Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7855
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aftrek voorbelasting. Verzuimboete.

Eiseres heeft (suppletie)aangiften ingediend voor 2009, 2011 en 2012 en daarin forse bedragen aan voorbelasting aangegeven. Verweerder heeft daarover vragen gesteld, waarop naar zijn mening niet bevredigend werd geantwoord. Daarom werd een boekenonderzoek aangekondigd, maar dit vond, onder meer door miscommunicatie tussen partijen, nooit plaats. Verweerder heeft de in aftrek gebrachte voorbelasting nageheven, waartegen eiseres vele uiteenlopende beroepsgronden aanvoert.

De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor zover de eisen van eiseres niet strekken tot aanpassing van een besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de AWR. Verder oordeelt de rechtbank dat het verweerder vrij staat een onderzoek in te stellen en dit onderzoek desgewenst uit te breiden tot andere tijdvakken.

De rechtbank oordeelt verder dat de bewijslast voor het recht op aftrek bij eiseres ligt en eiseres in dat bewijs niet slaagt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wijst de rechtbank op feitelijke gronden af.

Aangaande de verzuimboete oordeelt de rechtbank dat verweerder niet heeft bewezen dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. De onmogelijkheid om een boekenonderzoek uit te voeren leidt weliswaar tot het vermoeden dat de voorbelasting ten onrechte is geclaimd en daarom terecht is nageheven, maar daarmee is nog niet aangetoond dat daadwerkelijk ten onrechte tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend.

Beroep gegrond. Handhaving van de naheffingsaanslag. Vernietiging van de boete.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:3, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet bestuursrecht 8:5, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26, geldigheid: 2015-08-05
Wet op de omzetbelasting 1968 2 en 15, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20, geldigheid: 2015-08-05
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67, geldigheid: 2015-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1967
V-N Vandaag 2015/1774

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/7855

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] ., gevestigd te [plaats] eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (het naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag omzetbelasting ter grote van € 31.616 opgelegd met aanslagnummer [nummer 1] (de naheffingsaanslag). Bij het opleggen van de naheffingsaanslag is tevens bij beschikking een boete opgelegd van € 3.161 en is
€ 966 belastingrente in rekening gebracht (de beschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015 te Den Haag.

Namens eiseres is [gemachtigde 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] , bijgestaan door
[namen] .

Ter zitting heeft tevens de mondelinge behandeling plaatsgevonden van de beroepen van eiseres, [BV] en [Z] (Z), met de zaaknummers
SGR 14/7852, SGR 14/7853, SGR 14/7995, SGR 14/7854, SGR 14/7856, SGR 14/7857 en SGR 15/3035. Al hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt ook geacht te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is opgericht op 13 juli 1987. Enig aandeelhouder van eiseres is Z. Eiseres houdt alle aandelen in [BV] .

2. Bij brief van 13 oktober 2010 heeft verweerder vragen gesteld over de aankoop door eiseres van een Porsche 911 (997) met chassisnummer [nummer 2] .

3. Eiseres heeft op haar aangifte voor het vierde kwartaal 2012 een bedrag van
€ 31.616 aan voorbelasting in aftrek gebracht. Verder staat op deze aangifte een bedrag aan leveringen/diensten vermeld van € 235.038 waarover een bedrag van € 49.358 is verschuldigd. De voorbelasting heeft voor een bedrag van € 30.547 betrekking op de aanschaf van een Porsche 911 (997) GTS RS Coupe 4.0. Eiseres heeft hiervoor een kopie overgelegd van een factuur met dagtekening 9 februari 2012 waarop het chassisnummer [nummer 3] staat vermeld.

4. [BV] heeft voor het vierde kwartaal 2012 op haar aangifte een bedrag van € 42.368 aan omzetbelasting teruggevraagd. Verweerder heeft naar aanleiding van dit verzoek om teruggaaf informatie opgevraagd bij [BV] . In reactie hierop heeft [BV] facturen ingezonden afkomstig van eiseres die betrekking hebben op de inkoop van twee auto’s (een Porsche Sport Classic en een Porsche GT 3 RS 4.0). Verweerder heeft hierover aanvullende vragen gesteld die volgens hem onvoldoende duidelijk werden beantwoord. Dit was voor verweerder aanleiding bij eiseres, [BV] en Z een boekenonderzoek in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012.

5. Op 19 april 2013 heeft verweerder aangekondigd dat hij vanaf 2 mei 2013 bij eiseres een boekenonderzoek zou uitvoeren. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Verweerder heeft bij brief van 17 juli 2013 geprobeerd een nieuwe afspraak te maken voor het uitvoeren van het boekenonderzoek, maar dat is niet gelukt. Per brief van 28 augustus 2013 heeft verweerder aangekondigd dat hij aan eiseres een naheffingsaanslag zou opleggen. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Aangezien u geen medewerking aan het boekenonderzoek verleend hebt, heb ik de juistheid van de geclaimde voorbelasting niet kunnen toetsen. Ik heb daarom het voornemen om tot het naheffen van de aangegeven voorbelasting over de aangekondigde controletijdvakken over te gaan.

(…)

Voordat ik de naheffingsaanslagen opleg wil ik u alsnog de gelegenheid bieden om medewerking te verlenen aan het boekenonderzoek. Mijn verzoek aan u is hiertoe een afspraak te maken.”

6. Ook de onder 3 geciteerde brief leidde niet tot (een afspraak tot) het uitvoeren van het boekenonderzoek en met dagtekening 24 december 2013 heeft verweerder de naheffingsaanslag opgelegd en de beschikkingen afgegeven.

Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de belastingrente terecht en naar het juist bedrag in rekening is gebracht.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd en de beschikkingen ten onrechte zijn afgegeven. Ter motivering hiervan heeft eiseres aangevoerd dat de naheffingsaanslag en de beschikkingen hun oorzaak vinden in de door [BV] ingediende aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2012. Verweerder heeft de hierin gevraagde teruggaaf ten onrechte niet verleend en heeft met het bij haar willen uitvoeren van een boekenonderzoek en het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd gehandeld met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiseres stelt dat zij door de gehele gang van zaken ernstig in haar procesbelangen is geschaad en daardoor hoge kosten heeft moeten maken.

Eiseres stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat zij deze voorbelasting terecht heeft afgetrokken. Zij wijst in dat verband op de bij overweging 2 vermelde brief van verweerder en stelt dat de voorbelasting reeds eerder bij andere controles is beoordeeld en goedgekeurd. Verder stelt zij dat de omzet die zij op de aangifte voor het vierde kwartaal 2012 heeft aangegeven, ziet op levering van handelsgoederen aan [BV] .

Aangaande de boete stelt eiseres dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, omdat zij over de ingediende aangiften steeds open en duidelijk is geweest en de belastingdienst op elk moment op de hoogte is geweest van de aangiften en de inhoud daarvan.

9. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslag en de beschikkingen en tot integrale vergoeding van de proceskosten. Subsidiair concludeert eiseres tot vernietiging van de boetebeschikking, vermindering van de naheffingsaanslag, vermindering van de heffingsrente en toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding.

10. Verder heeft eiseres de volgende eisen geformuleerd:

  • -

    veroordeling van verweerder wegens het overschrijden van de fatsoensnormen
    door teruggaven vennootschapsbelasting te verrekenen met de naheffingsaanslag,
    misbruik maken van een bevoegdheid en verwijtbaar onjuist handelen;

  • -

    genoegdoening voor niet gepaste uitlatingen aan het adres van Z, het financieel en
    organisatorisch leed, het persisteren in onjuiste standpunten, fouten, suggestieve
    aannamen en een boekenonderzoek waaraan elke samenhang ontbreekt;

  • -

    het als niet verzonden beschouwen van de aankondiging van het boekenonderzoek;

  • -

    het geven van volledige inzage in het dossier.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd en heeft daarvoor aangevoerd dat eiseres, door niet mee te werken aan een boekenonderzoek, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting. De door eiseres in aftrek gebrachte voorbelasting is daarom terecht nageheven. De voorbelasting voor het jaar 2012 is niet aan een onderzoek onderworpen. De brief van 13 oktober 2010 heeft geen betrekking op voorbelasting die in rekening is gebracht en in aftrek is gebracht in 2012.

Aangaande de boete heeft verweerder aangevoerd dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. De aankondiging van het boekenonderzoek was niet onrechtmatig en aan eiseres is de mogelijkheid geboden het recht op vooraftrek te bewijzen.

12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil
Handelwijze verweerder met betrekking tot het verzoek om teruggaaf vierde kwartaal 2012 van [BV] /bevoegdheid instellen boekenonderzoek

13. In beroep heeft eiseres er de nadruk op gelegd dat het geschil met verweerder in de onderhavige zaak zijn oorzaak vindt in de handelwijze van verweerder rondom de door
[BV] ingediende aangifte over het vierde kwartaal 2012 en de weigering van verweerder om de bij die aangifte gevraagde teruggaaf te verlenen. In de onderhavige zaak gaat het echter om een naheffingsaanslag die betrekking heeft op een andere belastingplichtige en een ander tijdvak. De rechtmatigheid en de juistheid van de naheffingsaanslag en de beschikkingen dienen zelfstandig te worden beoordeeld op de grondslag van hetgeen door partijen met betrekking tot die belastingplichtige en dat tijdvak is aangevoerd. Adequate uitvoering van de belastingwetgeving brengt mee dat de belastinginspecteur bevoegd is nadere informatie op te vragen voor zover die voor de belastingheffing van belang kan zijn en een boekenonderzoek of een ander onderzoek in te stellen. Dat de vragen van verweerder aanvankelijk betrekking hadden op de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV] betekent dus niet dat verweerder niet bevoegd was om ook de aangiften van eiseres over het onderhavige naheffingstijdvak aan een onderzoek te onderwerpen. De beroepsgronden van eiseres dat verweerder zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt en ten onrechte een boekenonderzoek wilde instellen, stuiten hierop af. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd over de afhandeling van de aangifte over het vierde kwartaal 2012 van [BV] kan evenmin leiden tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep. Dit kan slechts aan de orde worden gesteld in de procedure van [BV] met betrekking tot dat aangiftetijdvak en behoeft hier dan ook geen verdere beoordeling. Eiseres heeft haar stelling dat zij door de handelwijze van verweerder ernstig in haar procesbelang is geschaad niet geconcretiseerd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij door die handelwijze onredelijk hoge kosten heeft moeten maken.

Inzage in het dossier

14. Eiseres eist “volledige inzage in de dossiers om vast te stellen waarom de belastingdienst foute gegevens en bedragen hanteert, en daar niet de moeite voor neemt om dit te corrigeren/herstellen.”. Dat de naheffingsaanslag mede zou zijn gebaseerd op gegevens die niet zijn overgelegd, is niet gebleken en acht de rechtbank, gezien het feit dat er geen boekenonderzoek heeft plaatsgevonden, ook niet aannemelijk. De vraag of er stukken zijn waaruit zou blijken dat verweerder is uitgegaan van foute gegevens en bedragen, is overigens ook niet relevant, omdat eiseres niet bestrijdt dat zij in onderhavig tijdvak een bedrag van € 31.616 als voorbelasting heeft afgetrokken. Zoals blijkt uit de door haar overgelegde specificatie, gaat ook zij immers uit van dit bedrag. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat zij geen volledige inzage heeft gekregen in de dossiers.

Overige eisen vermeld bij overweging 10 (de overige eisen)

15. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld tegen een belastingaanslag, daaronder begrepen de daarmee te verrekenen voorlopige aanslagen en voorheffingen en tegen een voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, voor zover hier van belang, de voldoening op aangifte aan een voor bezwaar vatbare beschikking gelijkgesteld. Uit artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak volgt dat tegen het besluit van de ontvanger tot verrekening van aanslagen geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Voor zover het beroep ziet op de overige eisen is de rechtbank dan ook niet bevoegd daarvan kennis te nemen. Eiseres kan zich daarvoor, door middel van het dagvaarden van verweerder, wenden tot de burgerlijke rechter. Daarom zal de rechtbank de door eiseres aangevoerde beroepsgronden die op deze eisen betrekking hebben en die niet reeds op grond van hetgeen is overwogen onder 13 buiten beschouwing kunnen blijven, onbesproken laten.

Recht op aftrek van voorbelasting

16. Op grond van de artikelen 2 en 15, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in samenhang met de artikelen 10, 11 en 12 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, kan onder meer als voorbelasting in aftrek worden gebracht de belasting die een leverancier aan de ondernemer in rekening brengt ter zake van aan de ondernemer verrichte prestaties, indien en voor zover de onderliggende prestaties door de ondernemer worden gebruikt voor door hem te verrichten belaste handelingen.

17. De naheffingsaanslag behelst de belasting die eiseres in het naheffingstijdvak als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. De bewijslast voor het recht op aftrek ligt bij eiseres. Eiseres heeft daartoe de onder 3 vermelde factuur van 9 februari 2012 overgelegd. Uit die factuur blijkt weliswaar een bedrag aan voorbelasting van € 30.547, maar daarmee kan op zichzelf nog niet worden vastgesteld of eiseres die Porsche heeft gebruikt voor belaste handelingen. De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres dat zij in december 2012 handelsgoederen heeft geleverd aan [BV] aldus dat zij stelt dat zij deze Porsche aan [BV] heeft verkocht. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De in 4 genoemde verkoopfacturen van eiseres zijn door [BV] overgelegd in haar op deze zitting behandelde zaken. Een van die facturen ziet weliswaar op de levering van een Porsche GT 3 RS 4.0, maar gezien het feit dat op die factuur geen kenteken of chassisnummer is vermeld, staat daarmee nog niet vast dat het hier de Porsche betreft waarvoor eiseres in onderhavig tijdvak de voorbelasting heeft teruggevraagd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de stukken van het geding volgt dat eiseres ten minste drie Porsches heeft aangeschaft.

Derhalve kan niet worden vastgesteld of eiseres de aan de in aftrek gebrachte belasting onderliggende prestaties heeft gebruikt voor belaste handelingen. Vaststaat dat het boekenonderzoek niet heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat aan verweerder op enig moment inzage is gegeven in stukken waaruit had kunnen blijken dat aan de voorwaarden voor het recht op aftrek was voldaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres niet in het van haar te verlangen bewijs is geslaagd.

Vertrouwensbeginsel

18. Eiseres heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft daarvoor aangevoerd dat hetgeen partijen nu verdeeld houdt reeds bij eerdere onderzoeken van verweerder aan de orde is gekomen en dat verweerder de ingediende aangiften steeds heeft geaccepteerd. Verweerder heeft ter zitting verklaard en eiseres heeft dit niet weersproken, dat eerdere onderzoeken betrekking hadden op andere belastingmiddelen (vennootschapsbelasting en loonbelasting), andere tijdvakken (1998-2001, 2002 en 2004) en andere belastingplichtigen. Dat bij die onderzoeken ook de onderhavige voorbelasting is beoordeeld of dat eiseres mocht menen dat dit het geval is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres dat de controlerend ambtenaren bij die eerdere onderzoeken “alles” hebben bekeken en dat de betreffende belastingplichtigen via Z allen met elkaar verweven waren, is daarvoor onvoldoende. Ook verder is niet gebleken van enige uitlating of gedraging van verweerder waaraan eiseres redelijkerwijs een in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de onderhavige naheffing achterwege zou blijven. Het zonder nader onderzoek accepteren van een aangifte is daarvoor onvoldoende. De rechtbank acht voorts niet aannemelijk dat de brief van 13 oktober 2010 betrekking heeft op de belasting die eerst in 2012 in aftrek is gebracht. Temeer niet nu de chassisnummers in die brief en op de factuur niet met elkaar overeen stemmen.

Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.

19. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de omzetbelasting terecht nageheven.

Boete

20. Aangaande de boete overweegt de rechtbank dat de boete een verzuimboete is, opgelegd op grond van artikel 67c van de Awr, in samenhang met artikel 20, eerste lid, tweede volzin, van de Awr.

Artikel 67, eerste lid, van de Awr luidt: “Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan opleggen.”

Artikel 20, eerste lid, van de Awr luidt: “Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.”

Een verzuimboete kan worden opgelegd zodra het feit dat bij genoemde wettelijke bepalingen beboetbaar is gesteld zich heeft voorgedaan, de bewijslast daarvoor ligt bij verweerder. De onmogelijkheid om een boekenonderzoek in te stellen en aldus de rechtmatigheid van de aftrek van voorbelasting te beoordelen, leidt in het onderhavige geval tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting. Daarmee kan worden vermoed dat de voorbelasting ten onrechte is geclaimd en dat is, zoals hiervoor is overwogen, voldoende reden om de voorbelasting na te heffen. Met het achterwege blijven van het boekenonderzoek is echter nog niet aangetoond dat daadwerkelijk ten onrechte tot een te hoog bedrag teruggaaf is verleend. Verweerder is daarom niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Het beroep tegen de boetebeschikking moet daarom gegrond worden verklaard en de boetebeschikking worden vernietigd.

Belastingrente

21. Tegen het in rekening brengen van belastingrente heeft eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd en gesteld noch gebleken is dat de belastingrente ten onrechte of naar een onjuist bedrag of anderszins in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

Proceskosten

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft onder meer aanspraak gemaakt op integrale vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Daarvoor is echter slechts plaats indien verweerder standpunten zou huldigen en handhaven waarvan in redelijkheid kon worden aangenomen dat die in rechte geen stand zouden houden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De rechtbank merkt deze zaak en de ter zitting gelijktijdig behandelde zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De rechtbank stelt de kosten, op grond van het Besluit, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, daarom vast op € 2.940 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 245, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490, een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 2 voor meer dan vier samenhangende zaken). Omdat sprake is van acht samenhangende zaken dient aan onderhavig beroep 1/8 deel van € 2.940 =
€ 367,50 te worden toegerekend. In onderhavige zaak is geen griffierecht berekend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking ongegrond;

  • -

    verklaart zich voor wat betreft de overige eisen onbevoegd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 367,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.