Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
C-09-480461 - HA ZA 15-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgoederengemeenschap; uitleg echtscheidingsconvenant; kooptoptie, voorkeursrecht koop, huur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/480461 / HA ZA 15-33

Vonnis van 1 juli 2015

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. B.J. Blindenbach te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Smetsers te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 oktober 2014, met drie producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met drie producties,

  • -

    het vonnis van 11 februari 2015, waarbij tevens een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het op 31 maart 2015 ingekomen B-formulier aan de zijde van [eiseres], met één productie,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest van 10 januari 1997 tot 31 maart 2008. De echtscheiding tussen hen is op gemeenschappelijk verzoek bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 19 maart 2008 uitgesproken.

2.2.

Bij convenant van 22 januari 2008 (hierna: het echtscheidingsconvenant) hebben partijen de gevolgen van hun echtscheiding geregeld. Zij zijn 1 juli 2007 overeengekomen als peildatum voor de waardering van de, ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant nog, te ontbinden huwelijksgoederengemeenschap. Blijkens het echtscheidingsconvenant hebben partijen, voor zover relevant, met betrekking tot de te verdelen bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap de volgende afspraken gemaakt.
- De echtelijke woning zal worden toegedeeld aan [eiseres] en op haar naam worden gesteld onder gelijktijdig ontslag van [gedaagde] uit de aansprakelijkheid van de op de woning rustende hypothecaire schuld. Partijen hebben de vrije onderhandse verkoopwaarde van de woning gesteld op € 430.000. De hypotheekschuld beliep € 272.268,13, op grond waarvan zij de overwaarde van de echtelijke woning gesteld hebben op € 157.731, 87.
- Het bedrijfspand (blijkens de hierna in 2.4 te noemen notariële akte een appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitende gebruik van bedrijfsruimte op de begane grond met verder aanbehoren aan de [adres] te [woonplaats], hierna: het bedrijfspand), waarin een door partijen gedreven cafetaria was gevestigd, zal worden toegedeeld aan [gedaagde] en op zijn naam worden gesteld onder ontslag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] van de op het bedrijfspand rustende hypothecaire schuld. Partijen hebben de vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand gewaardeerd op € 270.000. De hypotheekschuld beliep € 120.252, zodat zij de overwaarde hebben gesteld op € 149.748.

  • -

    [eiseres] zal de cafetaria als eenmanszaak voor eigen rekening en risico voortzetten en daarvan melding maken bij de Kamer van Koophandel. Partijen hebben de waarde van de onderneming in overleg met de accountant/adviseur gesteld op € 300.000 en in het echtscheidingsconvenant verder op dit punt bepaald “het bedrag waartegen de vrouw gerechtigd zal zijn de zaak als eenmanszaak voort te zetten, wordt na verrekening van de goodwill gesteld op een bedrag van
    € 222.883”.
    - In verband met het bedrijfspand en de cafetaria is voorts in (artikel 4.3 van) het echtscheidingsconvenant bepaald: “De vrouw zal de cafetaria voortzetten in het de man toe te delen pand (…), welk pand de vrouw van de man zal huren onder de voorwaarden, zoals vast te stellen in een nader op te maken huurovereenkomst, waarbij in ieder geval uitgangspunt zal zijn dat de huurovereenkomst zal gelden voor een termijn van minimaal tien jaar tegen een huursom van € 1.750 per maand, te vermeerderen met de indexeringen. De vrouw zal op grond van deze huurovereenkomst een recht van eerste koop verkrijgen tegen de nu vastgestelde overwaarde van € 145.000, te vermeerderen met de prijsstijging van de onroerende zaak conform CBS-cijfers.”
    - Een fiscale claim van om en nabij € 20.000, door partijen verwacht nu het bedrijfspand per de peildatum de onderneming van partijen zal verlaten en over het verschil tussen boekwaarde en te taxeren waarde zou moeten worden afgerekend, zal door [eiseres] worden voldaan en in de afrekening worden betrokken.

  • -

    De lijfrentes, levensverzekeringen en spaarsaldi die partijen hebben afgesloten met een totale contante waarde per peildatum van € 106.000 zullen aan [gedaagde] worden toegedeeld en op zijn naam worden gesteld.

  • -

    De inboedelgoederen zullen aan [eiseres] worden toegedeeld en de niet-zakelijk gereden auto zal aan [gedaagde] worden toegedeeld, waarbij over en weer geen verrekening zal plaatsvinden.
    In (artikel 7 van) het echtscheidingsconvenant is bepaald: “Partijen constateren op grond van het vorenstaande als volgt. De waarde van de huwelijksgoederengemeenschap wordt door hen gesteld op
    € 157.731,-- (echtelijke woning) + € 222.883,-- (zaak) + € 149.748,-- (zakelijk pand) + € 106.000,-- (polissen etc.) -/- € 20.000,-- (fiscale claim die op de onderneming rust) = € 616.362,--. Ieder is gerechtigd tot de helft, zijnde een bedrag van € 308.181,00. Aan de vrouw worden toebedeeld de echtelijke woning en de zaak inclusief de fiscale claim, mitsdien voor een totaalbedrag ad € 360.614,--. Partijen constateren dan ook dat de vrouw ten opzichte van de man wordt overbedeeld met een bedrag van € 52.433,--, welk bedrag zij de man ter gelegenheid van het transport van de registergoederen zal voldoen.” In de slotbepalingen van het echtscheidingsconvenant (in artikel 6.1) is bepaald: “Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en plichten genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen. De man vrijwaart de vrouw en de vrouw vrijwaart de man voor aanspraken ter zake van schulden die hij, respectievelijk zij, krachtens dit convenant voor zijn, respectievelijk haar rekening neemt.”

2.3.

Bij huurovereenkomst, opgemaakt op 1 april 2008, heeft [gedaagde] het bedrijfspand verhuurd aan [eiseres]. De huurovereenkomst is “aangegan voor een periode van 5 jaren, met ingaande op 1 mei 2008 en dus eindigend op 1 mei 2013” met de mogelijkheid van, kort gezegd, verlenging voor een periode van telkens vijf jaar met een opzegtermijn van één jaar. De huurprijs bedraagt € 1.750. In artikel 3.5 van de huurovereenkomst is verder bepaald: “Verhuurder verleent het recht van eerste koop aan huurder.
Huurder zal er het eerst van op de hoogte gebracht worden wanneer verhuurder het pand te koop zal aanbieden.
Huurder zal vanaf het moment dat verhuurder aangeeft het pand te zullen verkopen in de gelegenheid gesteld worden om de vooraf bepaalde koopsom, € 270.000 k.k. (zegge tweehonderdzeventigduizendeuro) binnen twee maanden na het te koop aanbieden te voldoen.
De verkoop prijs zal echter jaarlijks worden aangepast conform CBS cijfers.
De Juridische levering van het huurobject zal na totstandkoming van de koopovereenkomst en de betaling van de koopsom binnen 2 maanden plaatsvinden.
De koopsom is gelijk aan de prijs zoals genoemd in artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant.”

2.4.

Bij notariële akte van verdeling en levering van 20 mei 2008 zijn, kort gezegd, overeenkomstig het echtscheidingsconvenant de echtelijke woning en het bedrijfspand overgedragen aan respectievelijk [eiseres] en [gedaagde], waarbij elk van partijen zich ertoe heeft verplicht om de hypothecaire schuld verbonden aan het aan hen geleverde registergoed als eigen schuld op zich te nemen en [eiseres] zich ertoe heeft verplicht aan [gedaagde] een bedrag van € 52.433 uit te keren wegens overbedeling. Dit bedrag heeft [eiseres] aan [gedaagde] voldaan.

2.5.

Blijkens een ontwerp van een notariële leveringsakte, gedateerd 14 oktober 2014, heeft [gedaagde] op 30 september 2014 een koopovereenkomst gesloten met de heren [X] en [X2], strekkende tot levering van het bedrijfspand aan de heren [X], ieder voor de onverdeelde helft tegen een koopprijs van € 150.000. Blijkens deze akte wordt het verkochte geheel of gedeeltelijk overgedragen in verhuurde staat.

2.6.

[eiseres] heeft, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, op 13 oktober 2014 beslag doen leggen op het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende bedrijfspand.

2.7.

De levering van het bedrijfspand van [gedaagde] aan de heren [X] heeft niet plaatsgevonden. De koopovereenkomst tussen [gedaagde] en de heren [X] is ontbonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - [gedaagde] te gebieden het bedrijfspand aan [eiseres] aan te bieden tegen een prijs van € 145.000 op straffe van verbeurte van een dwangsom en te gebieden dat [gedaagde] medewerking verleent aan alle noodzakelijke leveringshandelingen, alsmede te bepalen, zo [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, dat het in dezen te wijzen vonnis op de voet van art. 3:300 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde], die tot de rechtshandeling gehouden is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de beslagkosten en hem te veroordelen in de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is welke afspraken partijen in het echtscheidingsconvenant hebben gemaakt betreffende de koop van het bedrijfspand door [eiseres], of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het echtscheidingsconvenant en of hij op die grond veroordeeld moet worden tot nakoming van het echtscheidingsconvenant zoals [eiseres] heeft gevorderd.

4.2.

[eiseres] beroept zich op de tekst van het echtscheidingsconvenant, op grond waarvan [gedaagde] volgens haar verplicht is het bedrijfspand aan haar te koop aan te bieden tegen een prijs van € 145.000. De in de huurovereenkomst genoemde vooraf bepaalde koopsom van € 270.000 is volgens haar een vergissing. Zij baseert haar vorderingen uitsluitend op het echtscheidindingsconvenant.

4.3.

[gedaagde] betoogt dat hij het bedrijfspand aan [eiseres] heeft aangeboden, echter dat [eiseres] heeft gezegd niet bereid of in staat te zijn het bedrijfspand te kopen. Verder stelt hij zich op het standpunt dat het echtscheidingsconvenant alleen ‘uitgangspunten’ bevat, die nader zouden worden uitgewerkt. Dit is, aldus [gedaagde], gebeurd in de huurovereenkomst. [eiseres] is in de huurovereenkomst een recht van eerste koop toegekend, hetgeen volgens hem moet worden gekwalificeerd als een voorkeursrecht van koop, derhalve een voorwaardelijke aanbiedingsplicht van [gedaagde] en géén wilsrecht van [eiseres]. [gedaagde] meent dat het niet zeker is welke koopprijs partijen in de huurovereenkomst zijn overeengekomen, dit wordt in artikel 3.5 van de huurovereenkomst volgens hem opengelaten. Zijn stelling is niet dat een koopprijs van € 270.000 is overeengekomen. In de huurovereenkomst is wel bepaald is dat de koopsom gelijk is aan de prijs zoals genoemd in het echtscheidingsconvenant. Volgens [gedaagde] is voorts in het echtscheidingsconvenant onduidelijk of het in die overeenkomst genoemde bedrag van
€ 145.000 de aankoopprijs betreft, dan wel de overwaarde van het bedrijfspand die verdisconteerd moet worden in een nader te bepalen koopprijs. Nu [gedaagde] niet (meer) wenst te verkopen en geen overeenstemming bestaat over de essentiala van een koopovereenkomst moet de vordering van [eiseres] volgens [gedaagde] in ieder geval worden afgewezen.

4.4.

De rechtbank merkt vooraf op dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex, HR 13-03-1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Op [eiseres] rust de verplichting rust om feiten te stellen, en die feiten bij voldoende gemotiveerde betwisting door [gedaagde] te bewijzen, die de uitleg van het echtscheidingsconvenant waarop zij zich beroept, staven.

4.5.

Voorts merkt de rechtbank op dat geen feiten gesteld of gebleken zijn waaruit volgt dat partijen in het echtscheidingsconvenant de bedoeling hebben gehad om af te wijken van de in artikel 1:100 BW vervatte hoofdregel dat een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte moet worden verdeeld. De rechtbank neemt die hoofdregel derhalve bij haar beoordeling van de uitleg van de afspraken tussen partijen in het echtscheidingsconvenant tot uitgangspunt.

4.6.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij gelet op het verweer van [gedaagde], dat mede inhoudt dat partijen in de huurovereenkomst geen koopprijs van € 270.000 zijn overeengekomen, maar dat die koopprijs in de huurovereenkomst is opengelaten en dat daarom in artikel 3.5 bepaald is dat de koopsom gelijk is aan de prijs genoemd in artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant, tevens tot uitgangspunt neemt dat de afspraken tussen partijen in het echtscheidingsconvenant nog steeds gelden, met dien verstande dat voor de uitleg van die afspraken de inhoud van de huurovereenkomst wel van belang is. Partijen hebben - kennelijk - niet beoogd in de huurovereenkomst afspraken te maken die afwijken van de in het echtscheidingsconvenant vervatte uitgangspunten.

4.7.

De tekst van artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant, waarin bepaald is dat [eiseres] een eerste recht van koop zal verkrijgen “tegen de nu vastgestelde overwaarde van
€ 145.000”, kan op zichzelf beschouwd gelezen worden als een bepaling waarin partijen vooraf een koopprijs zijn overeengekomen. De tekst van de bepaling roept tegelijkertijd vragen op nu, uitgaande van die uitleg, de koopprijs gerelateerd zou zijn aan de overwaarde van het bedrijfspand en niet aan de (toenmalige) vrije verkoopwaarde van het bedrijfspand. De tekst van artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant alleen biedt gelet hierop onvoldoende aanknopingspunten om de door [eiseres] gestelde uitleg van het echtscheidingsconvenant voor juist te houden.

4.8.

De vraag rijst dan hoe partijen zijn gekomen tot artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat partijen blijkens het echtscheidingsconvenant de vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand destijds (per de peildatum, 1 juli 2007) gewaardeerd hebben op € 270.000. Stukken op basis waarvan die waarde is vastgesteld, zijn niet in het geding gebracht. Stukken, zoals een taxatierapport, waaruit de huidige waarde van het bedrijfspand blijkt, zijn evenmin in het geding gebracht. Slechts blijkt dat [gedaagde] voornemens is geweest het bedrijfspand op 14 oktober 2014 over te dragen aan een derde tegen een prijs van € 150.000. Blijkens het verhandelde ter zitting beliep de WOZ-waarde van het bedrijfspand volgens partijen ten tijde van de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant rond de € 100.000 en op dit moment € 87.000, dan wel € 78.000.

4.9.

Volgens [gedaagde] is het bedrijfspand destijds door een derde getaxeerd op € 200.000 en zijn partijen, omdat [eiseres] iets tekort kwam voor de overname van de onderneming en de woning, uitgegaan van een iets hogere verkoopwaarde dan de taxatiewaarde. Volgens hem zou hij dit weer terugkrijgen bij de uitoefening van het kooprecht door [eiseres].

4.10.

[eiseres] sluit niet uit dat partijen het bedrijfspand bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant hoger hebben gewaardeerd dan de werkelijke vrije onderhandse verkoopwaarde op dat moment. Dit met de bedoeling om haar in staat te stellen de onderneming als eenmanszaak voort te zetten en, met de twee minderjarige kinderen van partijen, in de (voormalige) echtelijke woning te blijven wonen. Zij is op basis van de financiële middelen waarover zij beschikte een lening aangegaan om de vordering van [gedaagde] uit hoofde van overbedeling te voldoen. Verder zouden partijen volgens [eiseres] de bedoeling hebben gehad om [gedaagde] voor een periode van tien jaar gegarandeerd huurinkomsten te verschaffen.

4.11.

Gelet op het vorenstaande kan er niet als vaststaand van worden uitgegaan dat de vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand per 1 juli 2007 in werkelijkheid
€ 270.000 is geweest en daarmee evenmin dat de overwaarde van het bedrijfspand destijds
€ 145.000 was. Dat partijen destijds de bedoeling hebben gehad dat [eiseres] gerechtigd zou zijn tot koop van het bedrijfspand voor een prijs van € 145.000 blijkt hieruit evenmin.

4.12.

Dit geldt temeer nu artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant bezien moet worden in onderlinge samenhang met de overige bepalingen in het echtscheidingsconvenant betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de finale kwijting die partijen elkaar in dit verband hebben verleend. Niet kan worden uitgesloten - de rechtbank acht dit gelet op de WOZ-waarde ook niet onaannemelijk - dat partijen zijn uitgegaan van een hogere verkoopwaarde en overwaarde van het bedrijfspand dan de werkelijke vrije onderhandse verkoopwaarde, met als gevolg dat partijen de schuld van [eiseres] uit hoofde van overbedeling op een lager bedrag hebben gesteld dan wanneer zij zouden zijn uitgegaan van de werkelijke vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand en voorts dat partijen bedoeld hebben met dat gevolg rekening te houden bij de door [gedaagde] (gedurende tien jaar) te genereren huurinkomsten, zoals [eiseres] stelt, dan wel bij de koopprijs die [eiseres] zou voldoen in het geval zij zou overgaan tot koop van het bedrijfspand, zoals [gedaagde] stelt.

4.13.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de huurovereenkomst in de weg staat aan de conclusie dat partijen, zoals [eiseres] stelt, in het echtscheidingsconvenant een koopprijs van € 145.000 zijn overeengekomen. Partijen hebben de huurovereenkomst gesloten kort na het echtscheidingsconvenant. Zij hebben daarin melding hebben gemaakt van een vooraf bepaalde koopsom van € 270.000 en voorts bepaald dat deze koopprijs gelijk is aan het bepaalde in artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant. Ervan uitgaande dat in de huurovereenkomst de koopprijs is “opengelaten”, zoals [gedaagde] stelt, valt niet, althans niet zonder nadere onderbouwing aan de zijde van [eiseres], die ontbreekt, te verklaren waarom partijen in die zin in de huurovereenkomst hebben bepaald. De enkele omstandigheid dat deze huurovereenkomst afkomstig is van de accountant van [gedaagde] en partijen “blind” hebben getekend, acht de rechtbank, in aanmerking genomen hetgeen partijen ter comparitie over de totstandkoming van artikel 4.3 van het echtscheidingsconvenant naar voren hebben gebracht, onvoldoende om er vanuit te gaan dat de in de huurovereenkomst genoemde koopsom van € 270.000 een vergissing is en een kooprijs van € 145.000 zou zijn overeengekomen. Ook in de huurovereenkomst is onduidelijk welke afspraken partijen hebben gemaakt.

4.14.

De rechtbank moet derhalve vaststellen dat [eiseres] in het licht van het verweer van [gedaagde] onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat het echtscheidingsconvenant moet worden uitgelegd in de door [eiseres] gestelde zin. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe. Daarmee liggen de vorderingen van [eiseres] voor afwijzing gereed.

4.15.

Wat partijen wél zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant (en de huurovereenkomst), kan overigens evenmin als vaststaand worden aangenomen. Dit betekent dat indien en voor zover [gedaagde] alsnog of opnieuw tot verkoop van het bedrijfspand wenst over te gaan, hij onverminderd verplicht is het pand te koop aan te bieden aan [eiseres]. Voor zover [gedaagde] al zijn voornemen tot verkoop aan [eiseres] heeft kenbaar gemaakt, is niet gebleken dat hij [eiseres] het bedrijfspand heeft aangeboden tegen betaling van de prijs die partijen volgens hem in het echtscheidingsconvenant en de huurovereenkomst zijn overeengekomen, welke prijs blijkens zijn stellingen in deze procedure immers minder dan € 270.000 bedraagt.

4.16.

Iets anders is dat partijen tijdens het echtscheidingsconvenant voor ogen hebben gehad dat [eiseres] in de toekomst de gelegenheid zou krijgen het bedrijfspand te kopen, dat de wens van [gedaagde] tot verkoop van het bedrijfspand op dit moment blijkens het verhandelde ter zitting mede is ingegeven door zijn schulden aan derden die hij wenst af te lossen, dat [eiseres] graag het bedrijfspand wil kopen en dat zij in staat is het bedrijfspand te financieren (in ieder geval) tegen betaling van de prijs die de heren [X] bereid zijn geweest te betalen voor het bedrijfspand. Bij gebrek aan onderbouwing kan er niet als vaststaand van worden uitgegaan dat de door de heren [X] aanvaarde prijs lager is geweest dan de vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand (in verhuurde staat) op dit moment vanwege de verrekening van schulden van [gedaagde]. Voor zover nodig, kan de vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand (niet in verhuurde staat) op dit moment worden getaxeerd. Ten slotte kan worden bezien op basis van de (eventueel alsnog door middel van een taxateur te bepalen) vrije onderhandse verkoopwaarde van het bedrijfspand per 1 juli 2007 (destijds niet in verhuurde staat) of en in hoeverre partijen in het echtscheidingsconvenant zijn uitgegaan van een hogere verkoopwaarde dan de werkelijke vrije onderhandse verkoopwaarde per de peildatum en of, in aanmerking genomen de huurinkomsten van [gedaagde] met ingang van 1 mei 2008, in de koopprijs rekening dient te worden gehouden met het financiële voordeel van [eiseres] in het kader van de verdeling. De rechtbank geeft partijen gelet hierop ten overvloede in overweging alsnog met elkaar in onderhandeling te treden om te komen tot overdracht van het bedrijfspand aan [eiseres] en, indien en voor zover zij ter zake niet tot afspraken komen, op basis van de beschikbare informatie een regeling te treffen voor het geval [gedaagde] het pand wenst over te dragen aan een derde.

4.17.

De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] afwijzen en, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten compenseren in die zin dat elk der partijen haar, respectievelijk zijn eigen kosten dient te dragen

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.1

1 type: 1772