Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8029

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
VK-15_11140 / VK-15_11138
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, WBV 2015/7 (besluit- en vertrekmoratorium delen Somalië) geen relevante wijziging van het recht, te verwachten uitkomst taalanalyse geen novum. Beroep op artikel 40 van de Procedurerichtlijn vóór het verstrijken van de implementatietermijn van 20 juli 2015 slaagt niet. Bahaddar-exceptie reeds eerder beoordeeld, geen nieuwe bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 15/11140 (bodemprocedure) en 15/11138 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 2 juli 2015 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde mr. P.J. Schüller,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2015 (hierna: het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

Op 5 juni 2015 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Somalische nationaliteit te bezitten. Eiseres heeft eerder, op 21 juni 2012, op 28 februari 2013, op 5 december 2013 en op 15 september 2014 aanvragen ingediend om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 2 juli 2012, 8 maart 2013, 16 december 2013 en 17 september 2014 afgewezen.

3. Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de onderhavige asielaanvraag van eiseres van 1 juni 2015 en is daarom van gelijke strekking als de besluiten van 2 juli 2012, 8 maart 2013, 15 december 2013 en 17 september 2014. In deze situatie is op het onderhavige beroep het volgende beoordelingskader (hierna: het ne-bis beoordelingskader) van toepassing.

4. Uit het ne-bis-in-idembeginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

5. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

6. In de eerste asielprocedure is met de uitspraak van 24 juli 2012 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, AWB 12/21423 en AWB 12/21424, in rechte komen vast te staan dat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt nu zij daartoe geen documenten heeft overgelegd, geen gedetailleerde verklaringen heeft verstrekt over haar (directe) woonomgeving en haar asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

7. In de laatste asielprocedure is met de uitspraak van 13 oktober 2014 (AWB 14/21266 en 14/21265) in rechte komen vast te staan dat de door eiseres in die procedure ingebrachte door de Somalische ambassade te Brussel op 17 december 2013 afgegeven nationaliteitsverklaring, niet als nieuw feit kan worden aangemerkt. Uit deze nationaliteitsverklaring blijkt hooguit dat eiseres is geboren in [geboorteplaats], maar uit de verklaring kan niet worden afgeleid dat zij ook tot aan haar vertrek naar Nederland in [geboorteplaats] heeft verbleven, zodat haar herkomst met de verklaring niet wordt bevestigd.

8. Eiseres heeft bij de onderhavige asielaanvraag, onder verwijzing naar het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 mei 2015, nummer WBV 2015/7, aangevoerd dat er sprake is van een relevante wijziging van het recht. Nu haar Somalische nationaliteit vast staat en er in deze WBV geen nadere voorwaarden worden gesteld aan het beleid ten aanzien van alleenstaande vrouwen, zou eiseres in aanmerking moeten komen voor een asielvergunning.

Eiseres heeft verder in beroep als novum aangevoerd dat inmiddels een taalanalyse door De Taalstudio is opgestart en dat het rapport blijkens een brief van dit bureau van 12 juni 2015 rond 24 augustus 2015 aan gemachtigde van eiseres zal worden toegezonden.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat WBV 2015/7 niet een voor eiseres relevante wijziging van het recht behelst, nu het ingestelde besluit- en vertrekmoratorium alleen geldt voor vreemdelingen afkomstig uit gebieden in Zuid- en Centraal Somalië die onder controle staan van Al-Shabaab en eiseres haar herkomst niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast bevat WBV 2015/7 geen wijziging van beleid ten aanzien van alleenstaande vrouwen. Immers, ook in de vorige WBV 2014/6 stond vermeld dat een alleenstaande vrouw in aanmerking kan komen voor een asielvergunning, indien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees heeft voor onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Somalië. De voorzieningenrechter constateert dat in het voorgaande afwijzende asielbesluit van 17 september 2014, dat in rechte vast staat, reeds is geoordeeld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde vrees heeft bij terugkeer naar Somalië en dat de enkele omstandigheid dat zij alleenstaande vrouw is, onvoldoende is om dit risico aan te nemen. Van nova in dit verband is gesteld noch gebleken.

10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat inmiddels een taalanalyse is opgestart en bekend is dat het rapport in augustus 2015 beschikbaar zal zijn, niet als novum is aan te merken. In bovengenoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 oktober 2014, is immers reeds geoordeeld dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij niet eerder is overgegaan tot het opstarten van het onderzoek bij de Taalstudio, nu zij sinds 2 juli 2012 hiertoe in de gelegenheid is geweest. Voorts is geoordeeld dat een taalanalyse niet zonder meer de gestelde herkomst van eiseres zal vaststellen.

11. Eiseres heeft voorts in beroep betoogd dat de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geeft aan de toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet in overeenstemming is met het artikel 40 van de herziene Procedurerichtlijn (2013/32/EU; hierna: de richtlijn). Daartoe voert zij aan dat de term ‘nieuwe elementen’ in het derde lid van voornoemde bepaling een ruimere strekking heeft dan de term ‘nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden’. Hoewel de implementatietermijn van de richtlijn nog niet is verlopen, moet de nationale rechter zich blijkens het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 18 december 1997, C-129/96, Inter-Environnement Wallonie (ECLI:EU:C:1997:628, hierna: het arrest) vanaf de inwerkingtreding van een richtlijn immers zoveel mogelijk onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van de doelstelling van die richtlijn ernstig in gevaar brengt. Verweerder heeft ten onrechte hier niet aan getoetst, aldus eiseres.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat het Hof in het arrest in punt 45 heeft overwogen, dat een lidstaat zich gedurende de omzettingstermijn van een richtlijn moet onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door een richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen.

Het Hof heeft voorts in het arrest van 4 juli 2006, C-212/04, Adeneler (ECLI:EU:C:2006:443) in punt 117, 121 en 122 overwogen, dat de verplichting zich gedurende de omzettingsperiode te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door een richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zou brengen, ook geldt voor de nationale rechter.

13. Vast staat dat ten tijde van het bestreden besluit de richtlijn in werking is getreden en de omzettingstermijn niet is verstreken. De in rechtsoverweging 12 vermelde verplichting zich te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door een richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen, maakt echter niet dat artikel 40 van de richtlijn reeds voor het aflopen van de omzettingstermijn in deze zaak dient te worden toegepast. Dat de voorzieningenrechter in de onderhavig zaak van eiseres de ne bis beoordeling verricht, maakt immers niet dat in andere zaken door de nationale rechter, na het verstrijken van de omzettingstermijn, niet een ander beoordelingskader kan worden gehanteerd, indien en voor zover de richtlijn daartoe noopt. Reeds daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat, met de ne bis beoordeling, verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat in algemene zin ernstig in gevaar zou worden gebracht.

14. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de aanpassing van de nationale wetgeving aan onder meer artikel 40 van de richtlijn, ingevolge artikel 51, eerste lid, uiterlijk op 20 juli 2015 voltooid moet zijn. Nu de richtlijn de wetgever deze periode gunt, is op dit moment geen rechtstreeks beroep op de desbetreffende bepaling(en) mogelijk. Ook in wat eiseres overigens heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om daarop vooruitlopend, in afwijking van de thans bestaande praktijk, tot een andere ruimere beoordeling van het asielverzoek van eiseres over te gaan. De rechtbank verwijst daartoe tevens naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014 (nr. 201311213/1/V2).

15. Met betrekking tot het beroep op de Bahaddar-exceptie verwijst de voorzieningenrechter eveneens naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 13 oktober 2014. Hierin is immers reeds geoordeeld dat de door eiseres ingebrachte omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden als bedoeld in voornoemd arrest kunnen worden aangemerkt, waarbij relevant is dat eiseres haar herkomst nog altijd niet aannemelijk heeft gemaakt. Van nieuwe bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken.

16. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in paragraaf 45 van het arrest inzake Bahaddar, is er voor toetsing van het besluit van 5 juni 2015 geen plaats.

17. Het beroep is derhalve ongegrond.

18. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

19. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.