Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7478

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 11439
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2016:942, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen afdrachtvermindering onderwijs startkwalificatie, omdat eiseres in geen enkel geval geen verklaring crebo-erkende opleiding beschikt en in een aantal gevallen de verklaring Uwv-werkbedrijf ontbreekt. Vergrijpboete is terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 27
Wet financiering sociale verzekeringen 59
Wet op de loonbelasting 1964 27d
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1661
FutD 2015-1852
FutD 2015-1853
NTFR 2015/2292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 14/11439, SGR 14/11440, SGR 14/11442, SGR 14/11443 en SGR 14/11448

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2015 in de zaken tussen

[eiseres] gevestigd te [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. T.J. Wintermans),

en

[P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen (met heffings- en belastingrente) en vergrijpboetes opgelegd:

  • -

    met dagtekening 15 juli 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 ten bedrage van € 96.876, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 24.219 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 12.186 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 14/11439);

  • -

    met dagtekening 15 juli 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ten bedrage van € 155.551, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 38.887 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 15.678 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 14/11440);

  • -

    met dagtekening 15 juli 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 ten bedrage van € 127.487, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 31.871 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 9.423 heffingsrente in rekening gebracht (SGR 14/11442);

  • -

    met dagtekening 15 juli 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 ten bedrage van € 167.033, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 41.758 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 8.453 belastingrente in rekening gebracht (SGR 14/11443);

  • -

    met dagtekening 26 september 2014 een naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 ten bedrage van € 28.268, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 7.067 (25% van de nageheven belasting). Voorts is € 808 belastingrente in rekening gebracht (SGR 14/11448).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de vergrijpboetes alsmede de beschikkingen heffings- en belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2015. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [namen]

Overwegingen

Feiten

1. De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit het begeleiden van mensen vanuit een uitkerings- naar een reguliere arbeidssituatie. In de jaren 2009 tot en met 2013 heeft de gemeente [plaats 2] als opdrachtgever in het kader van een vierjarig re-integratieproject langdurig werklozen bij eiseres geplaatst.

2. Eiseres heeft met betrekking tot deze langdurig werklozen in haar loonaangiften over de onderhavige jaren de afdrachtvermindering onderwijs startkwalificatie (afdrachtvermindering) toegepast.

3. Naar aanleiding van een in 2013 bij eiseres ingesteld boekenonderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres ten onrechte voormelde afdrachtvermindering heeft toegepast en heeft hij de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes aan eiseres opgelegd. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een tot de gedingstukken behorend controlerapport van 13 juni 2014 (het controlerapport).

4. Eiseres heeft voor de onderhavige tijdvakken correctieberichten ingediend, waarbij zij het standpunt heeft ingenomen dat zij voor de door de gemeente [plaats 2] bij haar geplaatste werklozen ten onrechte premies werknemersverzekeringen en loonheffingen heeft afgedragen. Verweerder heeft de correctieberichten als verzoeken om teruggaven aangemerkt en deze verzoeken afgewezen.

Geschil
5. In geschil is of in de onderhavige procedures de inhoudingsplicht van eiseres aan de orde kan komen, en zo ja, of eiseres inhoudingsplichtig is ten aanzien van de bij haar door de gemeente [plaats 2] geplaatste werklozen. Voorts is in geschil of eiseres recht heeft op de afdrachtvermindering en of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

6. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging van de naheffingsaanslagen, de vergrijpboetes en de beschikkingen heffings- en belastingrente. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Inhoudingsplicht

7. Op grond van artikel 27, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet) en artikel 59, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, in samenhang bezien met de artikelen 27b tot en met 27d van de Wet, is een inhoudingsplichtige verplicht de in een tijdvak ingehouden loonheffingen en verschuldigde premies werknemersverzekeringen op aangifte af te dragen. Deze verplichting geldt ook indien de inhouding/afdracht ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft plaatsgevonden. De inhoudingsplichtige die de door hem ingehouden loonheffingen en premies werknemersverzekeringen op aangifte afdraagt, kan slechts tegen die afdracht op de voet van artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) opkomen met het argument dat een door hem afgedragen bedrag materieel niet verschuldigd is (vgl. Hoge Raad 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0194). Daarnaast past het in de systematiek van de loonbelasting niet dat achteraf in het kader van een naheffing in verband met toegepaste afdrachtvermindering kan worden teruggekomen op het bedrag dat van de werknemers is ingehouden en vervolgens afgedragen (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:AX9011) en op het bedrag dat aan premies werknemersverzekeringen is afgedragen.

8. Eiseres heeft in de onderhavige tijdvakken ten aanzien van de personen, voor wie zij de afdrachtvermindering heeft toegepast, loonheffingen ingehouden en deze, evenals de premies werknemersverzekeringen, afgedragen. Niet in geschil is dat eiseres tegen die afdrachten geen bezwaarschriften heeft ingediend. Ook de door eiseres ingediende correctieberichten kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 28a, derde lid, van de Wet (tot 2012: vijfde lid; 2012: zevende lid), niet als een bezwaarschrift in de zin van de Awr worden aangemerkt. Nu eiseres geen bezwaar tegen de afdrachten heeft gemaakt, kan in de onderhavige procedures - mede gelet op hetgeen onder 7 is overwogen - de inhoudingsplicht van eiseres niet meer aan de orde komen. Dat eiseres, naar zij ter zitting heeft gesteld, wel de intentie heeft gehad om bezwaar tegen de afdrachten te maken, kan aan voormeld oordeel niet afdoen. Het primaire standpunt van eiseres faalt derhalve.

Afdrachtvermindering

9. Een inhoudingsplichtige die recht wil doen gelden op de afdrachtvermindering dient, voor zover hier van belang, op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, en artikel 14, vijfde lid, onderdeel b, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, te beschikken over een verklaring van een gecertificeerde onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 12aa, tweede lid, Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (verklaring crebo-erkende opleiding) alsmede een verklaring, waaruit blijkt dat de werknemer vóór aanvang van de scholing een werkloze is (verklaring Uwv-werkbedrijf).

10. Niet in geschil is dat eiseres in geen enkel geval over een verklaring crebo-erkende opleiding beschikt en dat daarnaast in tien gevallen de verklaring Uwv-werkbedrijf ontbreekt. Eiseres voldoet hiermee niet aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van de afdrachtvermindering. Nu het bezit van de verklaring crebo-erkende opleiding en de verklaring Uwv-werkbedrijf een formeel en constitutief vereiste vormt voor toepassing van de afdrachtvermindering, heeft eiseres reeds hierom daarop geen recht (vgl. Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1043). Hetgeen eiseres op dit punt overigens heeft aangevoerd, te weten dat de opleidingen in materiële zin voldoen aan de voorwaarden, dat verweerder slechts deelwaarnemingen heeft verricht en de facturen van cursusinstanties niet integraal heeft beoordeeld kan - gelet op het vorenstaande - niet aan het oordeel afdoen. De naheffingsaanslagen zijn dan ook terecht opgelegd.

Vergrijpboetes

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat het aan grove schuld van eiseres te wijten is dat zij, door het ten onrechte in aanmerking nemen van de afdrachtvermindering, te weinig belasting heeft betaald. Eiseres heeft op grote schaal van de afdrachtvermindering gebruik gemaakt. De afdrachtvermindering maakte ook deel uit van het business model van eiseres. Haar activiteiten bestonden er immers uit dat zij mensen begeleidde vanuit een uitkeringssituatie naar een reguliere werksituatie, waarbij zij de opdracht had ten behoeve daarvan die mensen op startkwalificatieniveau te brengen. Onder die omstandigheden had van eiseres mogen worden verwacht dat zij zich op de hoogte had gesteld van de toepasselijke wet- en regelgeving omtrent de afdrachtvermindering en zeker de daarbij in acht te nemen tamelijk eenvoudige formele, administratieve verplichtingen. Door reeds dit na te laten, heeft eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan grove schuld van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is betaald. Dat eiseres, naar zij heeft gesteld, materieel aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering heeft voldaan, kan aan voormeld oordeel niet afdoen, temeer niet nu dat - anders dan in de door eiseres genoemde procedure bij Hof Den Haag van 11 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2326 - helemaal niet vaststaat.

12. Eiseres heeft nog het standpunt ingenomen dat zij zich heeft laten bijstaan door een adviseur die zij voor voldoende deskundig mocht houden, die de toepassing van de afdrachtvermindering controleerde en aan wiens zorgvuldige taakvervulling zij niet behoefde te twijfelen. Aldus valt haar geen grove schuld te verwijten. Dat standpunt kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat uit het gespreksverslag van 10 december 2013 met de adviseur van eiseres blijkt dat eiseres middels een database en zonder verdere inhoudelijke informatie aan haar adviseur heeft doorgegeven voor welke werknemers de afdrachtvermindering moest worden toegepast en dat de adviseur deze gegevens zonder nadere beoordeling in de aangiften loonheffingen heeft verwerkt. Gelet hierop acht de rechtbank de stelling van eiseres dat haar adviseur haar aangiften loonheffingen op het punt van de afdrachtvermindering inhoudelijk controleerde dan wel dat eiseres daarvan mocht uitgaan dan ook niet aannemelijk. De omstandigheid dat de adviseur van eiseres, een administratie- en belastingadvieskantoor, is aangesloten bij het College van Belastingadviseurs, doet aan het vorenstaande niet af. Van een situatie als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586, is dan ook geen sprake.

13. In de overige door eiseres aangedragen omstandigheden, zoals het succes van het project, de intensieve samenwerking met de gemeente [plaats 2], als ook de omstandigheid dat verweerder nooit bij de gemeente [plaats 2] navraag over het project heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om de vergrijpboetes te vernietigen of te matigen.

14. Gelet op het vorenstaande zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd en acht de rechtbank, in aanmerking nemende de ernst van de beboetbare feiten en de omstandigheden van het geval, vergrijpboetes van 25% van de nageheven belasting passend en geboden.

Heffingsrente en belastingrente

15. Eiseres heeft tegen de in rekening gebrachte heffings- en belastingrenten geen gronden ingebracht. Nu de beroepsgronden tegen de naheffingsaanslagen geen doel treffen, blijven de beschikkingen heffings- en belastingrente in stand.

Slotsom

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, voorzitter, en mr. M.C.J.A. Huijgens en

mr. T.A. de Hek, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.