Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7593

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
C-09-484182 - FA RK 15-1667
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming verhuizing binnenland afgewezen - zorgregeling vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-1667

Zaaknummer: C/09/484182

Datum beschikking: 9 juni 2015

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 3 maart 2015 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.J. Boers te ’s-Gravenzande.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. K. Moene te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens verzoekschrift;

  • -

    het aanvullend verzoekschrift van de zijde van de moeder.

Op 28 april 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat alsmede de vader met mr. D.G.M. van den Hoogen die de zaak waarnam voor mr. Moene.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (aanvullend) verzocht:

  • -

    haar vervangende toestemming te verlenen om met na te noemen minderjarige te verhuizen naar de gemeente Zuidwest Friesland, althans een beslissing te nemen als de rechtbank juist acht,

  • -

    de zorgregeling te wijzigen conform haar voorstel, althans een zorgregeling vast te stellen als de rechtbank juist acht,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met de minderjarige naar de gemeente Zuidwest Friesland te verhuizen. Tevens heeft hij zelfstandig verzocht:

voor het geval de rechtbank de moeder toestemming verleent om te mogen verhuizen:

  • -

    de zorgregeling te wijzigen conform zijn voorstel;

  • -

    de door hem te betalen kinderalimentatie te wijzigen;

II. een zorgregeling gedurende de vakanties vast te stellen conform zijn voorstel,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

  • -

    De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

  • -

    Uit de moeder is geboren de minderjarige:

  • -

    [de minderjarige 1] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die door de vader is erkend.

  • -

    De minderjarige heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

  • -

    Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 januari 2012 zijn de ouders gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast en zijn zij verwezen naar Bureau Jeugdzorg Haaglanden voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van contacten tussen de vader en de minderjarige.

  • -

    Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 22 mei 2013 is voormelde beschikking van de rechtbank bekrachtigd en is in aanvulling hierop een door de ouders overeengekomen zorgregeling vastgesteld.

  • -

    Thans geldt de volgende zorgregeling:

  • -

    [de minderjarige 1] heeft iedere woensdag om 18.30 uur telefonisch contact met de vader;

  • -

    [de minderjarige 1] is in de even weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader, waarbij de vader hem ophaalt en weer terugbrengt.De moeder is tevens ouder van de minderjarige:

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

Beoordeling

Vervangende toestemming tot verhuizing

Aan de orde is een geschil omtrent de uitoefening van het gezag. De moeder wenst met [de minderjarige 1] te verhuizen naar de gemeente Zuidwest-Friesland. De vader stemt hiermee niet in.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd. Zij heeft in [plaats] in het verleden veel meegemaakt in negatieve zin en heeft hiervan nog altijd veel last. Door in [plaats] te blijven wonen, wordt zij herhaaldelijk geconfronteerd met (mensen die weten van) haar belaste verleden. Zij wil daarom graag een nieuwe start maken met haar kinderen in een nieuwe omgeving. In Friesland zijn er - gezien haar beperkte financiële ruimte – meer mogelijkheden voor een betaalbare goede woonruimte en dus meer mogelijkheden om de kinderen meer rust en ruimte te bieden. De moeder heeft specifiek Friesland als nieuwe woonplaats op het oog omdat zij daar al een sociaal netwerk heeft, terwijl ook haar moeder (de oma van [de minderjarige 1] ) zal meeverhuizen naar Friesland. Een verhuizing zal geen negatieve invloed hebben op de contacten tussen de vader en [de minderjarige 1] .

Hoewel de vader de wens van de moeder om te vertrekken uit [plaats] begrijpt, verzet hij zich tegen een verhuizing zo ver weg, naar Friesland. Volgens hem kijkt de moeder alleen vanuit haar eigen standpunt naar de verhuizing en verliest zij het belang van [de minderjarige 1] daarbij uit het oog. Volgens de vader is [de minderjarige 1] gewend en geworteld in [plaats] , waar hij veel familie heeft en waar hij naar school gaat en vriendjes heeft. Nu [de minderjarige 1] op school nog erg onzeker is, is een overstap naar een nieuwe school in een geheel andere omgeving ook niet in zijn belang, aldus de vader. Door een verhuizing naar Friesland wordt de vader bovendien de mogelijkheid ontnomen om betrokken te raken bij school, sport en andere (sociale) activiteiten in het dagelijks leven van [de minderjarige 1] . Als [de minderjarige 1] ouder wordt en zijn sociale activiteiten toenemen, zal de afstand tussen Friesland en Leidschendam beperkend werken in de contacten tussen hem en [de minderjarige 1] . De vader heeft aangegeven eventueel wel met de moeder overleg te willen voeren over een verhuizing van [de minderjarige 1] uit [plaats] naar een dichterbij gelegen plaats, met een afstand niet verder dan Amsterdam.

Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van het kind toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders niet tot overeenstemming komen, zal de rechtbank een zodanige beslissing nemen die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:BC5901) overweegt de rechtbank dat hieruit niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen en alle betrokken belangen te worden afgewogen. Hoewel het belang van het kind een overweging van eerste orde dient te zijn neemt dat niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

Vooropgesteld dient te worden dat de moeder in beginsel het recht heeft haar leven (opnieuw) in te richten. De rechtbank begrijpt ook dat het verblijf in [plaats] emotioneel zwaar voor de moeder is en de rechtbank onderkent daarom ook de wens en de belangen van de moeder om te vertrekken uit [plaats] om elders een nieuw leven op te bouwen. Hieruit volgt echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet een noodzaak voor de moeder om zo ver weg, naar Friesland, te verhuizen. De moeder heeft geen werk waarbij zij specifiek aan Friesland is gebonden en ook overigens is onvoldoende gebleken dat zij aan Friesland is gebonden. De door de moeder aangevoerde omstandigheden dat zij in Friesland vrienden heeft en dat het daar goedkoper wonen is, zijn – hoewel begrijpelijk vanuit de wens van moeder bezien – in ieder geval onvoldoende om tot deze conclusie te kunnen komen. Niet is gebleken dat de moeder mogelijkheden om elders – dichterbij de woonplaats van de vader – een nieuw leven op te bouwen, heeft onderzocht.

Tegenover het belang van de moeder om (met [de minderjarige 1] ) naar Friesland te verhuizen, staat het belang van de vader en [de minderjarige 1] bij onverminderd contact met elkaar en onverminderde betrokkenheid bij elkaar. Gelet op de forse afstand tussen Friesland en Leidschendam zal dit belang bij een verhuizing van de moeder met [de minderjarige 1] naar Friesland in het gedrang komen. Immers, hoewel de huidige zorgregeling bij een verhuizing van [de minderjarige 1] naar Friesland kan worden gecontinueerd, zal uitbreiding hiervan dan niet meer tot de mogelijkheden behoren, zal de reistijd die alsdan met de zorgregeling gemoeid is een behoorlijk beslag leggen op het effectieve vader-zoon contact en zullen de mogelijkheden voor de vader om (verder) betrokken te raken bij het dagelijks leven van [de minderjarige 1] ernstig worden ingeperkt. Dit terwijl vast staat dat de vader verder betrokken wil raken bij het dagelijkse leven van [de minderjarige 1] (sport en school) en dus méér contact en betrokkenheid wil dan met een tweewekelijkse weekendregeling. De rechtbank acht het ook in het belang van [de minderjarige 1] dat zijn vader (op termijn) een groter deel uitmaakt van zijn (sociale) leven dan nu het geval is.

Deze belangen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [de minderjarige 1] en de vader om dicht bij elkaar te wonen en frequent contact te kunnen hebben, in dit geval voorrang moeten hebben boven het hiervoor omschreven belang van de moeder bij een verhuizing naar Friesland. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met [de minderjarige 1] naar de gemeente Zuidwest-Friesland te verhuizen, dan ook afwijzen.

Kinderalimentatie

Nu het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met [de minderjarige 1] naar Friesland te verhuizen, zal worden afgewezen, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie geen bespreking meer.

De zorgregeling

De vader heeft ter terechtzitting verklaard dat hij kan instemmen met de door de moeder in haar aanvullend verzoekschrift voorgestelde zorgregeling, met dien verstande dat hij overleg zal plegen met de moeder over het halen van [de minderjarige 1] uit school op vrijdag indien hij weer een baan zal hebben. Zoals ter terechtzitting met partijen besproken zal de vader zich inspannen om de mogelijkheid tot het halen van [de minderjarige 1] uit school op vrijdag bij zijn toekomstige werkgever(s) te behouden.

Derhalve zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

wijst af het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , naar de gemeente Zuidwest-Friesland;

*

– met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 22 mei 2013 van het gerechtshof Den Haag –

bepaalt dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

- in de even weken van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur;

- in de oneven jaren:

o in de eerste week van de meivakantie

o in de eerste, derde en vierde week van de zomervakantie;

o in de herfstvakantie;

o in de tweede week van de kerstvakantie;

- in de even jaren:

o in de voorjaarsvakantie;

o in de tweede week van de meivakantie;

o in de tweede, vijfde en zesde week van de zomervakantie;

o in de eerste week van de kerstvakantie;

waarbij voor de feestdagen (voor zover deze niet in een vakantie vallen) geldt dat:

  • -

    de minderjarige op Goede Vrijdag verblijft bij de ouder bij wie hij het aansluitende weekend conform de reguliere regeling verblijft;

  • -

    de minderjarige met Pasen verblijft bij de ouder bij wie hij het weekend conform de reguliere regeling verblijft;

  • -

    de minderjarige op Koningsdag in de even jaren bij de moeder verblijft en in de oneven jaren bij de vader, tenzij Koningsdag op vrijdag, zaterdag of zondag valt, dan verblijft de minderjarige bij de ouder waar hij het (aansluitende) weekend conform de reguliere regeling verblijft;

  • -

    de minderjarige op 5 mei 2020 (Bevrijdingsdag) bij de moeder verblijft;

  • -

    partijen in onderling overleg bepalen waar de minderjarige op Hemelvaartsdag verblijft;

  • -

    de minderjarige met Pinksteren verblijft bij de ouder bij wie hij het weekend conform de reguliere regeling verblijft;

  • -

    de minderjarige het weekend waarin Vaderdag valt bij de vader verblijft en hij het weekend waarin Moederdag valt bij de moeder verblijft,

en verklaart deze zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

*

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, O.F. Bouwman en S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. AW. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2015.