië.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod niet heeft gemotiveerd waarom in de omstandigheid dat de vreemdeling niet uit Nederland kan vertrekken geen humanitaire of andere reden is gelegen als bedoeld in artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2979.

Voorts heeft verweerder in de in dit kader gemaakte belangenafweging, gelet op recente Europese rechtspraak (onder meer de zaak Udeh vs. Zwitserland, nr. 12020/09) en het bepaalde in artikel 24 van het Handvest en artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, onvoldoende aandacht besteed aan het belang van de kinderen en aan de feitelijke woonsituatie, zoals door eiser naar voren is gebracht.

28. Het beroep is, voor zover gericht tegen het inreisverbod, derhalve gegrond. Het bestreden besluit dient daarbij wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel zoals neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

29. Uit het vorenstaande vloeit voort dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Uit rechtsoverweging 16 volgt dat het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 13 april 1993, gegrond is.

Uit rechtsoverweging 22 volgt dat het beroep, voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 met terugwerkende kracht tot 3 april 2000, ongegrond is.

30. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 490,-- in verband met het beroep en met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op

€ 490,-- (vierhonderdnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. A.W. Ente en mr. B.F.Th. de Roos, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.