Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:8008

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
09/819515-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na openlijk geweld op een tankstation en een achtervolging per auto heeft er in Gouda een poging tot moord in vereniging plaatsgevonden. De toentertijd 19-jarige verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Geen toepassing jeugdstrafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/819515-14

Datum uitspraak: 26 juni 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op 31 januari 1995 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet te Hoogvliet.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 januari 2015, 21 april 2015 en 12 juni 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. van den Heuvel en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Gouda en/of Reeuwijk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, op het terrein van tankstation Shell, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [geboorteplaats], welk geweld bestond uit het (meermalen) slaan in het gezicht van die [geboorteplaats] en/of met een of meerdere getrokken messen, althans een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, achtervolgen van die [geboorteplaats] en/of (tijdens genoemde achtervolging) het afsnijden, in elk geval trachten af te snijden, van de weg van die [geboorteplaats];

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Gouda en/of Reeuwijk tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [geboorteplaats]) (meermalen) tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en/of

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Gouda en/of Reeuwijk tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [geboorteplaats] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend met een of meerdere getrokken messen, althans een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, die [geboorteplaats] achtervolgd en/of (tijdens genoemde achtervolging) de weg van die [geboorteplaats] afgesneden, althans getracht af te snijden;

2.

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, die [geboorteplaats] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet,

- die [geboorteplaats] (met een auto) heeft achtervolgd en/of

- die [geboorteplaats] met een of meerdere getrokken messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, heeft achtervolgd en/of

- ( in de nabijheid van die [geboorteplaats] en/of terwijl die [geboorteplaats] op de grond lag) in de richting van het (boven)lichaam van die [geboorteplaats] met een of meerdere messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, (meermalen) een stekende beweging heeft gemaakt en/of

- die [geboorteplaats] met een of meerdere messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, in het onder- en/of bovenlichaam (te weten het linker bovenbeen en/of de rechter elleboog en/of het linker schouderblad) heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 oktober 2014 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, die [geboorteplaats] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, in elk geval met dat opzet

- die [geboorteplaats] (met een auto) heeft achtervolgd en/of

- die [geboorteplaats] met een of meerdere getrokken messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, heeft achtervolgd en/of

- ( in de nabijheid van die [geboorteplaats] en/of terwijl die [geboorteplaats] op de grond lag) in de richting van het (boven)lichaam van die [geboorteplaats] met een of meerdere messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, (meermalen) een stekende beweging heeft gemaakt en/of

- die [geboorteplaats] met een of meerdere messen, in elk geval een of meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen, in het onder- en/of bovenlichaam (te weten het linker bovenbeen en/of de rechter elleboog en/of het linker schouderblad) heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

De verdenking tegen verdachte bestaat er uit dat hij op 9 oktober 2014 bij tankstation De Andel openlijk geweld zou hebben gepleegd tegen [geboorteplaats] (hierna: aangever) door hem in het gezicht te slaan, hem met getrokken messen te achtervolgen en (te proberen) hem de pas af te snijden (feit 1 primair), dan wel het aldus medeplegen van mishandeling en/of bedreiging (feit 1 subsidiair). De verdenking bestaat er voorts uit dat verdachte in Gouda, na een achtervolging met de auto, aangever samen met (een) ander(en) met messen heeft gestoken en zo heeft geprobeerd aangever te vermoorden (feit 2 primair), dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 2 subsidiair).

De rechtbank ziet zich voor de vragen gesteld of verdachte bij tankstation De Andel en in Gouda (al dan niet samen met anderen) geweld tegen aangever heeft gepleegd. Zo ja, dan dient de rechtbank met betrekking tot feit 2 vast te stellen waarop het opzet van verdachte was gericht en of hij met voorbedachte raad heeft gehandeld.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) openlijk geweld heeft gepleegd tegen aangever bij tankstation De Andel. Daarna heeft [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), bij wie verdachte en [medeverdachte 1] in de auto zaten, aangever tot het Driewegplein in Gouda achtervolgd. Daar heeft verdachte zich volgens de officier van justitie samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een poging tot moord op aangever.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich met betrekking tot alle vragen op zijn zwijgrecht beroepen.

Met betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat er vrijspraak dient te volgen van de bestanddelen “meerdere getrokken messen” en “meerdere scherpe en/of puntige voorwerpen”.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte met een mes heeft gestoken en dat hij medepleger is geweest van het geweld. Daarnaast kan niet worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet was gericht op de dood van aangever en dat er met voorbedachte raad is gehandeld.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de hiervoor genoemde vragen acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Aangifte

Aangever heeft verklaard dat hij op de avond van woensdag 8 oktober 2014 op stap was met [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]). Op donderdag 9 oktober 2014 tussen 00:00 en 00:30 uur parkeerden zij de auto achter de shop van tankstation De Andel,2 gelegen aan de Rijksweg A12 te Reeuwijk.3 Daar was ook [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), die samen was met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) en twee Marokkaanse vrouwen. De vrouwen liepen op een gegeven moment naar de shop. Nadat [betrokkene 3] (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 3], hierna: [betrokkene 3]) op de parkeerplaats was aangekomen, ging ook aangever naar de shop om sigaretten te halen.4 Toen hij weer naar buiten liep, zei de dunste van de Marokkaanse vrouwen (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 5], de zus van [medeverdachte 1]5) iets tegen hem. Aangever weet niet meer wat ze zei, maar hij reageerde daar wel op. Buiten liepen hem drie jongens tegemoet, van wie hij later heeft begrepen dat het verdachte, [medeverdachte 1] en een Bosnische jongen (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) waren. [medeverdachte 1] vroeg hem wie hij was. Aangever zei [medeverdachte 1] dat dat hem niets aanging. Toen hij langs de jongens wilde lopen, kreeg hij van [medeverdachte 1] een vuistslag tegen zijn linkerkaak/-nek. Aangever draaide zich om en kreeg van verdachte een vuist op zijn rechterkaak. [medeverdachte 1] en verdachte trokken allebei een mes. [medeverdachte 1] had een soort rambomes van circa 15 centimeter lang. Verdachte had een zakmesje dat kleiner was dan het mes van [medeverdachte 1]6 en ongeveer 5 centimeter lang was.7 [medeverdachte 2] stond er alleen maar bij. Aangever rende, met beide jongens met getrokken messen achter hem aan, de shop weer in. Hij rende om de stellingen en tafels heen. [medeverdachte 1] rende achter aangever aan. Verdachte probeerde aangever af te snijden en sloeg hem hard op zijn rechteroog. Aangever rende vervolgens de shop uit. Hij ging rechts om de shop heen naar zijn vrienden [betrokkene 3], [betrokkene 1], [medeverdachte 2] en [betrokkene 2], die nog bij de auto’s stonden. Hij zei tegen zijn vrienden dat hij was geslagen en dat ze messen hadden.8

Aangever is vervolgens de oprit van de snelweg opgerend en de rijbaan naar de middenberm overgestoken. Omdat in de middenberm een sloot lag, kon hij niet verder. Hij heeft daarna [medeverdachte 2] opgebeld en hem gevraagd om hem op te pikken met de auto. Toen aangever zag dat [medeverdachte 1] terugliep naar het tankstation is hij de snelweg weer overgestoken richting de vluchtstrook. Daar heeft [medeverdachte 2] hem met de auto opgepikt. [betrokkene 2] zat achter in de auto. [medeverdachte 2] is vervolgens naar het parkeerterrein van de Reeuwijkse plassen gereden. Daar hebben zij heel even gewacht en zijn daarna teruggereden richting de snelweg. Kort voor de afrit/oprit naar de A12 kwam een auto hen tegemoet rijden. In Reeuwijk zijn ze op de rotonde linksaf gegaan, richting de Jumbo. De auto, die gekeerd was, kwam hard achter hen aangereden. Ze zijn door de woonwijk van Reeuwijk gereden en uiteindelijk bij een brug, vlakbij de brandweer, linksaf richting Gouda gegaan. Op die lange weg werden ze ingehaald door de achtervolgende auto. Die auto werd dwars over de weg gezet voor de auto waarin aangever zich bevond. Aangever zag dat er twee andere personen dan de bestuurder, onder wie [medeverdachte 1], uit de auto stapten. [medeverdachte 1] had iets in zijn hand. Omdat [medeverdachte 2] een kleine auto heeft, kon hij om de dwarsgezette auto heen rijden. Ze vervolgden hun weg naar Gouda.9

Daar reden ze de wijk Achterwillens in, totdat ze bij het Driewegplein aankwamen, waar [medeverdachte 2] de auto parkeerde. De achtervolgende auto reed hen een stukje voorbij. Aangever stapte snel uit en liep een stukje terug de weg op. Hij zag ter hoogte van de bushalte dat [medeverdachte 1] en verdachte met getrokken messen op hem af kwamen rennen. Aangever kon hen beiden ontwijken en rende langs de supermarkt MCD en vervolgens het bruggetje over. Daar liep hij het hondenpad op. Omdat hij moe was, stopte aangever met rennen. Hij draaide zich om en werd door [medeverdachte 1] met een mes in zijn linkerbovenbeen gestoken.10 Nadat [medeverdachte 1] het mes uit zijn been had getrokken, viel aangever op zijn rug doordat hij geen kracht meer kon zetten. Terwijl hij probeerde op te staan, wilde verdachte hem steken. Aangever probeerde zich af te weren, waarna verdachte hem stak in zijn rechterelleboog. Aangever rende vervolgens terug het bruggetje over naar de MCD. Toen hij de MCD net voorbij was, draaide hij zich om. Aangever voelde en zag dat hij door verdachte werd gestoken in zijn linkerschouderblad. Hij rende vervolgens naar de weg naast de MCD. Hij zag dat [betrokkene 3] daar met zijn auto stond in de rijrichting zoals ze ook waren komen aanrijden. Aangever is op de bijrijdersstoel van de auto gaan zitten. [betrokkene 3] heeft hem naar het ziekenhuis gebracht. Onderweg begon aangever hevig te bloeden en heeft hij 112 gebeld.11

Verklaring [medeverdachte 2]

heeft, op 9 oktober 2014 omstreeks 2.30 uur, verklaard dat hij samen met [betrokkene 2], aangever en [betrokkene 3] bij tankstation De Andel was. Zij zaten daar in twee auto’s op de parkeerplaats achter de shop van het tankstation. Aangever was naar de shop gegaan om wat te halen. Op een gegeven moment kwam hij schreeuwend terugrennen naar de auto’s. Hij schreeuwde dat hij door drie gasten in elkaar werd geslagen. Aangever kwam naast de auto staan. [medeverdachte 2] zag een rode plek onder het rechteroog van aangever en een sneetje in zijn neus. Aangever rende vervolgens weer verder richting de voorzijde van de shop. Toen hij uit zijn auto was gekomen, zag [medeverdachte 2] dat aangever achterna werd gezeten door ene [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) en [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Verdachte rende iets achter [medeverdachte 1]. Hij zag dat [medeverdachte 1] een mes in zijn hand had. Toen aangever op enig moment naar de uitrit van de parkeerplaats in de richting van de snelweg rende, zag hij dat [medeverdachte 1] nog steeds achter aangever aanrende. Hij probeerde [medeverdachte 1] te stoppen en schreeuwde dat [medeverdachte 1] rustig moest doen. Hij zag dat [medeverdachte 1] het mes omhoog hield en hoorde dat [medeverdachte 1] tegen hem schreeuwde: “Ik steek je neer”. [medeverdachte 2] schrok van het gedrag van [medeverdachte 1] en rende terug naar zijn auto.12

Bij zijn auto werd [medeverdachte 2] gebeld door aangever met de mededeling dat hij naar de snelweg moest komen. [medeverdachte 2] is naar hem toegereden. Zij zijn vervolgens bij de afrit Reeuwijk van de snelweg afgegaan en hebben bij de Reeuwijkse Hout gewacht. Op het moment dat ze daar wegreden, zag [medeverdachte 2] dat er een grijze Kia Sportage hen tegemoet kwam rijden. Hij zag dat de Kia keerde en achter hen aan kwam. [medeverdachte 2] is bij de eerste rotonde linksaf geslagen, Reeuwijk in, om de Kia af te schudden. Terwijl hij door Reeuwijk reed, zat de Kia continu achter hem aan. Op een gegeven moment kwamen ze op de Zoutmansweg in Reeuwijk uit, een lange rechte weg naar Gouda. [medeverdachte 2] reed hier vol gas, maar de Kia haalde hen toch in. Door hen af te snijden dwong de Kia hen te stoppen. Op het moment dat [medeverdachte 2] tot stilstand was gekomen, zag hij dat beide portieren aan de achterzijde geopend werden en dat [medeverdachte 1] aan de rechterzijde uitstapte. Vervolgens wist [medeverdachte 2] via het gras toch weg te komen. Hij zag dat [medeverdachte 1] zijn hand omhoog hield en iets vast had. [medeverdachte 2] is zo snel mogelijk richting Gouda gereden. Hij zag dat de Kia inmiddels weer achter hen aanreed.13

[medeverdachte 2] is op het Driewegplein in Gouda uitgekomen, waar hij scherp een parkeerplaats in stuurde. Hierdoor schoot de Kia hen voorbij. [medeverdachte 2] stopte zijn auto en aangever stapte uit en rende weg. Daarna is [medeverdachte 2] gekeerd en is hij naar huis gereden.14

Verklaring [medeverdachte 2]

heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] en verdachte naar tankstation De Andel is gereden. Toen hij het tankstation wilde inlopen, hoorde hij een klap. Daarna zag hij verdachte een jongen een klap geven. [medeverdachte 2] is er naar toe gelopen, omdat hij ze uit elkaar wilde halen. Het slachtoffer rende weg en verdachte en [medeverdachte 1] renden erachter aan.15

Een paar minuten later kwamen verdachte en [medeverdachte 1] terug. Zij zijn toen via de A12, afslag Reeuwijk, naar supermarkt MCD gereden.16

Verdachte en [medeverdachte 1] zijn uitgestapt. [medeverdachte 2] heeft ongeveer vijf minuten gewacht. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn daarna weer bij [medeverdachte 2] ingestapt.17

De reisafstand en reisduur tussen tankstation De Andel en het Driewegplein in Gouda

De totale reisafstand tussen tankstation De Andel te Reeuwijk en het Driewegplein te Gouda, met als tussenstop de Reeuwijkse Houtwal, bedraagt 8,0 kilometer. De geschatte reisduur met de auto is 18 minuten.18 De rechtbank merkt op dat deze route geen rekening houdt met de omweg door Reeuwijk, waarover aangever en de getuige [medeverdachte 2] hebben verklaard.

De periode tussen het geven van de eerste klap bij tankstation De Andel en het steekincident op het Driewegplein in Gouda is 23 minuten.19

Camerabeelden

De rechtbank overweegt dat de politie verdachte op de beelden heeft herkend als de jongen met de blauwe trui met witte letters en een donkere broek. Daarnaast zou de jongen met de grijze pet [medeverdachte 1] zijn.20 Geconfronteerd met deze herkenning heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. De raadsman van verdachte heeft de herkenning door de politie en de aanwezigheid van verdachte bij tankstation De Andel, supermarkt MCD en het Driewegplein niet betwist. De rechtbank zal dan ook van de herkenning door de politie uitgaan bij de conclusies die zij trekt uit haar eigen waarneming van de camerabeelden van De Andel (vanaf de werkelijke tijd 01:01:47 uur), MCD (vanaf de werkelijke tijd 01:25:05) en Stadstoezicht Gemeente Gouda gericht op de voorzijde van de supermarkt (vanaf de werkelijke tijd 01:26:21 uur).21 Daaruit blijkt dan (onder meer) het volgende.

Tankstation De Andel

Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] naar aangever loopt en hem een klap geeft.22 Vervolgens slaat ook verdachte aangever en rent hij als eerste achter aangever aan. Daarna is te zien dat er vier personen achter elkaar aan rennen. Wanneer aangever de shop binnenkomt, wordt hij gevolgd door verdachte en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft dan iets in zijn hand dat een grote gelijkenis vertoont met een mes. Verdachte probeert zijn been voor het been van aangever te zetten. Nadat aangever de shop weer is uitgelopen, gaat hij rechtsaf. [medeverdachte 2], die voor de ingang staat, maakt een beweging naar verdachte en [medeverdachte 1]. Verdachte slaat linksaf, terwijl [medeverdachte 1] rechtsaf afslaat en aangever blijft achtervolgen. [medeverdachte 2] loopt daar weer achteraan.23

Supermarkt MCD

Om 01:25:05 uur komt verdachte voorbij rennen. Een seconde later komt ook een persoon die [medeverdachte 1] zou kunnen zijn voorbij lopen. Om 01:26:25 uur is aangever te zien en daarachter verdachte. Verdachte houdt zijn linkerhand naar voren. Aangever kijkt achterom en rent weg.24

Stadstoezicht Gemeente Gouda

Vanaf 01:26:21 uur is te zien dat aangever wordt achtervolgd door verdachte. Verdachte nadert aangever tot korte afstand. Aangever kijkt een aantal keren achterom naar verdachte. Verdachte gaat met zijn armen heen en weer. Vervolgens wordt de afstand tussen aangever en verdachte weer groter.25

Letsel

Bij aangever werden door de forensisch arts D. Botter drie door een scherprandig voorwerp veroorzaakte letsels geconstateerd:

- een klieving van circa 1,5 cm lengte bij het linkerschouderblad;

- een klieving van circa 2,5 cm lengte in de rechteronderarm;

- een klieving van circa 2,7 cm lengte in het linkerbovenbeen.26

De forensisch arts heeft over de risico’s van de vastgestelde letsels het volgende overwogen.

Het steekletsel aan het linkerbovenbeen was aanleiding tot shock door verbloeding. Shock is een levensbedreigende toestand die, indien onbehandeld, een aanzienlijke kans op dodelijke afloop heeft. Door tijdige en adequate behandeling van de shocktoestand en de bloeding zijn de gezondheidsrisico’s gereduceerd tot nihil. Indien het slachtoffer het ziekenhuis niet of later had kunnen bereiken, was er sprake geweest van een aanzienlijke kans op overlijden.

Indien het steekletsel bij de linkerschouder dieper en/of anders van richting was geweest, had het volgende kunnen plaatsvinden: een perforatie van de borstkas met als mogelijke gevolgen een klaplong of bloedverlies in de borstholte, een perforatie van de grote ader in de hals met als (mogelijke) gevolgen bloedverlies en een luchtembolie waarbij een ernstige of fatale hartpompfunctiestoornis kan optreden, dan wel een vaak dodelijke perforatie van de halsslagader.27

De deskundige heeft met betrekking tot de steekletsels in de rechteronderarm en het linkerbovenbeen nog toegevoegd dat de gezondheidstoestand cumulatief slechter wordt als er meer dan één van bovengenoemde complicaties optreedt. Indien letsels en/of complicaties optreden wordt de prognose in belangrijke mate bepaald door de mogelijkheid voor het slachtoffer om snel adequate medische hulpverlening te bereiken en het slagen van medische behandeling.28

Telefoongesprek

Op 10 oktober 2014 om 12:09 uur heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen een nummer eindigend op -[telefoonnummer 1], dat bij verdachte in gebruik was, en een nummer eindigend op -[telefoonnummer 2].29 De verbalisant die verdachte heeft gehoord, heeft de gebruiker van het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 1] aan zijn stem, woordkeuze, intonatie en uitspraak herkend als verdachte.30 Geconfronteerd met deze waarneming heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. De raadsman heeft ook niet betwist dat verdachte in dit gesprek te horen is. De rechtbank gaat er, mede gelet op het feit dat de gebruiker van het nummer eindigend op -[telefoonnummer 1] wordt aangesproken met “[verdachte]”, dan ook van uit dat verdachte onderstaand gesprek heeft gevoerd:

Verdachte: Hallo

-[telefoonnummer 2]: Hejo [verdachte]

Verdachte: Ja wie is dit?

-[telefoonnummer 2]: Turk

Verdachte: Wie?

-[telefoonnummer 2]: Turk

Verdachte: Ajo

-[telefoonnummer 2]: He wat is met [betrokkene 6]

Verdachte: Ik kan niet praten nu

-[telefoonnummer 2]: Eh is het erg?

Verdachte: Ja man, sowieso drie jaar

-[telefoonnummer 2]: Zeg wolla

Verdachte: Wolla

-[telefoonnummer 2]: Wat steken?

Verdachte: Ja

-[telefoonnummer 2]: He?

Verdachte: Ja

-[telefoonnummer 2]: Hij het nog wolla

Verdachte: Hij en ik, ik ook

-[telefoonnummer 2]: Hij en?

Verdachte: Ik

-[telefoonnummer 2]: Maar jij zit niet vast

Verdachte: Nee nog niet

-[telefoonnummer 2]: Gaan ze je ophalen?

Verdachte: Mmmh

-[telefoonnummer 2]: Goed ik praat met jou op verlof

Verdachte: Safi is goed adios

-[telefoonnummer 2]: Adios.31

Conclusies met betrekking tot feit 1: het incident bij tankstation De Andel

De rechtbank acht alleen al op grond van de aangifte en de camerabeelden van De Andel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, waaronder het meermalen slaan en het afsnijden van de weg van aangever. Hierop is door de verdediging ook geen verweer gevoerd.

Heeft verdachte bij de achtervolging bij De Andel ook een mes getrokken?

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd acht de rechtbank ook bewezen dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte daarbij met getrokken messen achter aangever zijn aangerend. De rechtbank baseert zich hierbij op de zeer gedetailleerde verklaring van aangever. Deze verklaring acht de rechtbank betrouwbaar, omdat de verklaring op andere essentiële punten steun vindt in objectieve bewijsmiddelen als camerabeelden en letselbeschrijving. Bovendien blijkt ook uit het hierna te bespreken incident nabij het Driewegplein in Gouda dat verdachte die avond in het bezit was van een mes.

Conclusies met betrekking tot feit 2: het incident nabij het Driewegplein in Gouda

Is er sprake geweest van een achtervolging?

De rechtbank stelt vast dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] na het incident bij De Andel de auto waarin aangever zat hebben achtervolgd en afgesneden. De rechtbank baseert zich daarbij ook hiervoor allereerst op de betrouwbaar geachte verklaring van aangever. Deze verklaring wordt, ook voor wat betreft de gereden omweg door Reeuwijk, ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2], de bestuurder van de auto waarin aangever zich bevond, welke verklaring zeer kort na het incident is afgelegd. Daar komt bij dat de rechtbank het voor onmogelijk houdt dat de auto van verdachten zonder achtervolging precies zou zijn aangekomen op de plaats waar en het moment waarop aangever is uitgestapt.

Heeft verdachte gestoken?

De rechtbank overweegt dat aangever in zijn eerste uitgebreide verklaring duidelijk heeft verklaard dat hij zowel door [medeverdachte 1] (in zijn bovenbeen) als door verdachte (in zijn elleboog en schouderblad) is gestoken. De verklaring van aangever dat hij, toen hij de MCD net voorbij was, zich omdraaide en door [verdachte] werd gestoken in zijn linkerschouderblad, wordt bovendien ondersteund door de waarneming van de camerabeelden van de MCD waarop is te zien dat verdachte aangever tot korte afstand nadert en daarbij met zijn armen heen en weer gaat. Bovendien vindt het steken door verdachte steun in het telefoongesprek dat hij een dag na het incident heeft gevoerd. Anders dan de raadsman kan de rechtbank – bij het uitblijven van een (redelijke) verklaring van verdachte – aan dit gesprek geen andere gevolgtrekking verbinden dan dat zowel verdachte (ik) als een ander (hij) heeft gestoken. Voor de overtuiging speelt daarbij mee dat verdachte in hetzelfde gesprek lijkt te speculeren over een mogelijke straf (drie jaar) en dat hij zal worden opgepakt. De rechtbank acht daarom bewezen dat ook verdachte op 9 oktober 2014 in het bezit was van een mes en aangever daarmee tweemaal heeft gestoken.

Is er sprake van medeplegen?

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen tevens worden afgeleid dat er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank merkt allereerst op dat [medeverdachte 1] en verdachte beiden bij De Andel al met getrokken messen achter aangever zijn aangerend. Zij acht het daarom niet voorstelbaar dat verdachte zich toen niet al bewust is geweest van het duidelijk zichtbare mes van [medeverdachte 1]. Daarna hebben zij samen minutenlang in een achtervolgende auto gezeten. In Gouda hebben zij met getrokken messen de achtervolging van aangever te voet voortgezet om hem daarna op dezelfde plaats vlak na elkaar te steken. Deze gelijktijdigheid van handelen maakt dat [medeverdachte 1] en verdachte zich van elkaars geweldshandelingen bewust moeten zijn geweest. Verdachte is aangever daarna nog gevolgd en heeft hem nogmaals gestoken, voordat verdachte en [medeverdachte 1] weer samen met dezelfde auto vertrokken. Dit maakt dat [medeverdachte 1] en verdachte complementerende geweldshandelingen hebben verricht, waarbij beiden een significante en haast inwisselbare rol hebben gehad. Het voorgaande getuigt van een dermate bewuste en nauwe samenwerking met het doel om aangever met messen te steken, dat er sprake is van medeplegen.

Waar was het opzet van verdachte en [medeverdachte 1] op gericht?

Nu verdachte en [medeverdachte 1] als medeplegers zijn aangemerkt moet bij de beoordeling van hun opzet de gezamenlijkheid van hun gedragingen en de door hen toegebrachte letsels worden betrokken. De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood allereerst moet worden vastgesteld of de kans dat aangever zou komen te overlijden naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk moest worden geacht. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen steken in onder meer het bovenlichaam in beginsel een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Immers bevinden zich in het bovenlichaam vitale organen die bij dit soort geweld gemakkelijk dermate beschadigd kunnen raken dat dit dodelijk is. Daar komt bij dat de door steekwonden elders in het lichaam veroorzaakte bloedingen de kans op een fatale afloop kunnen versterken.

Dit oordeel op grond van algemene ervaringsregels wordt ondersteund door het rapport van de forensisch arts waaruit blijkt dat als de steekwond in het bovenlichaam anders van richting was geweest (en nog niet eens per se dieper) fataal letsel had kunnen optreden. Dat klemt temeer nu aangever op het moment dat hij in zijn schouderblad werd gestoken in beweging was. Daarnaast is aangever door bloedverlies daadwerkelijk in een levensbedreigende toestand beland.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] een aanmerkelijke kans in het leven hebben geroepen dat aangever door hun handelen was komen te overlijden. Verdachte moet zich daarvan – net als ieder ander – ook bewust zijn geweest. Door desondanks deze geweldshandelingen te (blijven) plegen, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook aanvaard. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever heeft gehad.

De omstandigheid dat aangever direct naar het ziekenhuis is gebracht waardoor de gezondheidsrisico’s zouden zijn gereduceerd tot nihil, zoals de verdediging heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Niet alleen doet het enkele feit dat er tijdig medische hulp is verleend niet af aan het feit dat het steken op zichzelf een aanmerkelijke kans op de dood opleverde. Ook vermag de rechtbank niet in te zien dat de omstandigheid dat de steekpartij zich in bewoond gebied heeft voorgedaan, afdoet aan het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood van aangever.

Is er sprake geweest van voorbedachte raad?

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank stelt voorop dat reeds bij het tankstation De Andel sprake was van een gewelddadige confrontatie en getrokken messen. De rechtbank acht het uitgesloten dat verdachte en [medeverdachte 1] in de auto niet over het zojuist voorgevallen incident, de achtervolging en de - bij het slagen van die achtervolging - te nemen acties hebben gesproken. Zij hadden dan ook op verschillende momenten (na de eerste confrontatie, na het mislukte klemrijden en bij het wegrennen van aangever) kunnen besluiten om van een tweede confrontatie af te zien. Dit is telkens – kennelijk na overleg met [medeverdachte 2], de bestuurder van de auto – niet gebeurd.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte 1] na de beëindiging van de eerste confrontatie, gedurende een periode van ruim 20 minuten en een fysieke verplaatsing van meer dan 8 kilometer, meermalen de gelegenheid hebben gehad om zich op hun voorgenomen daad te beraden. In een zaak als de onderhavige, waarin verdachte en zijn mededader geen inzicht willen geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hen is omgegaan, gaat de rechtbank er van uit dat zij ook van deze gelegenheid gebruik hebben gemaakt. De rechtbank ziet daarvoor ook geen contra-indicaties. Integendeel, het feit dat verdachte en [medeverdachte 1], na een eerdere confrontatie en een lange achtervolging, op het Driewegplein direct met getrokken messen achter aangever aan zijn gelopen, past veeleer bij een reeds genomen besluit om het geweld, dat kennelijk nog niet afdoende was geweest, voort te zetten dan in een scenario dat zij pas kort voor het steekincident hebben besloten om dat geweld te gaan uitoefenen. Dit betekent dat verdachte samen met [medeverdachte 1] heeft gehandeld met voorbedachte raad en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op aangever.

[medeverdachte 2]

Ten aanzien van [medeverdachte 2] is de rechtbank van oordeel dat hij zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan de poging tot moord.32

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1. primair).

hij op 9 oktober 2014 te Reeuwijk met een ander op een voor het publiek toegankelijke plaats openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [geboorteplaats], welk geweld bestond uit het meermalen slaan in het gezicht van die [geboorteplaats] en het met meerdere getrokken messen achtervolgen van die [geboorteplaats] en (tijdens genoemde achtervolging) het trachten af te snijden van de weg van die [geboorteplaats];

2 ( primair).

hij op 9 oktober 2014 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [geboorteplaats] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- die [geboorteplaats] met een auto heeft achtervolgd en

- die [geboorteplaats] met meerdere getrokken messen heeft achtervolgd en

- die [geboorteplaats] met meerdere messen in het onder- en bovenlichaam (te weten het linkerbovenbeen en de rechterelleboog en het linkerschouderblad) heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

(1 primair) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

(2 primair) medeplegen van poging tot moord.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling voor de feiten 1 en 2 zou dan deels voorwaardelijke jeugddetentie kunnen worden opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan zijn voorarrest en aan het voorwaardelijke deel de door de reclassering genoemde voorwaarden kunnen worden gekoppeld. In dat geval heeft de raadsman verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis.

Indien het volwassenstrafrecht wordt toegepast, heeft de raadsman gevraagd in matigende zin rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging door een voor hem onbekende jongen te slaan, te achtervolgen en te bedreigen met een mes. Daarna heeft verdachte samen met zijn mededader geprobeerd om – na een achtervolging in de auto – dit slachtoffer te vermoorden door hem met messen neer te steken. Het is daarbij niet aan verdachte of zijn mededader te danken dat het slachtoffer de feiten heeft overleefd. Deze buitenproportionele geweldsfeiten moeten het slachtoffer grote angst hebben aangejaagd. Op dergelijke ernstige feiten past enkel een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 oktober 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor geweldsfeiten.

Bij de beantwoording van de vraag of het jeugd- of volwassenenstrafrecht moet worden toegepast, stelt de rechtbank voorop dat verdachte ten tijde van het delict 19 jaar oud was en dat daarom in beginsel het volwassenenstrafrecht geldt. De rechtbank heeft echter ook kennis genomen van een reclasseringsadvies over verdachte van 8 juni 2015, waarin wordt overwogen dat er zowel aanwijzingen zijn voor het toepassen van het jeugd- als voor het volwassenenstrafrecht. Uiteindelijk heeft de reclassering het toepassen van het jeugdstrafrecht geadviseerd, omdat de mogelijkheden tot het volgen van onderwijs in een Justitiële Jeugdinrichting beter zijn en verdachte in een dergelijke inrichting ook beter op zijn plek zou zijn. In het plan van aanpak wordt wel uitgegaan van toezicht door de volwassenenreclassering en een interventie uit het volwassenenstrafrecht (ambulante behandeling door een forensische zorginstelling).

De rechtbank ziet onvoldoende redenen om tot het toepassen van het jeugdstrafrecht over te gaan. Zij overweegt daartoe dat er enerzijds een weinig overtuigend advies voor de toepassing van het jeugdstrafrecht ligt - waaronder een plan van aanpak zonder interventies uit het jeugdstrafrecht - en dat het anderzijds gaat om een recidiverende verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit en bovendien geen enkel inzicht heeft willen geven in de aanleiding en zijn beleving van het delict en niet heeft willen meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek. De rechtbank zal daarom verdachte overeenkomstig de vordering van de officier van justitie een straf op grond van het volwassenenstrafrecht opleggen.

De rechtbank zal wel ten maximale – en nog meer dan de officier van justitie – rekening houden met de leeftijd van verdachte zoals ook door de raadsman bepleit. Zij zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis – gelet op de hoogte van de bij dit vonnis op te leggen straf – afwijzen.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[geboorteplaats] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 26.201,66, met het verzoek tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering (hoofdelijk), met uitzondering van de post kapot juweel, en heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen en de immateriële schade, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en nadere bewijslevering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Voorts dient de benadeelde partij met betrekking tot de posten kapot juweel, verzorgingskosten en vervoerskosten niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, omdat niet is gebleken dat deze schade door de benadeelde partij is geleden. De raadsman heeft zich met betrekking tot de posten schoenen, broek, jack, trui, reiskosten en medische kosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de posten schoenen, broek, jack, trui, reiskosten en medische kosten toewijzen, nu de vordering in zoverre niet is betwist en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de post arbeidsvermogen tot en met week 43 en de post smartengeld tot een bedrag van € 3.500,00 toewijzen, nu de vordering, met inachtneming van de aard en ernst van het letsel, in zoverre voldoende is onderbouwd en uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 8.311,94 (€ 577,00 +

€ 4.234,94 + € 3.500,00).

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren, nu de vordering ten aanzien van het restant van de posten arbeidsvermogen en smartengeld en ten aanzien van de posten kapot juweel, verzorgingskosten en vervoerskosten onvoldoende is onderbouwd en een nader onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat verdachte, indien en voor zover een mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

Verdachte zal tevens hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte voor het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 8.311,94, ten behoeve van [geboorteplaats].

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 141 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

(1 primair) openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

(2 primair) medeplegen van poging tot moord;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [geboorteplaats] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [geboorteplaats] een bedrag van € 8.311,94;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 8.311,94 ten behoeve van [geboorteplaats];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 76 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting door de verdachte en/of een van zijn mededaders aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting door de verdachte en/of zijn mededaders aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mrs. M.L. Ruiter en Y.C. Bours, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Woertman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014252687, van de politie eenheid Den Haag, district Gouwe IJssel, Team Opsporing Opvang D2, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 484).

2 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 148

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 12

4 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 148

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 213

6 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 149

7 Proces-verbaal verhoor aangever [geboorteplaats], p. 153

8 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 149

9 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 149

10 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 149

11 Proces-verbaal aangifte [geboorteplaats], p. 150

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 194-195

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 195

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 195

15 Proces-verbaal verhoor verdachte M. [medeverdachte 2], p. 297

16 Proces-verbaal verhoor verdachte M. [medeverdachte 2], p. 298

17 Proces-verbaal verhoor verdachte M. [medeverdachte 2], p. 300

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 315

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 315

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 407; proces-verbaal van bevindingen, p. 213

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 311: het opnamestation van “De Andel” loopt zes minuten voor; proces-verbaal van bevindingen, p. 201: de klok van het beveiligingssysteem van MCD liep 10 minuten en 5 seconden voor op de werkelijke tijd; de tijden op de beelden van Stadstoezicht Gemeente Gouda lopen kennelijk twee uur achter; alle weergaven in het vonnis betreffen de werkelijke tijd

22 Proces-verbaal ter terechtzitting van 22 januari 2015, opgemaakt en ondertekend door mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, en mr. M.A. Schaap, griffier, p. 2

23 Proces-verbaal ter terechtzitting van 22 januari 2015, opgemaakt en ondertekend door mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, en mr. M.A. Schaap, griffier, p. 2 en 3

24 Proces-verbaal ter terechtzitting van 22 januari 2015, opgemaakt en ondertekend door mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, en mr. M.A. Schaap, griffier, p. 4 en 5

25 Proces-verbaal ter terechtzitting van 21 april 2015, opgemaakt en ondertekend door mr. G.P. Verbeek, voorzitter, en W.M.W. van Nuss, griffier, p. 4

26 Een geschrift, te weten een rapport van D. Botter, forensisch arts KNMG, d.d. 20 januari 2015, betreffende een onderzoek naar de aard en de oorzaken van letsels bij de heer [geboorteplaats], p. 11

27 Een geschrift, te weten een rapport van D. Botter, forensisch arts KNMG, d.d. 20 januari 2015, betreffende een onderzoek naar de aard en de oorzaken van letsels bij de heer [geboorteplaats], p. 12

28 Een geschrift, te weten een rapport van D. Botter, forensisch arts KNMG, d.d. 20 januari 2015, betreffende een onderzoek naar de aard en de oorzaken van letsels bij de heer [geboorteplaats], p. 13

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 240

30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 327

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 240

32 Vonnis van deze rechtbank van heden in de zaak tegen M. [medeverdachte 2] (parketnummer 09/819514-14).