Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7892

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
C-09-457558
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

6x

Rekestnummer: C/09/457558 (scheiding) en C/09/471837 (verdeling)

Zaaknummer: FA RK 13-10422 (scheiding) en FA RK 14-6429 (verdeling)

Datum beschikking: 30 juni 2015

Scheiding

Beschikking op het op 31 december 2013 ingekomen verzoek van:

[vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.M.H. Alkemade te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[man] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat voorheen: mr. H.S. van Keeken te ’s-Gravenhage,

advocaat thans: mr. --.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, alsmede bepaald dat de verzoeken met betrekking tot de nevenvoorzieningen worden aangehouden en zullen worden behandeld op de terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2015 te 09.15 uur.

De rechtbank heeft (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het op 17 juli 2014 ingekomen formulier ‘verdelen en verrekenen’ van de zijde van

de vrouw:

- het op 18 juli 2014 ingekomen gecorrigeerde formulier ‘verdelen en verrekenen’ van de zijde van de vrouw;

- het op 23 juli 2014 ingekomen formulier ‘verdelen en verrekenen’ van de zijde van

de man;

- een brief met bijlagen van 5 december 2014 van de zijde van de vrouw;

- een brief met bijlagen van 8 december 2014 van de zijde van de man;

- een brief met bijlagen van 8 december 2014 van de zijde van de vrouw;

- een brief van 9 december 2014 van de zijde van de vrouw;

- een faxbericht van 11 december 2014 van de zijde van de man;

- een faxbericht van 2 februari 2015 van de zijde van de vrouw;

- een faxbericht van 3 februari 2015 van de zijde van de man;

- een faxbericht van 13 maart 2015 van de zijde van de man;

- een brief met bijlagen van 11 mei 2015 van de zijde van de vrouw;

- een brief met bijlage van 26 mei 2015 van de zijde van de vrouw;

- een brief van 28 mei 2015 van de zijde van de vrouw.

De man heeft bij brief van 27 mei 2015 om aanhouding van de op 2 juni 2015 geplande zitting gevraagd. De rechtbank beschouwt deze brief, die uitsluitend een verzoek om aanhouding bevat, niet als processtuk en heeft de brief in behandeling genomen. De rechtbank heeft dit verzoek bij brief van 29 mei 2015 afgewezen.

Op 2 juni 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is de vrouw met haar advocaat verschenen. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

De man heeft bij brief van 1 juni 2015 medegedeeld dat hij om gezondheidsredenen niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn. De rechtbank beschouwt deze brief als een hernieuwd aanhoudingsverzoek. Onder verwijzing naar de brief van de rechtbank van 29 mei 2015 in antwoord op het eerste aanhoudingsverzoek van de man, heeft de rechtbank ook dit tweede verzoek op dezelfde gronden afgewezen en is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt – thans nog – tot het treffen van de volgende nevenvoorzieningen:

- bepaling dat de man gehouden is om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen, zulks binnen veertien dagen na de te geven beschikking, een bedrag van thans nog € 40.266,-- uit hoofde van de op 2 oktober 2002 ondertekende schuldbekentenis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, althans met ingang van de eerst mogelijke datum nadien, en voor zover nodig de man tot betaling van voornoemd bedrag te veroordelen;

- bepaling dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, en de aanwezige kampeerbenodigdheden, uiterlijk per 1 april 2014 aan een derde, onder bepaling dat het aandeel van de man in de opbrengst van de verkoop in mindering zal komen op de schuld van de man als hiervoor bedoeld;

- bepaling dat de man zijn onverdeelde helft van de partijen in mede-eigendom toebehorende bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw overdraagt voor een bedrag van € 57.250,--, zijnde de helft van de huidige vraagprijs van genoemd bedrijfspand;

- bepaling dat de man uiterlijk veertien dagen na de betekening van de te geven beschikking zijn medewerking dient te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van voornoemde onroerende zaak aan de vrouw;

- bepaling dat, nadat de hiervoor bedoelde termijn van veertien dagen is verstreken zonder dat de man zijn medewerking heeft verleend aan het opmaken van de vereiste notariële akte, deze beschikking in de plaats treedt van de voor het opmaken van de akte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man;

- bepaling dat de man gehouden is op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 december 2006 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen, zulks binnen veertien dagen na de te geven beschikking, een bedrag van € 994,86 te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na ingang van de te geven beschikking, en voorzover nodig de man te veroordelen tot betaling van genoemd bedrag;

- veroordeling van de man om binnen veertien dagen na de te geven beschikking de vrouw een bedrag van € 11.100,12 te betalen ter verrekening van de kosten van de huishouding over de jaren 2009 tot en met 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na ingang van de te geven beschikking,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om de volgende nevenvoorzieningen te treffen:

- bepaling dat de vouwwagen, merk Holtcamp Flyer, aan de man wordt toegedeeld;

- bepaling dat de vrouw gehouden is op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 december 2006 tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen, zulks binnen veertien dagen na de te geven beschikking, een bedrag van € 8.228,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2011, althans met ingang van de eerst mogelijke datum nadien;

- bepaling dat de vrouw gehouden is om binnen veertien dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand er voor zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de op de woning aan de [adres] te [plaats] gevestigde hypothecaire lening bij PVF ter hoogte van € 112.500,--;

- bepaling dat de vrouw als uitsluitend gerechtigde tot het eigendom van de woning aan de [adres] te [plaats] , de op de woning gevestigde hypotheek bij PVF als eigen schuld dient te voldoen met ingang van 25 juli 2013, alsmede eventuele openstaande en lopende rente, zulks onder vrijwaring van de man;

- bepaling dat de vrouw op grond van ongerechtvaardigde verrijking aan de man ten titel van schadevergoeding dient te voldoen, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, zulks binnen veertien dagen na de te geven beschikking, een bedrag van € 24.300,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de werkzaamheden door de man zijn geëindigd, c.q. vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen, c.q. vanaf de datum indiening verzoekschrift door de vrouw, althans met ingang van de eerst mogelijke datum nadien;

- althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man met betrekking tot de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, de vaststellingsovereenkomst, de termijn waarop de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypotheek bij PVF ontslagen zal worden en de vordering ter zake van ongerechtvaardigde verrijking.

Feiten

Partijen zijn op [datum] te [plaats] met elkaar gehuwd onder huwelijkse

voorwaarden.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Echtscheiding

De echtscheiding is bij beschikking van deze rechtbank van [datum] uitgesproken.

Voornoemde beschikking was op de datum van de behandeling ter terechtzitting nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende:

- uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen behalve ten aanzien van gezamenlijk aangekochte zaken;

- recht op vergoeding indien een der partijen een goed heeft verkregen ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot;

- het naar evenredigheid van ieders netto inkomen uit arbeid dragen van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Partijen zijn beiden vennoot van de v.o.f. [naam] en zijn gezamenlijk eigenaar –ieder voor de onverdeelde helft – van de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] . Voorts is de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, gezamenlijk eigendom van partijen.

De vrouw stelt dat als peildatum voor de bepaling van de omvang van de boedel dient te gelden het moment waarop de affectieve relatie tussen partijen is beëindigd, zijnde einde mei 2013, conform artikel 6 aanhef en onder a van de huwelijkse voorwaarden, onderdeel samenlevingsregeling tot de datum van het huwelijk.

De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, nu partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden een onderscheid hebben gemaakt tussen de periode voor en na het sluiten van het huwelijk. In voornoemd artikel is in de aanhef en onder c opgenomen dat de samenlevingsregeling eindigt door huwelijk; deze is derhalve op 3 februari 2003 geëindigd. Dat betekent dat thans als peildatum geldt de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, zijnde 31 december 2013.

De rechtbank dient thans te beslissen over:

  1. de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] ;

  2. de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, met de aanwezige kampeerbenodigdheden;

  3. de vordering van de vrouw dat de man haar – thans nog – € 40.266,-- verschuldigd is uit hoofde van de op 2 oktober 2002 door partijen ondertekende schuldbekentenis;

  4. e vorderingen van partijen op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 december 2006;

  5. de verzoeken van de man met betrekking tot de op de woning aan de [adres] te [plaats] gevestigde hypotheek bij PVF;

  6. de vordering van de vrouw inzake kosten van de huishouding over de jaren 2009 tot en met 2012;

  7. de vordering van de man dat de vrouw hem een vergoeding van € 24.300,-- dient te voldoen ter zake van ongerechtvaardigde verrijking.

a. de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats]

Partijen hebben op 23 mei 2008 de v.o.f. [naam] opgericht, waarvan zij beiden beherend vennoot werden. Voornoemde bedrijfsruimte is voor € 124.500,-- gekocht en gefinancierd met een hypothecaire geldlening op beider naam. De vrouw heeft deze lening in 2011 uit eigen middelen geheel afgelost. Bij notariële akte van 6 juni 2012 heeft de vrouw aan de man een hypothecaire lening verstrekt ter zake van zijn aandeel in het pand voor een bedrag van € 67.000,-- .

Partijen zijn het erover eens dat het pand moet worden verkocht. Op 1 september 2014 hebben partijen daartoe aan Van ’t Hoff Bedrijfshuisvesting een opdracht tot verkoop gegeven. Dit heeft niet tot verkoop geleid, ook niet nadat de vraagprijs van € 124.500,-- naar € 114.500,-- is verlaagd. Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen erg slecht, waardoor onder meer de bedrijfsvoering die thans nog plaatsvindt bijzonder moeizaam verloopt, hetgeen ook nadelige financiële consequenties heeft. De vrouw heeft daarom bij haar brief van 11 mei 2015 verzocht te bepalen dat de man zijn onverdeelde helft van het pand aan de vrouw zal overdragen voor een bedrag van € 57.250,--, zijnde de helft van de huidige vraagprijs, alsmede dat de man binnen veertien dagen na het afgeven van deze beschikking zijn medewerking aan de levering en de notariële afwikkeling zal geven. Wanneer de overdracht op deze wijze wordt gerealiseerd kan voornoemde lening van de man grotendeels worden afgelost, zodat er een restschuld voor de man van slechts € 9.750,-- ontstaat. Het zal bij deze gang van zaken ook eenvoudiger zijn de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening ter zake van de [adres] te doen ontslaan, aldus de vrouw.

Nu de advocaat van de man zich aan de zaak heeft onttrokken en de man niet ter terechtzitting is verschenen om zijn standpunt mondeling toe te lichten, is het standpunt van de man ter zake van dit verzoek niet bekend.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Tussen partijen is niet in geschil dat het pand dient te worden verkocht. Voorts wordt de man door deze beslissing niet in zijn belangen geschaad, nu het pand bij vrije verkoop niet meer zal opbrengen dan de huidige vraagprijs, terwijl het eenvoudiger zal zijn de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening ter zake van de [adres] te ontslaan wanneer het bedrijfspand alleen op naam van de vrouw staat. Gelet op de moeizame communicatie tussen partijen zal de rechtbank tevens de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de levering van het pand toewijzen. Nu de rechtbank de door de vrouw verzochte termijn van twee weken waarop de man aan zijn verplichtingen zal dienen te voldoen niet uitvoerbaar acht, zal zij bepalen dat de man twee maanden de gelegenheid krijgt om aan zijn verplichtingen te voldoen. Bij gebreke van medewerking binnen die termijn zal deze uitspraak in de plaats treden van (een deel van) de door de man samen met de vrouw op te maken leveringsakte.

De rechtbank wijst in dit verband nog op het bepaalde in artikel 3:301 Burgerlijk Wetboek. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, slechts in de openbare registers kan worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld, en

a. in kracht van gewijsde is gegaan, of

b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de uitspraak is verstreken.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel moeten verzet, hoger beroep en cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de betreffende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren en bepalen dat na de betekening van de uitspraak veertien dagen dienen te zijn verstreken alvorens deze kan worden ingeschreven.

b) de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, met kampeerbenodigdheden

De vrouw stelt dat partijen waren overeengekomen dat de vouwwagen middels Marktplaats te koop zou worden aangeboden en dat de man zijn deel in de opbrengst zou aanwenden om op zijn, hierna onder c genoemde, schuld aan de vrouw in mindering te brengen. In 2014 had zij de vouwwagen voor € 2.250,-- kunnen verkopen, maar de man heeft daaraan geen medewerking willen verlenen.

De vrouw verzoekt thans te bepalen dat de vouwwagen aan een derde dient te worden verkocht, zodat het aandeel van de man in mindering kan worden gebracht op zijn schuld aan de vrouw. Indien de opbrengst minder is dan € 2.250,--, dan dient de man de helft van het verschil aan de vrouw te vergoeden, aldus de vrouw.

De man verzoekt de vouwwagen, met de kampeerbenodigdheden, aan hem toe te delen. Hij stelt dat de waarde, inclusief de accessoires, maximaal € 1.000,-- bedraagt.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door de man gestelde waarde van € 1.000,-- te laag is, nu de vrouw blijkens de door haar overgelegde stukken een aanbod van € 2.250,-- heeft gekregen op Marktplaats, terwijl de man gelet op zijn precaire financiële situatie geen marktconforme prijs (in de vorm van een vergoeding uit overbedeling) zal kunnen betalen.

c) de vordering van de vrouw uit hoofde van de schuldbekentenis van 2 oktober 2002

Partijen zijn op 23 september 2002 gaan samenwonen in de in eigendom aan de man toebehorende woning aan de [adres] te [plaats] . Op de woning rustte een hypothecaire geldlening bij de ABN-Amro Bank op naam van de man. Op 2 oktober 2002 hebben partijen een samenlevingscontract gesloten en huwelijkse voorwaarden opgemaakt met het oog op hun voorgenomen huwelijk. Eveneens op 2 oktober 2002 heeft de vrouw twee leningen aan de man verstrekt, één van € 36.000,-- en één van € 45.000,--. De lening van

€ 36.000,-- is aangewend om de hypotheek bij ABN Amro met een bedrag van € 28.500,-- af te lossen, de overige € 7.500,-- is gebruikt voor verbouwing van de woning. De lening van € 45.000,-- heeft de man gebruikt om persoonlijke schulden mee af te lossen en deze is nog niet volledig afgelost. Volgens de vrouw resteert nog een bedrag van € 40.266,--. Zij verzoekt de man thans tot betaling van dat bedrag te veroordelen.

De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw, nu de vrouw de hoogte van de thans nog openstaande vordering met een overzicht van bedragen en data van aflossingen heeft onderbouwd en welk overzicht de man niet heeft betwist, toewijzen.

Voor zover het verzoek behelst dat de man het bedrag binnen veertien dagen na de te geven beschikking dient te voldoen, alsmede dat er vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift wettelijke rente verschuldigd is, overweegt de rechtbank dat volgens de schuldbekentenis van 2 oktober 2002 de hoofdsom opeisbaar is bij de beëindiging van het huwelijk en dat over de hoofdsom van de onderhavige lening geen rente verschuldigd is. Hieruit volgt dat het bedrag van € 40.266,-- pas opeisbaar is na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Hiermee gaat de rechtbank voorbij aan het standpunt van de vrouw dat de vordering reeds opeisbaar is en de wettelijk rente reeds verschuldigd is vanaf het einde van de relatie. Naar het oordeel van de rechtbank gold de bepaling van de schuldbekentenis omtrent de opeisbaarheid bij verbreking van de samenleving niet meer vanaf het moment dat er sprake was van een huwelijk, nu voor die laatste situatie een afzonderlijke bepaling is opgenomen. De rechtbank verwijst ter zake naar hetgeen zij hierboven ten aanzien van de peildatum heeft overwogen.

Nu de onderhavige vordering niet eerder opeisbaar is dan na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, is ook pas vanaf dat tijdstip wettelijke rente verschuldigd.
De rechtbank overweegt in dit verband ten slotte dat de vrouw ter terechtzitting heeft verklaard dat zij bereid is een betalingsregeling met de man te treffen, bijvoorbeeld door een deel van zijn pensioenaanspraak aan haar over te dragen.

d) de vorderingen van partijen op grond van de vaststellingsovereenkomst van 20 december 2006

De man vordert van de vrouw een bedrag van € 8.288,50, zijnde de helft van de onderwaarde van de woning aan de [adres] te [plaats] . De vrouw stelt dat zij ter zake € 994,86 van de man de vorderen heeft.

Als gesteld en niet of onvoldoende weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

De man heeft de hypotheek op de woning aan de [adres] te [plaats] bij ABN Amro op 20 december 2006 geheel afgelost. Hij heeft daartoe twee nieuwe hypothecaire geldleningen afgesloten, één bij PVF ad € 137.622,-- en een tweede bij de vrouw. De vrouw heeft bij die gelegenheid € 68.448,21 aan de notaris voldaan en € 13.051,72 op een bankrekening van de man gestort om een (consumptief) krediet van de man mee af te lossen. De man heeft de vrouw bij notariële akte van 20 december 2006 recht van hypotheek verleend voor € 117.500,--. In dit bedrag is ook de eerdergenoemde lening van de man bij de vrouw ad € 36.000,-- begrepen.

Ook hebben partijen op 20 december 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die voor zover thans van belang inhoudt:

- dat voormelde hypothecaire geldlening in de verhouding tussen partijen geldt als een lening van de man, waarvoor de vrouw zich borg heeft gesteld;

- dat bij vervreemding van de woning de over- respectievelijk onderwaarde ten goede c.q. ten laste komt van de man en de vrouw, ieder voor de helft (waarbij onder over- dan wel onderwaarde wordt verstaan de verkoopsom, verminderd met het restant van de eerdergenoemde vordering van de vrouw van € 117.500,--, inclusief bijschrijvingen dan wel het restant daarvan, en met de op de woning rustende hypothecaire geldlening(en), en de leningen die zijn aangegaan ter verwerving, verbetering en/of onderhoud van de woning).

Op 10 november 2011 heeft de man de woning te [plaats] aan een derde verkocht. De opbrengst, na aftrek van de kosten, bedroeg € 223.930,--.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende omtrent de afwikkeling van de verkoopopbrengst. De hypotheek bij PVF van € 137.622,-- is in zijn geheel uit de opbrengst afgelost. De vrouw heeft het restant van de opbrengst van € 86.308,-- ontvangen ter aflossing van voornoemde schuld van de man aan haar van € 117.500,--, zodat van deze schuld nog € 31.192,-- resteerde. Nu de man voordien al € 9.100,-- op de lening had afgelost, bedroeg het restant van de lening nog € 22.092,--, na aftrek van het consumptieve deel ad € 13.051,72 nog € 9.040,28. Dit bedrag dient als onderwaarde te worden aangemerkt, derhalve € 4.520,14 voor ieder der partijen. Voor de vrouw resteerde derhalve een vordering van € 17.751,86 (€ 13.051,72 plus € 4.520,14) op de man. Gelet op het feit dat de man reeds € 16.577,-- heeft voldaan, resteert een vordering van de vrouw op de man van € 994,86.

Met betrekking tot de vordering die de man op de vrouw stelt te hebben overweegt de rechtbank dat uit het voorgaande volgt dat onjuist is de stelling van de man dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de vaststellingsovereenkomst en dat de onderwaarde van de woning alleen voor zijn rekening is gekomen, zodat hij nog een vordering van € 8.288,50 op de vrouw zou hebben. Zijn daarop betrekking hebbende verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij na betaling van het bedrag van € 16.577,-- door de man ervan uit is gegaan dat haar lening aan hem geheel was afgelost. Dit is ook in overeenstemming met het overzicht van de vrouw d.d. 30 oktober 2011 waaruit volgt dat de restschuld van de man aan de vrouw ter zake van de verkoop van de woning

€ 16.577,-- bedroeg. De vrouw heeft voorts ter zitting toegelicht dat haar verzoek te bepalen dat de man voormeld bedrag van € 994,86 aan haar dient te betalen, als voorwaardelijk dient te worden aangemerkt, in die zin dat zij dit alleen verzoekt voor zover het verzoek van de man zou worden toegewezen. Nu deze voorwaarde niet is vervuld, behoeft dit verzoek van de vrouw geen beslissing. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen uit hoofde van voornoemde vaststellingsovereenkomst niets meer van elkaar te vorderen hebben.

e) de verzoeken van de man met betrekking tot de op de woning aan de [adres] te [plaats] gevestigde hypotheek bij PVF

De betreffende verzoeken zullen als niet weersproken worden toegewezen, zij het dat de vrouw de door haar verzochte termijn van twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gegeven zal worden om de nodige stappen te nemen teneinde de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld.

f) de vordering van de vrouw inzake kosten van de huishouding over de jaren 2009 tot en met 2012

De vrouw verzoekt veroordeling van de man ter verrekening van de kosten van de huishouding over de jaren 2009 tot en met 2012, te vermeerderen met wettelijke rente.

Zij heeft deze vordering onderbouwd met gegevens van de inkomens van partijen en afschriften van de gezamenlijke rekening van partijen waaruit de huishoudelijke uitgaven blijken.

De rechtbank zal dit verzoek van de vrouw afwijzen, gelet op het volgende.
De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zij weliswaar ieder jaar een berekening maakte van de kosten van de huishouding en inzicht had in de inkomens van partijen, maar niet eerder om verrekening van de huishoudelijke kosten heeft gevraagd, omdat zij de man
– die in de bedoelde periode ook nog alimentatieverplichtingen had en veel andere lasten – in staat wilde stellen zijn schulden bij derden te voldoen, hoewel zij zich toen ook realiseerde dat de man wat financiën betreft over weinig discipline beschikt(e). De rechtbank stelt vast dat geconcludeerd moet worden dat partijen c.q. de vrouw bewust van de huwelijkse voorwaarden zijn/is afgeweken, terwijl deze bovendien bepalen dat geen van beiden verrekening of teruggaaf kan verlangen van wat één van hen meer van de kosten betreffende de gewonde gang van de huishouding dan de ander mocht hebben gedragen dan waartoe die ene verplicht was. Het verzoek van de vrouw moet derhalve worden afgewezen.

g) de vordering van de man dat de vrouw hem een vergoeding van € 24.300,-- dient te voldoen inzake ongerechtvaardigde verrijking

De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij de woning van de vrouw aan de [adres] na de koop, met behulp van zijn broer, volledig heeft gestript, gerenoveerd en verbouwd. Alle materiaalkosten zijn door de vrouw voldaan, behalve een vloer ad

€ 2.500,-- en een schuifdeur ad 500,--, ten behoeve van een geïsoleerde kamer. De vrouw is door zijn werkzaamheden ongerechtvaardigd verrijkt, aldus de man. Zij heeft immers geen aannemer hoeven inschakelen. De man begroot de bespaarde kosten op € 24.300,-- (54 weken van zes dagen ad € 75,-- per dag). Als gevolg van deze werkzaamheden heeft de vrouw kosten bespaard en heeft hij zelf niet elders kunnen werken, aldus nog steeds de man.

De vrouw betwist het verzoek van de man gemotiveerd. Zij stelt dat, als er al een grond voor vergoeding zou bestaan, de man geen 6 dagen per week gedurende 54 weken heeft gewerkt, nu de werkzaamheden tussen 16 november 2011 en eind april 2012 hebben plaatsgevonden.

Voorts stelt de vrouw dat op de rechtsverhouding tussen ex-echtgenoten regels van redelijkheid en billijkheid van toepassing zijn, en dat nu de vrouw ook altijd veel voor de man heeft gedaan, het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn als de man aanspraak zou kunnen maken op betaling voor zijn werkzaamheden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is hij, die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot een bedrag van zijn verrijking. Het begrip verrijking omvat zowel behaald voordeel als afgewend nadeel. Aan de andere kant, in casu aan de zijde van de man, dient er sprake te zijn van verarming, bijvoorbeeld door geleden verlies of gederfde winst. Tussen deze verrijking en verarming moet een voldoende verband bestaan en de verrijking dient ongerechtvaardigd te zijn.

Nog daargelaten het feit dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat de man het door hem gestelde aantal uren niet aan de verbouwing van de woning heeft kunnen besteden, heeft de man niet aangetoond dat het door hem berekende bedrag aan arbeidskosten aan zijn zijde als schade/verarming kan worden aangemerkt. Zo heeft de man op geen enkele wijze aangetoond hoe groot de door hem gestelde schade is, bijvoorbeeld door aan te geven welke concrete andere werkzaamheden hij niet heeft kunnen uitvoeren, en welke inkomsten hij uit deze werkzaamheden had kunnen genereren. Dit geldt te meer nu vast staat dat de man in die periode van zijn werkgever een wachtgelduitkering ontving. Reeds op deze grond dient het verzoek van de man te worden afgewezen.

Voorts overweegt de rechtbank, wellicht ten overvloede, dat er ook geen aanleiding bestaat om te oordelen dat de man de werkzaamheden zonder redelijke grondslag heeft verricht. Partijen waren gehuwd en zouden de woning gezamenlijk betrekken. Naar de vrouw onweersproken heeft gesteld, hebben zij dat ruim een jaar na het afronden van de werkzaamheden ook gedaan. Voorts staat onweersproken vast dat partijen mede zijn verhuisd om op de woonlasten te besparen. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat zij ook veel werkzaamheden voor de woning van de man, waar zij eerst woonden, heeft verricht. Ook heeft zij gedurende het huwelijk steeds haar best gedaan om de man te helpen zijn financiële problemen op te lossen. Voorts heeft zij, anders dan in de huwelijkse voorwaarden als uitgangspunt is bepaald, een aanzienlijk hogere bijdrage (€ 11.100,--) aan de kosten van de huishouding geleverd dan door haar netto inkomen wordt gerechtvaardigd.

De stelling van de vrouw dat zij de man steeds financieel heeft bijgestaan is door de man in zijn stukken erkend, waar hij in zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken schrijft dat er in de loop der jaren meerdere keren met vermogen van de vrouw richting de man is geschoven, hetgeen ook uit de stukken – en uit het voorgaande – blijkt. De man heeft weersproken dat de vrouw een te hoog bedrag aan huishoudelijke kosten zou hebben voldaan en gesteld dat hij juist meer in deze kosten heeft bijgedragen dan de vrouw. Hij heeft zijn stellingen echter, anders dan de vrouw, niet onderbouwd en met stukken geadstrueerd. Op grond hiervan en gelet op de huwelijkse relatie, die meebrengt dat partners over en weer werkzaamheden verrichten die bijdragen aan hun leefsituatie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat er geen grondslag bestond voor de door de man verrichte werkzaamheden. In ieder geval brengen deze werkzaamheden mee dat, indien al van ongerechtvaardigde verrijking zou kunnen worden gesproken, het niet redelijk is dat de vrouw, die er ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden geen rekening mee heeft behoeven te houden dat zij daarvoor achteraf alsnog zou moeten betalen, voor die werkzaamheden alsnog een vergoeding aan de man zou dienen te voldoen. De man was ervan op de hoogte dat de woning uitsluitend aan de vrouw toebehoorde en het zou op zijn weg hebben gelegen met haar afspraken te maken indien hij voor zijn werkzaamheden een vergoeding wenste, bijvoorbeeld in het geval de relatie zou eindigen.

De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard dat de door de man gemaakte materiaalkosten kunnen worden verrekend. Nu hij niet heeft onderbouwd hoe hoog deze zijn geweest, kan zij ermee instemmen dat daarvoor een bedrag van € 550,-- wordt verrekend met de genoemde schuld van de man aan haar.

De rechtbank zal het desbetreffende verzoek van de man derhalve voor het overige afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de goederen die partijen in gemeenschappelijke eigendom hebben als volgt vast:

- bepaalt dat de man zijn onverdeelde helft van de aan partijen in mede-eigendom toebehorende bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw zal overdragen tegen een bedrag ad € 57.250,--;

- bepaalt dat de man binnen twee maanden na deze beschikking zijn medewerking dient te verlenen aan de goederenrechtelijke levering van zijn onverdeelde helft van de aan partijen in mede-eigendom toebehorende bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] aan de vrouw, zulks onder de bepaling dat bij gebreke van die medewerking deze beschikking de voor de levering noodzakelijke wilsverklaring, medewerking en handtekening van de man zal vervangen als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • -

    bepaalt dat na de betekening van deze uitspraak veertien dagen dienen te zijn verstreken alvorens deze kan worden ingeschreven in de openbare registers;

  • -

    bepaalt dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de vouwwagen, merk Holtkamp Flyer, en de aanwezige kampeerbenodigdheden aan een derde, onder bepaling dat het aandeel van de man in de opbrengst van de verkoop in mindering zal komen op de schuld van de man als hiervoor bedoeld, met dien verstande dat indien een lagere verkoopopbrengst dan € 2.250,-- wordt gerealiseerd, de helft van het verschil ten laste van het aandeel van de man in de opbrengst komt;

bepaalt voorts:

- dat de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 40.266,-- aan de vrouw zal voldoen uit hoofde van de op 2 oktober 2002 ondertekende schuldbekentenis, te verminderen met een bedrag van € 550,-- aan materiaalkosten, dus per saldo een bedrag van € 39.716,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van de genoemde inschrijving van deze beschikking;

- dat de vrouw als uitsluitend gerechtigde tot de eigendom van de woning aan de [adres] te [plaats] de met betrekking tot deze woning afgesloten hypothecaire lening bij PVF met ingang van 25 juli 2013 als haar eigen schuld zal voldoen, onder vrijwaring van de man;

- dat de vrouw zich ervoor zal inspannen dat de man binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de op de woning aan de [adres] te [plaats] gevestigde hypotheek bij PVF ter hoogte van € 112.500,--;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.B. Verkleij, S.M. van der Schenk en A. Zonneveld, bijgestaan door mr. D. Spierenburg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015.