Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7608

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
31-07-2015
Zaaknummer
09-817296-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdachte heeft het slachtoffer (zijn zusje) opgewacht, bij de keel vastgepakt en in de richting van een busje getrokken. Vervolgens heeft hij haar in de achterbak van dat busje geduwd en de deur dichtgeduwd maar niet afgesloten. Het slachtoffer heeft na enkele seconden de deur geopend en is weggerend. Onder deze omstandigheden is de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet voltooid en is het bij een begin van uitvoering gebleven.

Onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817296-14

Datum uitspraak: 24 juni 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 juni 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Doves en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. T.V. Seedorf, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2014 te Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer]

-opgewacht (tot zij naar buiten kwam lopen) en/of (vervolgens)

-bij de keel althans het lichaam vastgepakt (waardoor zij zich niet vrij kon bewegen) en/of (vervolgens)

-tegen haar wil in de richting van een autobus getrokken en/of geduwd en/of (vervolgens)

-tegen haar wil in de achterbak van die autobus geduwd en/of (vervolgens)

-de deur van die achterbak dicht geduwd (terwijl die [slachtoffer] in de achterbak zat;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2014 te Den Haag, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of zijn mededader met dat opzet die [slachtoffer]

-opgewacht (tot zij naar buiten kwam lopen) en/of (vervolgens)

-bij de keel althans het lichaam vastgepakt (waardoor zij zich niet vrij kon bewegen) en/of (vervolgens)

-tegen haar wil in de richting van een autobus getrokken en/of geduwd en/of (vervolgens)

-tegen haar wil in de achterbak van die autobus geduwd en/of (vervolgens)

-de deur van die achterbak dicht geduwd (terwijl die [slachtoffer] in de achterbak zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt er primair van verdacht dat hij op 26 januari 2014 te Den Haag samen met een ander zijn zusje [slachtoffer] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd, door samen met de medeverdachte haar op te wachten, haar vast te pakken en tegen haar wil achterin de autobus te duwen en de achterdeur daarvan dicht te duwen. Subsidiair wordt de verdachte ervan verdacht dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging daartoe.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw betoogd dat het opzet op de vrijheidsberoving ontbreekt.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De feiten

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en omdat deze door de verdediging niet zijn betwist als vaststaand worden aangemerkt, en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de bewijsvraag dienen.

Op 26 januari 2014 heeft de verdachte zijn zusje [slachtoffer] opgewacht op de Nieuwe Parklaan te Den Haag. Hij zat samen met de medeverdachte [medeverdachte] in een autobus die stond geparkeerd nabij de instelling waar [slachtoffer] op dat moment verbleef. Toen zij naar buiten kwam lopen en bij de tramhalte stond te wachten, is de verdachte uitgestapt en naar haar toe gelopen. Hij heeft haar gevraagd met hem mee te gaan om hun moeder te zien. Op het moment dat zij zei dat zij dat niet wilde, heeft hij haar vastgepakt en haar tegen haar wil in de richting van de autobus getrokken/geduwd, haar vervolgens in de achterbak van die autobus geduwd en ten slotte de deur van de achterbak van de autobus dicht geduwd. [slachtoffer] heeft hierop de deur weer geopend en is weggerend.2

De enige vraag die de rechtbank met betrekking tot de feiten nog dient te beantwoorden is hoe de verdachte [slachtoffer] heeft vastgepakt: bij de keel zoals ten laste gelegd of bij de pols zoals de verdachte heeft verklaard.

Op 26 januari 2014, kort na het incident, is [slachtoffer] als benadeelde door de politie gehoord. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar bij haar keel vastpakte en haar zo naar het busje mee trok.3 Dit heeft zij als getuige tegenover de rechter-commissaris herhaald.4 Op 26 januari 2014 is [getuige 1] , een buurtbewoner, door de politie als getuige gehoord. Hij heeft eveneens verklaard dat het meisje (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) door de man (de rechtbank begrijpt: de verdachte) bij haar keel werd gepakt en meegesleurd.5 Dit wordt bevestigd in de uitwerking van het meldkamergesprek waarin de bewoner van nummer 86 (de rechtbank begrijpt: [getuige 1] ) heeft gezegd: ‘Ineens stapt die ene uit en die trekt haar zo aan de keel naar die auto’.6 Daarnaast is [getuige 2] , medewerker bij de instelling waar [slachtoffer] verbleef, op 26 januari 2014 door de politie als getuige gehoord. Zij heeft ook verklaard dat de jongeman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) [slachtoffer] met twee handen ter hoogte of bij haar keel vast had.7 Nu de verklaring van [slachtoffer] , anders dan de verklaring van de verdachte, steun vindt in verklaringen van (onafhankelijke) getuigen, komt de rechtbank tot de vaststelling dat de verdachte [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt.

(Een poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving?

De vraag die de rechtbank vervolgens zal moeten beantwoorden is of sprake is geweest van (het medeplegen van) een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] , dan wel een poging daartoe.

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij het busje in is geduwd, dat de verdachte werd aangesproken door een vrouw en dat zij ( [slachtoffer] ) vervolgens de deur heeft geopend en is weggerend.8 Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat er tussen het moment dat de deur van de bus dicht ging en zij deze weer openmaakte, ongeveer 2 seconden zat.9 [getuige 3] , medewerker bij de instelling waar [slachtoffer] verbleef, heeft verklaard dat [slachtoffer] door een jongeman (waarvan [getuige 3] vermoedde dat dit de broer van [slachtoffer] , [verdachte] , was) met kracht in een busje werd geduwd. De achterzijde van het busje bestond uit twee delen. De rechterzijde was gesloten, de linkerzijde stond open. [getuige 3] heeft verder aangegeven dat hij vervolgens naar het busje is gerend. De linker achterdeur van het busje was toen half gesloten. [getuige 3] zag de linker achterdeur van het busje weer opengaan en zag [slachtoffer] uitstappen.10

De verdachte heeft ter terechtzitting eveneens verklaard dat de gebeurtenissen slechts enkele seconden duurden.11

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] wilde meenemen naar zijn moeder. [slachtoffer] begon op enig moment tegen te stribbelen, waarop hij haar vastpakte en meetrok naar het busje. Hierover heeft hij verklaard dat hij haar in de laadruimte van de bus had geduwd, maar dat de deur niet helemaal was gesloten. Verder heeft hij verklaard dat ‘er wel enigszins iets van dwang’ was.12 Toen de verhorende verbalisant opmerkte dat hij dit gedrag niet normaal vond, reageerde de verdachte als volgt: “Dat is ook niet normaal. Maar ze moest gewoon naar mijn moeder toe.”13 Op de vraag of hij iemand tegen zijn/haar wil heeft meegenomen, antwoordde de verdachte: “Ja, maar dat was maar heel kort.” Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat het tegenstribbelen bestond uit schreeuwen en niet willen meelopen en dat hij [slachtoffer] meetrok.14 Daags daarop heeft de verdachte in zijn verhoor verklaard dat hij [slachtoffer] over een afstand van twee meter, tegen haar wil in, meegenomen heeft.15 In zijn laatste verklaring bij de politie heeft de verdachte verklaard: “Toen [slachtoffer] in het eerste begin ging tegenstribbelen had ik haar moeten laten gaan.”16 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij dom heeft gehandeld en dat hij [slachtoffer] niet had moeten vastpakken.17

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte zich bewust was van de omstandigheid dat [slachtoffer] niet met hem mee wilde gaan en dat hij haar desondanks heeft meegetrokken, in de laadruimte van het busje heeft geduwd en de deur van het busje dicht heeft geduwd. Reeds hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank het opzet op de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer] , de verdachte en de getuige, zoals hiervoor weergegeven, stelt de rechtbank vast dat de gebeurtenissen vanaf het moment van vastpakken tot het moment dat [slachtoffer] de auto uit vluchtte enkele seconden tot hooguit een halve minuut hebben geduurd. Nu bovendien de achterdeur van het busje niet gesloten is geweest en [slachtoffer] slechts enkele seconden in het busje is geweest, is de rechtbank van oordeel dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet is voltooid, maar dat het is gebleven bij een begin van uitvoering.

De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde feit, te weten de (voltooide) wederrechtelijke vrijheidsberoving, en de subsidiair ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving bewezen verklaren.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 26 januari 2014 te Den Haag, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer]

-opgewacht totdat zij naar buiten kwam lopen en vervolgens

-bij de keel vastgepakt waardoor zij zich niet vrij kon bewegen en vervolgens

-tegen haar wil in de richting van een autobus getrokken en/of geduwd en vervolgens

-tegen haar wil in de achterbak van die autobus geduwd en vervolgens

-de deur van die achterbak dicht geduwd terwijl die [slachtoffer] in de achterbak zat,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] en voorts tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen voor een kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft geprobeerd zijn zusje, die onder toezicht stond en in een logeerhuis voor jongeren verbleef, wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven door haar tegen haar wil en met enig geweld in een busje te duwen om haar naar hun moeder te brengen. De verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn zusje en ook op haar persoonlijke levenssfeer en bewegingsvrijheid. Bovendien worden door dit soort handelingen gevoelens van onveiligheid aangewakkerd, zeker nu dit onder het oog van diverse omstanders op/aan de openbare weg heeft plaatsgevonden. De rechtbank rekent dit alles de verdachte in ernstige mate aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 11 mei 2015, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2014. In dit rapport schrijft de reclassering dat toezicht, gelet op de zorgelijke situatie, geïndiceerd is, maar dat er twijfels zijn over de uitvoering en invulling van het toezicht. Daarom conformeert de reclassering zich aan het oordeel van de rechtbank.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich thans volledig te richten op zijn studie en geen behoefte te hebben aan contact met de reclassering.

De rechtbank overweegt dat het strafbare feit zich inmiddels bijna anderhalf jaar geleden heeft voorgedaan en dat de verdachte in de tussentijd kennelijk geen contact meer met zijn zusje heeft gehad. Mede gelet hierop zal de rechtbank - overeenkomstig de vordering van de officier van justitie - een onvoorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zij het dat de straf gelet op de vrijspraak van het primair ten laste gelegde lager uitvalt. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wil de rechtbank niet alleen de ernst van het feit benadrukken, maar beoogt zij tevens de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken. Gelet op de aard van het feit acht de rechtbank tevens als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer aangewezen. Voor reclasseringstoezicht, anders dan toezicht op deze bijzondere voorwaarde (hetgeen volgt uit het systeem van de wet), ziet de rechtbank geen aanleiding.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) MAANDEN;

bepaalt dat die gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer] (geboren [geboortedag slachtoffer] 1996), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. C.W. de Wit, rechter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Schaap, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1522-2014018255, van regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 315).

2 Proces-verbaal verhoor benadeelde, p. 40 en 41; verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 juni 2015.

3 Proces-verbaal verhoor benadeelde, p. 40.

4 Proces-verbaal verhoor van getuigen, op 27 oktober 2014 opgemaakt door de rechter-commissaris en de griffier, verklaring [slachtoffer] punt 12.

5 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 47.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 74, met bijlage, p. 76.

7 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 52.

8 Proces-verbaal verhoor benadeelde, p. 41.

9 Proces-verbaal verhoor van getuigen, op 27 oktober 2014 opgemaakt door de rechter-commissaris en de griffier, verklaring [slachtoffer] , punt 25.

10 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 50.

11 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 juni 2015.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 83 en 84.

13 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 84.

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 85.

15 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 93.

16 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 224.

17 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 10 juni 2015.