Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
15_652 VPB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 heeft eiseres een bedrag aan gefactureerde bedragen niet tot haar omzet gerekend en daarnaast een bedrag gedoteerd aan een voorziening die zij heeft gevormd voor verschuldigde servicekosten. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag de gefactureerde bedragen tot de omzet gerekend en de voorziening (deels) gecorrigeerd. Met hetgeen zij heeft aangevoerd heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de gefactureerde bedragen op eerdere jaren zouden zien. Evenmin aannemelijk is gemaakt dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de achterstallige servicekosten, die blijkens een door eiseres verstrekte overzicht sowieso lager zijn dan het totaalbedrag van de gevormde voorziening, ooit zullen worden voldaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2422
V-N Vandaag 2015/2095
V-N 2015/53.2.2

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 15/652

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2015 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J.C.J. Smallenbroek),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [vestigingsplaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 15 december 2014 op het bezwaar van eiseres tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 naar een belastbaar bedrag van € 31.308 (de aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015.

Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 28 mei 2015 aan mr. J.C.J. Smallenbroek op het adres [adres], [postcode] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 29 mei 2015 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 20 mei 2010 heeft eiseres voor het jaar 2008 de aangifte vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbaar bedrag van € 811 negatief. In de aangifte is de balanspost onderhanden werk afgenomen van € 242.002 aan het begin van het boekjaar 2008 naar € 219.976 aan het einde van het boekjaar 2008. Het verschil van (afgerond) € 22.000 betreft in 2008 gefactureerde bedragen (de gefactureerde bedragen) die door eiseres in dat jaar niet tot de omzet zijn gerekend. Verder heeft eiseres in 2008 een bedrag van € 2.589 gedoteerd aan een voorziening die zij gevormd heeft in verband met verschuldigde servicekosten (de voorziening). Eind 2008 bedraagt de voorziening € 20.475.

2. In augustus 2010 heeft de belastingdienst bij eiseres een controle uitgevoerd naar, onder meer, de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2008 (de controle). Met dagtekening 7 augustus 2012 is van de controle een rapport opgesteld (het controlerapport). Het controlerapport behoort tot de gedingstukken.

3. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder de gefactureerde bedragen gecorrigeerd en heeft hij de voorziening gecorrigeerd met € 10.119. Het belastbaar bedrag is aldus vastgesteld op € 31.308.

4. De bewijslast voor de stelling dat de gefactureerde bedragen niet tot de omzet van 2008 moeten worden gerekend, ligt bij eiseres. Eiseres heeft daarvoor geen bewijsstukken overgelegd, maar slechts aangevoerd dat de controleambtenaren alle stukken hebben gezien. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij bij de controle alle informatie heeft verstrekt ter onderbouwing van het niet tot de omzet rekenen van de gefactureerde bedragen, omdat het controlerapport op het tegendeel duidt. Hierin is immers onder meer vermeld:
3.2.1 Onderhandenwerk
In diverse met [de gemachtigde] gevoerde gesprekken is een verklaring gevraagd over het ontstaan van deze rekening. (…)
[De gemachtigde] heeft tot op heden geen specificatie verstrekt hoe het saldo onderhandenwerk is bepaald.
(…) Gezien het bovenstaande zijn wij van mening dat niet is aangetoond dat het onderhanden werk op 1 januari 2007 € 242.002 bedraagt. (…) Het onderhanden werk waarderen we vooralsnog per 1 januari 2007 op nihil. (…) Omdat nog geen overeenstemming is over de waardering van het onderhanden werk op de balans corrigeren we het bedrag in eerste instantie als resultaat.
(…)
7. Slotopmerkingen
(…) [De gemachtigde] gaat met de correctie voor wat betreft de servicekosten en de alsnog verschuldigde omzetbelasting akkoord.
Met betrekking tot de overige correcties en met name het aanleveren van gegevens die de gepresenteerde cijfers onderbouwen is diverse malen zowel schriftelijk als mondeling contact geweest. Tot op heden heeft [de gemachtigde], ondanks toezeggingen, geweigerd aan zijn toezeggingen te voldoen. De correcties zoals bovenvermeld zullen worden doorgevoerd.”

5. Verweerder heeft meermaals aan eiseres verzocht om stukken te overleggen waaruit blijkt dat de gefactureerde bedragen niet tot de omzet dienen te worden gerekend. Eiseres heeft daarop volstaan met het overleggen van een lijst met namen en (al dan niet gefactureerde) vorderingen. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de balanspost onderhanden werk per 1 januari 2008 en/of 31 december 2008 juist was, noch dat deze post zou zien op onderhanden werk uit voorgaande jaren, noch dat de gefactureerde bedragen betrekking hebben op werkzaamheden verricht vóór 1 januari 2007. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat eiseres in de jaren voorafgaande aan 2007 geen aangiften vennootschapsbelasting heeft ingediend. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat verweerder, door in de bezwaarfase stukken op te vragen, heeft gehandeld in strijd met de behoorlijke procesorde.

6. Met betrekking tot de voorziening wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998 (ECLI:NL:HR:1998:AA2555) waarin is geoordeeld dat het vormen van een passiefpost voor toekomstige betalingen is toegestaan, indien die uitgave haar oorsprong vindt in feiten of omstandigheden die zich in de periode voorafgaande aan de balansdatum hebben voorgedaan en ook overigens aan die periode kunnen worden toegerekend en er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat die uitgave zich zal voordoen.

7. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden om een voorziening te vormen. Eiseres heeft een overzicht verstrekt van haar huurachterstanden die uitsluitend betrekking hebben op de servicekosten. Uit dat overzicht blijkt dat de achterstand per 31 december 2008 € 17.557 bedraagt, zodat reeds om die reden de voorziening voor een te hoog bedrag is opgenomen. Verder blijkt uit dat overzicht dat het om vorderingen gaat uit de jaren 2002 tot en met 2008. Nu verder niet gebleken is dat de verhuurder tot op heden enige actie heeft ondernomen om de achterstallige servicekosten te incasseren, heeft eiseres met het enkel overleggen van dit overzicht niet aannemelijk gemaakt dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat deze achterstanden ooit voldaan zullen worden. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat eiseres heeft verklaard niet van plan te zijn de verschuldigde servicekosten te betalen. Gezien het voorstaande heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden om ten behoeve van verschuldigde servicekosten een voorziening te vormen. Niet gesteld kan daarom worden dat de correctie van € 10.119 op de voorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is aangebracht.

8. Voor zover eiseres, met haar opmerking in het beroepschrift dat verweerder is verzocht een hoorzitting uit te schrijven, bedoelt te stellen dat zij ten onrechte niet is gehoord, treft dit geen doel. Verweerder heeft kunnen en mogen afzien van een nadere hoorzitting, omdat eiseres niet de stukken heeft overgelegd die voor verweerder essentieel waren om eventueel van standpunt te wijzigen. Een hoorgesprek is onder die omstandigheden zinloos.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2015.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.