Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
09/842255-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Den Haag veroordeelt een 23-jarige man tot een gevangenisstraf van 7 jaar wegens doodslag op zijn 18-jarige vriendin. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer met een mes in de rug heeft gestoken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/842255-14 en 09/753541-12 (tul)

Datum uitspraak: 10 juli 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1992 te Den Haag,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum, te Den Haag.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 26 juni 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. I.A. Groenendijk, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 mei 2014 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de rug (onder het linker schouderblad) van die [slachtoffer] gestoken (waardoor de linkerlong en/of de lichaamsslagader zijn geperforeerd), tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Inleiding, samenvatting van de zaak

Deze zaak gaat om een tragische gebeurtenis die heeft plaatsgevonden op 29 mei 2014. In de vroege ochtenduren van die dag heeft [slachtoffer], oud 18 jaar, een ernstige steekverwonding in de rug opgelopen. Dit vond plaats in de woning te Leidschendam waar [slachtoffer] woonde samen met haar vriend, verdachte, met wie zij ongeveer twee jaar een relatie had. Ten tijde van het oplopen van de verwonding bevond zich niemand anders dan [slachtoffer] en verdachte in de woning. Verdachte heeft door het bellen van 112 hulp ingeroepen, doch ondanks reanimatiepogingen is [slachtoffer] ter plaatse overleden. Verdachte heeft steeds volgehouden dat hij niet verantwoordelijk is voor het oplopen door [slachtoffer] van de steekverwonding en daarmee ook niet voor haar overlijden.

Gelet op hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd dient de rechtbank in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of het verdachte is geweest die [slachtoffer] met een mes in de rug heeft gestoken en haar dusdoende van het leven heeft beroofd. Indien de rechtbank dat bewezen acht zal zij (als verdachte strafbaar wordt geacht) zich moeten uitspreken over de aard en duur van een op te leggen straf. Ten slotte dient in dat geval de rechtbank een oordeel te geven over een tweetal vorderingen die zijn ingediend door nabestaanden van [slachtoffer].

4 Bewijsoverwegingen

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder [slachtoffer] de steekverwonding heeft opgelopen en de aard, locatie en omvang van die verwonding, het niet anders kan dan dat verdachte die verwonding opzettelijk heeft toegebracht door [slachtoffer] met een mes in de rug te steken. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het aan verdachte ten laste gelegde feit bepleit. Zij heeft daartoe in hoofdzaak gewezen op de niet uit te sluiten mogelijkheid dat [slachtoffer] de fatale steekverwonding niet door enige handeling van verdachte, maar als gevolg van andere omstandigheden heeft opgelopen.

4.3.

De beoordeling van de tenlastelegging1

Algemeen

De rechtbank baseert haar beslissing omtrent de tenlastelegging op diverse bewijsmiddelen, waaronder bevindingen en verklaringen, die in het onderstaande verkort worden weergegeven, waarna de rechtbank gemotiveerd zal aangeven tot welke conclusies die bewijsmiddelen voeren.

Bevindingen naar aanleiding van de 112-melding

Op 29 mei 2014 rond 04.21 uur heeft verdachte telefonisch via het alarmnummer 112 contact opgenomen met de alarmcentrale en is aanstonds doorgeschakeld naar de meldkamer van de ambulancedienst te Den Haag2. Hij heeft medegedeeld dat hij een ambulance nodig had omdat zijn vriendin een epileptische aanval had gehad. Op de vraag van de centraliste of zij bekend was met epilepsie heeft verdachte geantwoord: “Ja, en ze is net tegen een mes aangevallen. Die is schuin tegen haar rug aangekomen”.

De eerste politieagenten die na de melding van verdachte ter plaatse in de woning zijn gekomen hebben als relaas van hun bevindingen (onder meer en waar nodig zakelijk weergegeven) het volgende vastgelegd3:

Op donderdag 29 mei 2014 omstreeks 04:23 uur bevonden wij ons, verbalisanten [verbalisant 1]

en [verbalisant 2], in uniform gekleed en met surveillance belast op politiebureau Leidschendam-Voorburg. Op dat moment hoorden wij dat collega’s door de dienstdoende centralist van de centrale meldkamer, Eenheid Den Haag, verzocht werden te gaan naar de [adres] te Leidschendam. Aldaar zou een dame onwel zijn en mogelijk een epileptische aanval hebben. Wij zijn hierop eveneens derwaarts gegaan. Aanrijdend hoorden wij van de meldkamer dat de vrouw mogelijk een mes in haar handen had en dat zij nu op de grond lag met dit mes onder haar.

Ter plaatse aangekomen zagen wij dat de voornoemde woning een flat betrof. Wij zagen dat dit een flat betrof met meerdere woonlagen. Wij zagen dat het desbetreffende perceelnummer zich op de derde etage bevond. Hierop zijn wij samen met collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] met de lift naar de derde etage gegaan.

Aangekomen op de derde etage kwamen wij terecht in een centrale hal. Wij zagen dat perceelnummer 88 bereikbaar was via een aldaar gelegen galerij. Hierop zijn wij de galerij opgelopen. Wij zagen dat er aan het eind van deze galerij, aan de linkerzijde, een deur toegang gaf tot een centrale hal waarin drie portiekwoningen gelegen waren. Wij zagen dat de woning welke zich aan de rechterzijde, vanaf de toegangsdeur gezien, perceelnummer 88 betrof. Wij zagen dat de voordeur van perceelnummer 88 op een kier stond. Vervolgens zagen wij dat de voordeur uitkwam op een kleine hal van de woning. Hierop zagen wij dat er zich aan de rechterzijde een toegangsdeur bevond welke uitkwam op de keuken. Wij zagen een vrouw in de keuken, ter hoogte van het aanrecht, op de grond liggen. Wij zagen een man rechts naast de vrouw staan. Wij hoorden de man zeggen: ”Kom snel, kom snel, ze ligt hier” of woorden van gelijke strekking. Wij zagen de vrouw op haar rug liggen met haar voeten richting de voordeur en haar hoofd richting de woonkamer. Wij zagen dat de vrouw een tenger postuur en donkerkleurig haar had. Wij zagen dat het gelaat van de vrouw erg grauw van kleur was. Wij zagen dat zij haar armen en haar bovenlichaam bewoog. Wij zagen dat zij dit deed met schokkende bewegingen. Wij zagen dat zij ademhaalde. Wij hebben ons vervolgens over de vrouw ontfermd en zijn naast haar gaan zitten. De vrouw reageerde niet op ons aanspreken. Wij zagen aan de linkerzijde van de borstkas van de vrouw op haar shirt een rode bloedvlek van ongeveer 3 centimeter in diameter. Wij zagen dat de vlek zich ongeveer 10 centimeter onder haar linker oksel bevond. Tevens zagen wij een aantal bloeddruppels op de grond naast de linker flank van de vrouw. Hierop hebben wij de linker schouder van de vrouw iets omhoog getild teneinde vast te stellen waar het bloed vandaan kwam. Wij schoven de bovenkleding van de vrouw omhoog zodat wij zicht kregen op haar rug. Wij zagen op de rug van de vrouw, ter hoogte van haar linker flank, een bloedende wond. Deze wond was gelijkend op een steekwond, afmeting ongeveer een centimeter bij een halve centimeter. Verbalisant [verbalisant 1] zag op het bh bandje wat over haar rug liep een klein gat van dezelfde omvang als de wond in haar rug. Hierop hebben wij direct een ambulance ter plaatse gevraagd in verband met de steekwond.

Gezien het letsel van de vrouw en de eerdere melding dat er vermoedelijk een mes bij betrokken was hebben wij collega’s [verbalisant 4] en [verbalisant 3] medegedeeld dat de man aangehouden diende te worden in verband met het letsel van de vrouw. De verdachte werd vervolgens aangehouden en overgebracht naar het bureau. De aangehouden verdachte was de man die naast de vrouw stond hij onze binnenkomst. Behalve deze aangehouden verdachte en de vrouw bevonden zich geen personen in de woning.

Op dat moment zagen wij dat de vrouw nog steeds niet aanspreekbaar was, schokkende bewegingen maakte en ademhaling had. Wij zagen een geringe hoeveelheid bloed rondom de wond. Wij vermoedden dat het een diepere wond was welke vermoedelijk inwendig letsel had veroorzaakt. Wij zagen namelijk dat de wond niet oppervlakkig was en niet hevig bloedde. Hierop hebben wij de vrouw weer op haar rug gelegd. Vervolgens draaiden wij de vrouw op haar rechter flank in de stabiele zijligging omdat wij zagen dat zij aan het kokhalzen was. Wij zagen vervolgens bloed uit de wond stromen. Hierop besloten wij de vrouw op haar linker flank in de stabiele zijligging te leggen. Omdat wij vermoedden dat haar linker long mogelijk geraakt was wilden wij de goede long boven hebben. Wij zagen dat de wond vervolgens stopte met bloeden.

Nadat de vrouw ongeveer een halve minuut in deze positie lag zagen wij dat zij stopte met bewegen. Wij zagen dat zij geen adem meer haalde. Hierop hebben wij haar direct op haar rug gedraaid en zijn gestart met reanimeren. Tijdens het reanimeren gaven wij aan de centrale meldkamer door dat het niet goed ging met het slachtoffer en dat wij gestart waren met reanimatie. Enkele minuten later kwamen de ambulancemedewerkers ter plaatse. Deze hebben zich direct over de vrouw ontfermd. Wij zagen dat zij de vrouw aansloten op een hartmonitor. Wij hoorden hen zeggen dat de vrouw een “asystolie” had en dat het hart niets meer deed. Hierop sloten zij het automatische reanimatie apparaat “Lucas” aan op de borstkas van de vrouw. Deze nam de reanimatie van ons over. Wij zagen een steeds groter wordende plas bloed onder de vrouw vormen. Op een zeker moment arriveerde de trauma arts en een verpleegkundige van het Medisch Mobiel Team. Wij zagen dat deze naast het slachtoffer stonden. Wij hoorden de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat bij soortgelijk traumatisch letsel er slechts een minimale kans op overleving bestaat bij operatie binnen tien minuten na ontstaan van het letsel. Hierop hoorden wij de arts van het Mobiel Medisch Team in samenspraak met de ambulance medewerkers beslissen tot het staken van de reanimatie. Omstreeks 04:56 uur zijn wij gestopt met reanimeren.

Verdere bevindingen omtrent de situatie in de woning

In de gootsteen in de keuken is een mes aangetroffen met een zwart heft en met bloed op het lemmet. De lengte van het lemmet was circa 11 centimeter en de maximale breedte daarvan 1,5 centimeter4.

DNA-onderzoek mes

Het bloed op het lemmet van het mes is bemonsterd. Uit een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 8 oktober 2014 blijkt5 dat dit bloedmonster afkomstig kan zijn van [slachtoffer] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

Het heft van het mes is bemonsterd ten behoeve van (onder meer) DNA-onderzoek. Uit het zojuist vermelde rapport van het NFI valt af te leiden dat in die bemonstering een DNA-mengprofiel is aangetroffen van verdachte en minimaal één ander persoon.

Aanvullend onderzoek aan de bemonstering van het heft heeft als resultaat gehad, blijkend uit een rapport van het NFI van 10 november 20146, dat een DNA-mengprofiel is verkregen van minimaal twee personen, waarbij het celmateriaal afkomstig kan zijn van verdachte en van [slachtoffer] en dat er geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van een andere (onbekende) persoon.

Oorzaak overlijden

Het door het NFI opgemaakte sectierapport vermeldt7, dat bij onderzoek van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is vastgesteld dat er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld een steekverwonding linksboven aan de rug aanwezig was. De steekverwonding had een opvallend torpedovormig aspect met een scherpe en een stompe punt passend bij steken met een eenzijdig snijdend voorwerp zoals een eenzijdig snijdend mes. Er was een gerelateerd steekkanaal te herleiden van links naar rechts en voorwaarts tot in de borstkas. In het steekkanaal, met een lengte van 10 centimeter, waren de linkerlong en de lichaamsslagader geperforeerd. Er was daarbij veel bloed in de linkerborstholte verloren. Er waren dientengevolge bleke bloedarme inwendige organen. Het overlijden van [slachtoffer] is het gevolg geweest van het massale bloedverlies in combinatie met functieverlies van de linkerlong.

Conclusies van de rechtbank

Tenzij daar enige andere omstandigheid aan in de weg zou staan, waarover de rechtbank hierna zal oordelen, leveren de zojuist weergegeven feiten en omstandigheden het wettig bewijs dat verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Uit die bewijsmiddelen volgt dat ten tijde van het oplopen van de steekverwonding door [slachtoffer] niemand anders dan zij en verdachte in de woning aanwezig waren. Gelet op het steekkanaal van 10 centimeter in combinatie met de afmetingen van het ter plaatse aangetroffen mes waarop bloed van [slachtoffer] werd aangetroffen staat verder vast dat de fatale steekverwonding door dat mes is veroorzaakt, terwijl op dat mes het DNA van verdachte is aangetroffen. Die feiten wijzen verdachte aan als degene die er voor heeft gezorgd dat het mes in de rug van [slachtoffer] terecht is gekomen, en wel door een bewuste, en daarmee opzettelijke, handeling van verdachte.

De verdediging heeft evenwel aangevoerd dat er inderdaad omstandigheden aan in de weg staan om op grond van deze bewijsmiddelen tot het wettig en overtuigend bewijs van de aan verdachte ten laste gelegde doodslag te concluderen. De vraag is hoe hetgeen de verdediging daartoe heeft aangevoerd moet worden verstaan. De rechtbank kan daaruit in elk geval geen duidelijk geformuleerd alternatief scenario voor het oplopen van de steekverwonding door [slachtoffer] afleiden. Een dergelijk scenario (waaronder de rechtbank verstaat: een relaas van feiten en omstandigheden inhoudende op welke wijze [slachtoffer] de steekverwonding anders dan door handelen van verdachte heeft opgelopen) volgt in elk geval niet uit hetgeen verdachte heeft verklaard omtrent hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld rond het tijdstip waarop [slachtoffer] gewond is geraakt. Met name heeft verdachte niet (in elk geval niet langer) verklaard dat [slachtoffer] “in het mes is gevallen”. Hij heeft niet meer en anders verklaard dan dat hij [slachtoffer] op een gegeven moment achterover heeft zien vallen en daarna heeft geconstateerd dat zij op een mes lag en een verwonding had opgelopen. Hij heeft verklaard niet te hebben gezien (en ook overigens niet te weten) op welke wijze het mes in het lichaam van [slachtoffer] is gekomen, en evenmin waar dat mes zich, voordat [slachtoffer] viel, bevond.

Wat de verdediging wel op basis van de verklaring van verdachte heeft geponeerd is een aantal veronderstellingen, die enerzijds zien op de reden waarom [slachtoffer] zou zijn gevallen (zij zou mogelijk een epilepsieaanval hebben gekregen) en anderzijds op de wijze waarop het mes in het lichaam van [slachtoffer] terecht zou zijn gekomen (dat zou kunnen zijn gebeurd doordat [slachtoffer], liggend op de grond, bewegingen zou hebben gemaakt waarbij of waardoor zij in het mes zou zijn “geschoven”).

De rechtbank stelt vast dat er uit hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken zelfs niet de minste schijn van aannemelijkheid te putten valt voor hetgeen de verdediging aldus als veronderstelling naar voren heeft gebracht. Daarbij zal de rechtbank geheel in het midden laten of [slachtoffer] nu wel of niet een epileptische aanval heeft gekregen en daardoor is gevallen. Want zelfs als [slachtoffer] zou zijn gevallen, door wat voor oorzaak dan ook, dan nog is het volstrekt onaannemelijk, om niet te zeggen zo goed als uitgesloten, dat zij in haar val, dan wel daarna liggend op de vloer een steekverwonding in de rug heeft opgelopen van een aard en omvang als feitelijk het geval is geweest. In elk geval is de kans daarop zodanig verwaarloosbaar klein, dat deze geen gewicht in de schaal legt tegenover de bewijskracht van de reeds geciteerde bewijsmiddelen.

Nu het verweer van de verdediging faalt, staat daarmee vast dat [slachtoffer] de fatale steekverwonding door geen enkele andere oorzaak kan hebben opgelopen dan door een opzettelijke handeling van verdachte. Dat betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk met een mes in de rug heeft gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 29 mei 2014 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de rug (onder het linker schouderblad) van die [slachtoffer] gestoken (waardoor de linkerlong en de lichaamsslagader zijn geperforeerd), tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht dat, mocht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen achten dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, er rekening wordt gehouden met de jonge leeftijd van verdachte, zijn zwakbegaafdheid, zijn beperkte cognitieve vermogen en zijn ontbrekende impulscontrole.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten aanzien van de keuze van strafsoort en strafduur overweegt de rechtbank meer in het bijzonder het volgende.

Het overlijden van een meisje als [slachtoffer] op slechts 18-jarige leeftijd is op zich genomen al een dramatische gebeurtenis, en dat wordt nog in hoge mate versterkt als dat overlijden opzettelijk door een ander is veroorzaakt. Aan [slachtoffer] is daarmee de kans ontnomen om nog lange tijd een leven te leiden zoals zij zich dat zou hebben gewenst, terwijl aan de nabestaanden diep en onherstelbaar leed is toegebracht. Dat alles moet verdachte, als degene die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, worden aangerekend. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Dat betekent dat uit een oogpunt van vergelding en normbevestiging geen andere straf voor oplegging in aanmerking komt dan één die vrijheidsbeneming van aanmerkelijke duur met zich brengt.

Voor wat betreft de duur van die vrijheidsstraf staat voorop dat de eis van de officier van justitie voor een zaak als de onderhavige als uitgangpunt zeker niet buitensporig kan worden genoemd. De rechtbank zal dan ook moeten nagaan of er in het geval van verdachte factoren zijn die aanleiding geven van dat uitgangspunt -in welke zin dan ook- af te wijken.

Verdachte heeft er voor gekozen een andere lezing van de gebeurtenissen op 29 mei 2014 te geven dan de rechtbank blijkens het vorenoverwogene bewezen acht. Dat is vanzelfsprekend het goed recht van verdachte, maar het betekent wel dat de rechtbank moet vaststellen dat verdachte als enige nog levende getuige van de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid daaromtrent geen openheid van zaken wenst te geven. Dat zal stellig bijdragen aan de gevoelens van onmacht bij de nabestaanden, die aldus in onzekerheid moeten blijven verkeren over de vraag onder welke omstandigheden [slachtoffer] is overleden.

Deze proceshouding betekent voorts dat, hoewel er veel bekend is geworden omtrent de achtergrond, levensgeschiedenis en overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, deze geen doorslaggevende rol kunnen spelen (in elk geval niet in matigende zin) bij de strafoplegging. Het zwijgen van verdachte omtrent de toedracht heeft er immers toe geleid dat de ingeschakelde gedragsdeskundigen niet in staat zijn vast te stellen of bepaalde omstandigheden aan de zijde van verdachte enige rol hebben gespeeld bij het plegen van het bewezenverklaarde feit, en zo ja, wat die rol dan was en wat voor gevolgen daaraan moeten worden verbonden, met name uit een oogpunt van toerekenbaarheid.

Aldus resteren slechts enkele objectieve omstandigheden die bij de bepaling van de strafsoort een rol van betekenis kunnen spelen. De meest in het oog lopende daarvan is wel de jeugdige leeftijd van verdachte. Daarnaast wenst de rechtbank in aanmerking te nemen dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken -zekerheid daaromtrent is er immers niet- dat het bewezenverklaarde feit, hoe ernstig ook, heeft plaatsgevonden in een impuls, mogelijk opgeroepen door een heftige gemoedsbeweging waarin verdachte verkeerde als gevolg van een ruzie met [slachtoffer].

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen die in voor verdachte gunstige zin enigszins afwijkt van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd.

8 De vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 21.656,25.

[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 23.210,84.

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze zien op de post ‘affectieschade’. Hiertoe overweegt de officier van justitie dat de wet nog niet in deze mogelijkheid voorziet.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd de vorderingen voor het overige toe te wijzen tot een bedrag van € 4.156,25 respectievelijk € 5.710,84, vermeerderd met de wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] met betrekking tot de posten ‘affectieschade’ niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, dan wel moeten worden afgewezen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 1]

De vordering van de [benadeelde 1] is als volgt opgebouwd:

Begrafeniskosten: € 3.651,25

Rouwkaarten: € 155,00

Graftak: € 350,00

Affectieschade: € 17.500,00

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘begrafeniskosten’, ‘rouwkaarten’ en ‘graftak’, is door of namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘affectieschade’ afwijzen, aangezien de wet op dit moment voor vergoeding van affectieschade geen ruimte biedt.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.156,25.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 29 mei 2014 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering van [benadeelde 2] is als volgt opgebouwd:

Begrafeniskosten: € 5.258,50

Griffierechten beneficiaire aanvaarding: € 120,00

Reiskosten: € 332,34

Affectieschade: € 17.500,00

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘begrafeniskosten’, ‘griffierechten beneficiaire aanvaardingen’ en ‘reiskosten’, is door of namens verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘affectieschade’ afwijzen, aangezien de wet op dit moment voor vergoeding van affectieschade geen ruimte biedt.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.710,84.

De rechtbank zal voorts de over de schadeposten ‘begrafeniskosten’ en ‘griffierechten beneficiaire aanvaardingen’ gevorderde (en niet betwiste) wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat die schadeposten met ingang van 6 augustus 2014 zijn ontstaan. De rechtbank ziet voorts aanleiding de met ingang van 29 mei 2014 gevorderde (en niet betwiste) wettelijke rente over de schadepost ‘reiskosten’ toe te wijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9 De schadevergoedingsmaatregel

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichtingen zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.156,25, subsidiair 51 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 1] en tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.710,84, subsidiair 63 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde 2].

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van deze vordering geen standpunt ingenomen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van

- een bedrag, groot € 4.156,25 ten behoeve van [benadeelde 1] vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag waarop deze vorderingen zijn voldaan;

- een bedrag, groot € 5.710,84, ten behoeve van [benadeelde 2], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 respectievelijk 6 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vorderingen zijn voldaan.

10 De vordering tenuitvoerlegging

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van

het bij vonnis van deze rechtbank d.d. 4 december 2013 voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 8 augustus 2014 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Den Haag d.d. 4 december 2013, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14g, 36f, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

doodslag

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) JAAR;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[benadeelde 1] een bedrag van € 4.156,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 4.156,25, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 51 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[benadeelde 2] een bedrag van € 5.710,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 (met betrekking tot de schadepost ‘reiskosten’) en vanaf

6 augustus 2014 (met betrekking tot de schadeposten ‘begrafeniskosten’ en ‘griffierechten beneficiaire aanvaardingen’) tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 5.710,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 mei 2014 respectievelijk 6 augustus 2014 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 63 dagen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en

[benadeelde 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan een benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan een benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank te Den Haag d.d. 4 december 2013, gewezen onder parketnummer

09/753541-12, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. du Pon, voorzitter,

mr. A.P. Pereira Horta, rechter,

mr. D.E. Alink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit – tenzij anders vermeld – ambtsedige processen-verbaal alsmede geschriften, deel uitmakend van het dossier 15 TGO 14402 “INDIA 14”. De vermelding van een paginanummer zal worden voorafgegaan door een verkorte aanduiding van het desbetreffende onderdeel van het dossier (O voor algemeen proces-verbaal, FO voor forensisch proces-verbaal, V voor verdachten-proces-verbaal en G voor getuigen-proces-verbaal)

2 O-pv p. 49

3 O-pv p. 54

4 FO-pv p. 28

5 FO-pv p. 284

6 FO-pv p. 337

7 FO-pv p. 149