Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7652

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2015
Datum publicatie
06-07-2015
Zaaknummer
09/755050-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen van verduistering.

10 maanden gevangenisstraf waarvan de helft voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/755050-12

Datum uitspraak: 2 juli 2015

Tegenspraak

Verkort vonnis

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [verdachte 1] 1950 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 juni 2015.

De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Zijn raadsman mr. A.P. Visser, advocaat te Den Haag, is ter terechtzitting verschenen. De raadsman verklaart uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De officier van justitie mr. M.A. Visser heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van een bedrag van € 192.031,14 subsidiair één jaar hechtenis. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vordering benadeelde partij voor zover deze ziet op de post ‘schuld [verdachte 2]’ en tot afwijzing van het overige.

In deze zaak is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 februari

2008 tot en met 30 augustus 2012 te Den Haag, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens)

opzettelijk een of meer geldbedrag(en) van in totaal (ongeveer) 225.000 euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s)

anders dan door misdrijf, te weten (telkens) op basis van een of meer

schriftelijke en/of mondelinge overeenkomst(en) inhoudende dat verdachte en/of

zijn mededader(s) dit/deze geldbedrag(en) zou(den) investeren in

(vastgoed)projecten/ onroerend goed, onder zich had(den), wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien er reeds een civiel vonnis is gewezen in deze kwestie. Volgens de raadsman is het openbaar ministerie alleen tot strafvervolging overgegaan om de benadeelde partij [slachtoffer 1] een verhaalsmogelijkheid te bieden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Het gegeven dat tussen een aantal bij deze zaak betrokken (rechts-)personen een civiel vonnis is gewezen, staat geheel los van de bevoegdheid van het openbaar ministerie om verdachte daarnaast ook strafrechtelijk te vervolgen. Die beslissing van de officier van justitie kan door de rechter slechts marginaal getoetst worden. Zelfs indien de stelling van de raadsman juist zou zijn, leidt dat nog niet tot het oordeel dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om tot vervolging over te gaan. Omstandigheden die dat anders zouden maken, zijn gesteld noch gebleken.

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte geld heeft verduisterd dat aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toebehoorde. Dit was op 4 februari 2008 naar de bankrekening van B.V. [B.V. 1] overgeschreven om voor hen te worden geïnvesteerd. Verdachte heeft evenwel op 2 februari 2008 het bedrag van € 225.000,-- van deze bankrekening overgeboekt naar zijn bedrijf [B.V. 2] B.V. Door de raadsman is aangevoerd dat van verduistering geen sprake kan zijn aangezien – kort samengevat – op het moment van het overboeken door verdachte het geld nog niet op de rekening van B.V. [B.V. 1] stond.

Uit het dossier blijkt dat notaris [notaris] op maandag 4 februari 2008 middels een spoedoverboeking opdracht heeft gegeven het bedrag van € 239.061,72 over te maken op de bankrekening van de B.V. [B.V. 1]. Tevens volgt uit het dossier dat het door verdachte overgemaakte bedrag van € 225.000,-- met boekdatum 4 februari 2008 is bijgeschreven op de bankrekening van [B.V. 2] B.V. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat verdachte weliswaar al op zaterdag 2 februari 2008 opdracht heeft gegeven een bedrag van € 225.000,-- naar de bankrekening van [B.V. 2] over te maken onder de vermelding ‘conform overeenkomst’, maar dat de bank hieraan pas op maandag 4 februari 2008 uitvoering heeft gegeven nadat het door notaris [notaris] met spoed overgemaakte bedrag was bijgeschreven. Dat verdachte de opdracht tot overboeking heeft gegeven voordat het geld daadwerkelijk op de bankrekening van B.V. [B.V. 1] stond, staat daarom naar het oordeel van de rechtbank een bewezenverklaring van het verdachte ten laste gelegde feit niet in de weg. Hoewel verdachte al op 2 februari 2008 het opzet op toe-eigening had, vond de toe-eigening plaats op 4 februari 2008. Toen het bedrag van € 239.061,72 op 4 februari 2008 was bijgeboekt heeft verdachte zich vervolgens € 225.000,-- wederrechtelijk toegeëigend door dit bedrag op dezelfde dag te doen bijschrijven op rekening van [B.V. 2] B.V. De rechtbank stelt verder vast dat het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geïnvesteerde bedrag op de rekening van B.V. [B.V. 1] was overgeboekt, maar feitelijk aan verdachte was toevertrouwd. Hij was de initiatiefnemer voor de investering in onroerend goed, de (beoogd) bouwer en ontwikkelaar ervan en de bestuurder van de vennootschap. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] investeerden in onroerend goed projecten van verdachte omdat zij een oninbare schuld op medeverdachte [verdachte 2] hadden en hij verdachte aandroeg als oplossing voor deze schuld. Verdachte heeft deze rol op zich genomen en daarbij B.V. [B.V. 1] als vehikel gebruikt. Uit de overeenkomst van 31 januari 2008 blijkt immers dat projecten van verdachte spoedig geld moesten opleveren dat aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou toekomen in mindering op de schuld van medeverdachte [verdachte 2]. Verdachte heeft zich € 225.000,-- toegeëigend aangezien hij als bestuurder van [B.V. 2] B.V. de feitelijke zeggenschap over dit laatste bedrag is gaan uitoefenen. Hij heeft immers in februari 2008 aan zichzelf € 10.000,-- cash uitbetaald en verder betalingen aan zichzelf (€ 140.000,-) of een door hem gecontroleerde vennootschap (€ 15.000,-) verricht. Hij heeft betalingen doen verrichten waarvan geenszins is gebleken dat deze ten goede kwamen aan de projecten van verdachten waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dachten te hebben geïnvesteerd. Daaronder bevond zich op 5 februari 2008 een betaling van € 40.000,-- aan – nota bene – de vriendin van medeverdachte [verdachte 2].

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het bij tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 2 februari 2008 tot en met 4 februari 2008 te Den Haag tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 225.000 euro,

toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], welk goed verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf, te weten op basis van een schriftelijke overeenkomst inhoudende dat verdachte en zijn mededader dit geldbedrag zouden investeren in (vastgoed)projecten/onroerend goed, onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

medeplegen van verduistering.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [verdachte 2] aangever [slachtoffer 1] en zijn partner [slachtoffer 2] een groot geld bedrag afhandig gemaakt door het geld dat zij via B.V. [B.V. 1] dachten te investeren in onroerend goed projecten van verdachte te verduisteren. Verdachte heeft vervolgens met dit geldbedrag ten gunste van zichzelf allerlei betalingen gedaan die niets te maken hadden met het investeren in vastgoed ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank verbaast zich over het gemak waarmee verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat aangevers in hem hebben gesteld. En hoewel verdachte al in 2010 in een civiele procedure is veroordeeld tot vergoeding van de schade van € 225.000,-- aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft hij tot op heden nog maar een klein gedeelte terugbetaald.

Dat verdachte niet meer moeite heeft gedaan om zijn schuld in te lossen en aangever tot op heden ook geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor zijn handelen, rekent de rechtbank hem aan. Daarnaast ziet aangever zich nog steeds geconfronteerd met de forse negatieve consequenties van de verduistering door verdachte.

Uit het strafblad van verdachte van 19 mei 2015 blijkt dat verdachte wel eerder met justitie in aanraking is gekomen, maar niet voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt ook rekening met de omstandigheid dat het strafbare feit zich zeven jaar geleden heeft voorgedaan.

Alles overwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Met name in de ouderdom van de zaak ziet de rechtbank aanleiding een deel van deze straf ook voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk deel dient tevens om verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan dergelijke of andere strafbare feiten.

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich tezamen als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 292.581,14.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘schuld [verdachte 2]’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien dit gedeelte van de vordering ziet op de schuld van de medeverdachte [verdachte 2] aan [slachtoffer 1] waar verdachte geen bemoeienis mee heeft gehad.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen. De rechtbank (sector civiel recht) heeft op 23 juni 2010 vonnis gewezen waarbij verdachte is veroordeeld tot terugbetaling van € 225.000,-- (te vermeerderen met rente en kosten) aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Eisers hebben daarmee een rechtsgeldig titel om hun vordering te verhalen en kunnen daarom thans niet opnieuw een titel voor dezelfde vordering krijgen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht. Verdachte heeft immers het bedrag van € 225.000,-- dat aan hen toebehoorde verduisterd. Daarvan is slechts een klein bedrag aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terugbetaald. Nu verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 192.031,14, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 februari 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de slachtoffers genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van verduistering;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (vijf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

vordering benadeelde partij

bepaalt dat de vordering voor het deel dat ziet op de post ‘schuld [verdachte 2]’ niet-ontvankelijk is;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de schadevergoedingsmaatregel

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 192.031,14, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 2 februari 2008 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van de slachtoffers genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, rechter,

mr. D.M. Thierry, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Visser, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2015.