Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7835

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
AWB 14-24862
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot voorlopig verblijf met als doel gezinshereniging. Beroep is gegrond in verband met schending hoorplicht en motiveringsgebreken. Geen aanleiding voor toepassing bestuurlijke lus.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/24862

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Pakistaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. drs. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hakvoort, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 heeft verweerder de aanvraag van [naam 1] (de hoofdpersoon) om eiser een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen met als doel gezinshereniging, afgewezen.

Bij besluit van 3 oktober 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door de hoofdpersoon en zijn echtgenote [naam 2]. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2p, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), kan een mvv worden verleend aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, dat hij om die reden behoort tot diens gezin, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de vreemdeling met de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd behoorde tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend.

2. In paragraaf C2/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag, is – voor zover hier relevant – vermeld dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw 2000 (thans: artikel 29, tweede lid, Vw 2000), wordt verleend als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. De hoofdpersoon in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen vóór binnenkomst van de hoofdpersoon in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De hoofdpersoon onderbouwt dit met documenten. De hoofdpersoon moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de hoofdpersoon de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Volgens deze paragraaf wordt bij de beoordeling of een pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de hoofdpersoon, onder meer betrokken:

• de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de hoofdpersoon;

• de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;

• de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag van de hoofdpersoon tot het verlenen van een mvv voor eiser tijdig (dat wil zeggen: binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend) is geschied.

4.1

Eiser heeft onder meer aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Zijn bezwaren waren volgens hem niet kennelijk ongegrond.

4.2

Verweerder kan met toepassing van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het horen afzien indien uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daartoe moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiser is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing.

4.3

Verweerder heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser in Pakistan daadwerkelijk deel heeft uitgemaakt van het gezin van de hoofdpersoon. Verweerder wijst daarbij op tegenstrijdigheden in de verklaring van eiser ten opzichte van die van de hoofdpersoon en zijn echtgenote. Eiser kan niet de exacte leeftijd van zijn zusjes geven en bovendien geeft hij een afwijkende naam op voor zijn jongste zusje. Verder zijn er tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het afbranden van de gezamenlijke woning en het verloren gaan van eisers paspoort. Voorts kan eiser een aantal belangrijke vragen, die samenhangen met de vraag of hij deel heeft uitgemaakt van het gezin, niet beantwoorden. Hij kan niet het exacte adres noemen waar hij volgens de hoofdpersoon vanaf jonge leeftijd tot aan zijn vijftiende jaar heeft gewoond, terwijl zijn pleegouders dat wel konden bij hun separate asielprocedures. Eisers beschrijving van de woonomgeving wijkt ook af van de beschrijving van de hoofdpersoon. Ten slotte kan hij niet beschrijven wat de werkzaamheden van de hoofdpersoon in Pakistan inhielden en geeft hij een verkeerde afkorting van de organisatie waarvoor de hoofdpersoon werkte, aldus – steeds – verweerder.

4.4

Eiser heeft in de bezwaarfase – onder meer – aangevoerd dat zijn verklaringen en die van de hoofdpersoon en zijn echtgenote in grote lijnen overeenkomen en dat ten onrechte wordt gesteld dat er afwijkingen zijn die hem kunnen worden aangerekend. Dat eiser op een aantal punten niet juist heeft verklaard komt omdat hij ernstig getraumatiseerd is door een ontvoering en hetgeen hij in dat verband heeft meegemaakt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser een psychologisch rapport aan verweerder toegezonden. Dat eiser niet exact kan verklaren over de leeftijd van zijn zusjes, komt omdat hij op het moment van zijn verklaring net een zware periode van vier jaren achter de rug had en zijn zusjes toen al meer dan tweeëneenhalf jaar niet heeft gezien. De verkeerde schrijfwijze van de naam van zijn jongste zusje is veroorzaakt doordat de tolk of de interviewer de naam verkeerd heeft verstaan en eiser de schrijfwijze niet heeft kunnen controleren. Voor wat betreft het afbranden van de woning haalt eiser twee branden door elkaar, maar dat kan hem niet worden aangerekend vanwege alle traumatische gebeurtenissen die hij in zijn leven al heeft meegemaakt. Dat eiser en de hoofdpersoon verschillend hebben verklaard over het verlies van het paspoort, is niet relevant voor de vraag of eiser voor het vertrek van de hoofdpersoon feitelijk behoorde tot diens gezin. Dat eiser zijn oude woonadres niet exact kent, is niet bevreemdend, nu eiser dat adres op zijn vijftiende heeft verlaten, het huis zelf geen nummer had en de exacte aanduiding slechts werd gebruikt op het huurcontract en de energienota’s. De beschrijvingen van de woonomgeving van eiser en de hoofdpersoon zijn niet tegenstrijdig, maar vullen elkaar juist aan. Verweerders stelling dat eiser ten onrechte niet kan verklaren over de werkzaamheden van de hoofdpersoon in Pakistan, miskent dat eiser dat als kind van vijftien jaar oud niet behoefde te weten en dat de werkzaamheden van de hoofdpersoon gevoelig liggen in de Pakistaanse samenleving zodat hij daarover niet met zijn kinderen sprak. Verweerder dient juist waarde te hechten aan het feit dat eiser wist dat de hoofdpersoon van een ‘welfare’ organisatie werkte. Dat eiser de woorden niet wist die hoorden bij de afkorting van die organisatie, zegt niets over de feitelijke gezinsband tussen hem en de hoofdpersoon. In dit verband miskent verweerder bovendien dat eiser slechts vijftien jaar oud was en dit niet bij zijn belevingswereld hoorde. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de overgelegde verklaringen van derden over het bestaan van de feitelijke gezinsband en is ook van belang dat de hoofdpersoon en zijn echtgenote geloofwaardig zijn bevonden en zij consequent hebben verklaard over de aanwezigheid van eiser in hun leven, aldus – steeds – eiser.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de gronden van het bezwaar, zich redelijkerwijs niet op het standpunt kunnen stellen dat er geen twijfel mogelijk was over de conclusie dat de bezwaren ongegrond zijn. Verweerder heeft in het primaire besluit (slechts) verwezen naar de onvolkomenheden in de door eiser afgelegde verklaring. Eiser heeft daartegenover in de bezwaarfase gemotiveerd betoogd dat hij getraumatiseerd is en dat hij daardoor minder goed kan verklaren. Hij heeft deze stelling nader onderbouwd door een psychologisch rapport te overleggen. Verder heeft eiser ten aanzien van alle tegengeworpen tegenstrijdigheden specifieke verweren gevoerd. Hij heeft gemotiveerd betoogd dat er een verklaring is voor de tegenstrijdigheid, de tegenstrijdigheid hem niet kan worden tegengeworpen, dat er geen tegenstrijdigheid is of dat de tegenstrijdigheid geen rol speelt bij beantwoording van de vraag of tussen eiser en de hoofdpersoon een feitelijke gezinsband heeft bestaan ten tijde van het vertrek van de hoofdpersoon uit Pakistan. Verder heeft eiser nog verwezen naar de overeenkomsten in de verklaringen van enerzijds eiser en anderzijds de hoofdpersoon en zijn echtgenote en naar de overgelegde getuigenverklaringen. Verweerder kon deze bezwaren niet zonder meer ongegrond verklaren. De beroepsgrond slaagt.

5. De rechtbank constateert bovendien dat verweerder in het bestreden besluit niet, althans onvoldoende, gemotiveerd is ingegaan op hetgeen door eiser in bezwaar is aangevoerd. In zoverre heeft eiser terecht betoogd dat er aan het bestreden besluit ook motiveringsgebreken kleven.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 7:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51a van de Awb, omdat bij de hoorzitting nog een nadere uitwisseling van standpunten moet kunnen plaatsvinden en de uitkomst van de daarna te maken bestuurlijke heroverweging ongewis is. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.

7. De rechtbank zal bepalen dat verweerder de door eiser gemaakte proceskosten aan eiser vergoedt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,-- en een wegingsfactor 1).

8. De rechtbank zal verweerder gelasten het door eiser voor het beroep betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

-
verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van € 980,--;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Ebbink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.