Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7857
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 2 en 15, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 3:3, geldigheid: 2015-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1967
V-N Vandaag 2015/1773

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/7857

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] wonende te [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting, aanslagnummer [nummer] , ter grootte van € 25.270 opgelegd (de naheffingsaanslag). Bij het opleggen van deze naheffingsaanslag is bij daartoe strekkende beschikkingen een boete opgelegd van € 2.527 en is € 787 belastingrente in rekening gebracht (de beschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015 te Den Haag.

Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordigers]

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiser, [BV 1] en [BV 2] , met de zaaknummers SGR 14/7852, SGR 14/7853, SGR 14/7854, SGR 14/7855, SGR 14/7856, SGR 14/7995, en SGR 15/3035. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en is enig aandeelhouder van [BV 1] en [BV 1] is enig aandeelhouder van [BV 2] .

2. Op 18 juni 2012 is aan eiser een onroerende zaak geleverd. Deze levering was belast met € 25.270 omzetbelasting waarvan de heffing is verlegd naar eiser. Eiser heeft dit bedrag als verschuldigde omzetbelasting aangegeven in de aangifte voor het tweede kwartaal 2012 en in dezelfde aangifte in zijn geheel als voorbelasting in aftrek gebracht.

3. [BV 2] heeft voor het vierde kwartaal 2012 op haar aangifte een bedrag van € 42.368 aan omzetbelasting teruggevraagd. Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek om teruggaaf informatie opgevraagd bij [BV 2] . In reactie hierop heeft [BV 2] facturen ingezonden die betrekking hebben op de inkoop van twee auto’s (een Porsche Sport Classic en een Porsche GT 3 RS 4.0) van [BV 1] . Verweerder heeft hierover aanvullende vragen gesteld die volgens hem onvoldoende duidelijk werden beantwoord. Dit was voor verweerder aanleiding bij eiser, [BV 2] en [BV 1] een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012.

4. Op 19 april 2013 heeft verweerder aangekondigd dat hij vanaf 2 mei 2013 bij eiser een boekenonderzoek zou uitvoeren. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Verweerder heeft bij brief van 17 juli 2013 geprobeerd een nieuwe afspraak te maken voor het uitvoeren van het boekenonderzoek, maar dat is niet gelukt. Per brief van 28 augustus 2013 heeft verweerder aangekondigd dat hij aan eiser een naheffingsaanslag zou opleggen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Aangezien u geen medewerking aan het boekenonderzoek verleend hebt, heb ik de juistheid van de geclaimde voorbelasting niet kunnen toetsen. Ik heb daarom het voornemen om tot het naheffen van de aangegeven voorbelasting over de aangekondigde controletijdvakken over te gaan.

(…)

Voordat ik de naheffingsaanslagen opleg wil ik u alsnog de gelegenheid bieden om medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek. Mijn verzoek aan u is hiertoe een afspraak te maken.”

5. Ook de onder 4 geciteerde brief leidde niet tot (een afspraak tot) het uitvoeren van het boekenonderzoek en met dagtekening 31 december 2013 heeft verweerder de naheffingsaanslag opgelegd en de beschikkingen afgegeven.

Geschil
6.In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de belastingrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht.

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en de beschikkingen ten onrechte zijn afgegeven. Ter motivering hiervan heeft eiser aangevoerd dat de naheffingsaanslag en de beschikkingen hun oorzaak vinden in de door [BV 2] ingediende aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012. Verweerder heeft de hierin gevraagde teruggaaf ten onrechte niet verleend en heeft met het willen uitvoeren van een boekenonderzoek bij eiser en het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd gehandeld met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser stelt dat hij door de gehele gang van zaken ernstig in zijn procesbelangen is geschaad en daardoor hoge kosten heeft moeten maken.

Aangaande de hoogte van de naheffingsaanslag voert eiser aan dat het als voorbelasting in aftrek gebrachte bedrag betrekking heeft op de naar eiser verlegde heffing van omzetbelasting ter zake van de levering van een onroerende zaak, zodat feitelijk geen voorbelasting is teruggegeven.

Aangaande de boete stelt eiser dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat hij over de ingediende aangiften steeds open en duidelijk is geweest en verweerder op elk moment op de hoogte is geweest van de aangiften en de inhoud daarvan.

8. Eiser concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikkingen en tot integrale vergoeding van de proceskosten. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag en de belastingrente en tot vernietiging van de boetebeschikking.

9. Verder heeft eiser de volgende eisen geformuleerd:

  • -

    veroordeling van verweerder voor het misbruik maken van een bevoegdheid en het verwijtbaar onjuist handelen door belasting na te heffen die reeds uitgebreid is beoordeeld;

  • -

    genoegdoening voor niet gepaste uitlatingen aan het adres van eiser, het financieel en organisatorisch leed, het persisteren in onjuiste standpunten, fouten, suggestieve
    aannamen en een boekenonderzoek waaraan elke samenhang ontbreekt;

  • -

    het als niet verzonden beschouwen van de aankondiging van het boekenonderzoek;

  • -

    het geven van volledige inzage in het dossier.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat eiser, door niet mee te werken aan een boekenonderzoek, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van voorbelasting. De door eiser in aftrek gebrachte voorbelasting is daarom terecht nageheven.

Aangaande de boete heeft verweerder aangevoerd dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat de bewijslast voor het recht op aftrek van voorbelasting bij eiser ligt. Aan eiser is de mogelijkheid geboden het recht op vooraftrek te bewijzen, maar daarin is hij niet geslaagd en de aankondiging van het boekenonderzoek was niet onrechtmatig.

11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Handelwijze verweerder met betrekking tot het verzoek om teruggaaf vierde kwartaal 2012 van [BV 2] /bevoegdheid instellen boekenonderzoek

12. In beroep heeft eiser er de nadruk op gelegd dat het geschil met verweerder in de onderhavige zaak zijn oorzaak vindt in de handelwijze van verweerder rondom de door
[BV 2] ingediende aangifte over het vierde kwartaal 2012 en de weigering van verweerder om de bij die aangifte gevraagde teruggaaf te verlenen. In de onderhavige zaak gaat het echter om een naheffingsaanslag die betrekking heeft op een andere belastingplichtige en een ander tijdvak. De rechtmatigheid en de juistheid van de naheffingsaanslag en de beschikkingen dienen zelfstandig te worden beoordeeld op de grondslag van hetgeen door partijen met betrekking tot die belastingplichtige en dat tijdvak is aangevoerd. Adequate uitvoering van de belastingwetgeving brengt mee dat de belastinginspecteur bevoegd is nadere informatie op te vragen voor zover die voor de belastingheffing van belang kan zijn en een boekenonderzoek of een ander onderzoek in te stellen. Dat de vragen van verweerder aanvankelijk betrekking hadden op de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV 2] betekent dus niet dat verweerder niet bevoegd was om ook de aangiften van eiser over het onderhavige naheffingstijdvak aan een onderzoek te onderwerpen. De beroepsgronden van eiser dat verweerder zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt en ten onrechte een boekenonderzoek wilde instellen, stuiten hierop af. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd over de afhandeling van de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV 2] kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep. Dit kan slechts aan de orde worden gesteld in de procedure van [BV 2] met betrekking tot dat aangiftetijdvak en behoeft hier dan ook geen verdere beoordeling. Eiser heeft zijn stelling dat hij door de handelwijze van verweerder ernstig in zijn procesbelang is geschaad niet geconcretiseerd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij door die handelwijze onredelijk hoge kosten heeft moeten maken.

Inzage in het dossier

13. Eiser eist “volledige inzage in de dossiers om vast te stellen waarom de belastingdienst foute gegevens en bedragen hanteert, en daar niet de moeite voor neemt om dit te corrigeren/herstellen”. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op zijn aangifte voor onderhavig tijdvak een bedrag van € 25.270 heeft teruggevraagd, zodat de stelling dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag van onjuiste gegevens is uitgegaan, feitelijke grondslag mist. Dat de naheffingsaanslag mede zou zijn gebaseerd op gegevens die niet zijn overgelegd, is niet gebleken en acht de rechtbank, gezien het feit dat er geen boekenonderzoek heeft plaatsgevonden, ook niet aannemelijk. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat hij geen volledige inzage heeft gekregen in de dossiers.

Overige eisen vermeld bij overweging 9 (de overige eisen)

14. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld tegen een belastingaanslag, daaronder begrepen de daarmee te verrekenen voorlopige aanslagen en voorheffingen en tegen een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, voor zover hier van belang, de voldoening op aangifte aan een voor bezwaar vatbare beschikking gelijkgesteld. Voor zover het beroep ziet op de overige eisen is de rechtbank dan ook niet bevoegd daarvan kennis te nemen. Eiser kan zich daarvoor, door middel van het dagvaarden van verweerder, wenden tot de burgerlijke rechter. Daarom zal de rechtbank de door eiser aangevoerde beroepsgronden die op deze eisen betrekking hebben en die niet reeds op grond van hetgeen is overwogen onder 12 buiten beschouwing kunnen blijven, onbesproken laten.

Recht op aftrek van voorbelasting

15. Op grond van de artikelen 2, en 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 12, vijfde lid, van de Wet OB en artikel 24ba van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, kan onder meer als voorbelasting in aftrek worden gebracht de belasting die een leverancier aan de ondernemer in rekening brengt ter zake van aan de ondernemer verrichte prestaties en de belasting waarvan de heffing naar de ondernemer is verlegd ter zake van de levering van onroerende zaken, indien en voor zover de onderliggende prestaties door de ondernemer worden gebruikt voor door hem te verrichten belaste handelingen.

16. De naheffingsaanslag bestaat uit de belasting die eiser in het tweede kwartaal 2012 als aftrekbare voorbelasting op zijn aangifte heeft vermeld. De bewijslast voor het recht op aftrek ligt bij eiser. Eiser heeft daartoe kopieën van de afrekening van de notaris overgelegd ter zake van de betreffende onroerende zaak en van de aangifte OB over het tweede kwartaal 2012, maar hij heeft niets aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat hij de betreffende onroerende zaak daadwerkelijk heeft gebruikt voor belaste handelingen. Dat het ging om belasting waarvan de heffing naar eiser was verlegd en dat er per saldo daarom geen teruggaaf is verleend, doet niet af aan het feit dat de belasting als voorbelasting op de aangifte is vermeld en op die manier feitelijk het uiteindelijk op de aangifte te betalen belastingbedrag is verlaagd. Vaststaat dat het boekenonderzoek niet heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat aan verweerder op enig moment inzage is gegeven in stukken waaruit had kunnen blijken dat aan de voorwaarden voor het recht op aftrek was voldaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet in het van hem te verlangen bewijs is geslaagd.

Vertrouwensbeginsel

17. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en heeft daarvoor aangevoerd dat hetgeen partijen nu verdeeld houdt reeds bij eerdere onderzoeken van verweerder aan de orde is gekomen en dat verweerder de ingediende aangiften steeds heeft geaccepteerd. Verweerder heeft ter zitting verklaard en eiseres heeft dit niet weersproken, dat eerdere onderzoeken betrekking hadden op andere belastingmiddelen (vennootschapsbelasting en loonbelasting), andere tijdvakken (1998-2001, 2002 en 2004) en andere belastingplichtigen. Dat bij die onderzoeken ook de onderhavige voorbelasting is beoordeeld of dat eiser mocht menen dat dit het geval is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiser dat de controlerend ambtenaren bij die eerdere onderzoeken “alles” hebben bekeken en dat de betreffende belastingplichtigen via hem allen met elkaar verweven waren, is daarvoor onvoldoende. Ook verder is niet gebleken van enige uitlating of gedraging van verweerder waaraan eiser redelijkerwijs een in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de onderhavige naheffing achterwege zou blijven. Het zonder nader onderzoek accepteren van een aangifte is daarvoor onvoldoende. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

18. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de omzetbelasting terecht nageheven.

Boete

19. Aangaande de boete overweegt de rechtbank dat de boete een verzuimboete is, opgelegd op grond van artikel 67c van de Awr, in samenhang met artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de Awr.

Artikel 67, eerste lid, van de Awr luidt: “Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan opleggen.”

Artikel 20, eerste lid, van de Awr luidt: “Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.”

Een verzuimboete kan worden opgelegd zodra het feit dat bij genoemde wettelijke bepalingen beboetbaar is gesteld zich heeft voorgedaan. De bewijslast daarvoor ligt bij verweerder. De onmogelijkheid om een boekenonderzoek in te stellen en aldus de rechtmatigheid van de aftrek van voorbelasting te beoordelen, leidt in het onderhavige geval tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van voorbelasting. Daarmee kan worden vermoed dat de voorbelasting ten onrechte is geclaimd en dat is, zoals hiervoor is overwogen, voldoende reden om de voorbelasting na te heffen. Met het achterwege blijven van het boekenonderzoek is echter nog niet aangetoond dat daadwerkelijk ten onrechte tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend. Verweerder is daarom niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Het beroep tegen de boetebeschikking moet daarom gegrond worden verklaard en de boetebeschikking worden vernietigd.

Belastingrente

20. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd en gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of naar een onjuist bedrag of anderszins in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

21. Gelet op wat is overwogen bij 19 dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft onder meer aanspraak gemaakt op integrale vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. Daarvoor is echter slechts plaats indien verweerder standpunten zou huldigen en handhaven waarvan in redelijkheid kon worden aangenomen dat die in rechte geen stand zouden houden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De rechtbank merkt deze zaak en de ter zitting gelijktijdig behandelde zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt de kosten, op grond van het Besluit, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, daarom vast op € 2.940 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 245, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 2 voor meer dan vier samenhangende zaken). Omdat sprake is van acht samenhangende zaken dient aan onderhavig beroep 1/8 deel van € 2.940 = € 367,50 te worden toegerekend.

23. In de onderhavige zaak is geen griffierecht is geheven.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond;

  • -

    verklaart zich voor wat betreft de overige eisen onbevoegd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 367,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.