Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7458

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
C-09-466173 - HA ZA 14-0596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wel en geen bestuurdersaansprakelijkheid voor overtredingen door onderneming van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO voor Uitzendkrachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0641
OR-Updates.nl 2015-0278
AR 2015/1287
RO 2015/59
JONDR 2015/1051

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken)

Vonnis van 1 juli 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/466173 / HA ZA 14-0596 van:

de stichting STICHTING NALEVING CAO VOOR UITZENDKRACHTEN,

eiseres gevestigd te Barendrecht,

advocaat: mr. M.H.D. Vergouwen te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

deze twee gedaagden wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M. de Bluts te Zoetermeer,

3 [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

deze twee gedaagden zonder bekende woonplaats of verblijfplaats,

niet verschenen.

De rechtbank zal de vijf procespartijen hierna noemen SNCU, [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

De procedure

1.1

De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 9 april 2014 tegen de eerste rolzitting van 16 juli 2014, met de producties 1 t/m 23 van SNCU;

  • -

    het ter eerste rolzitting van 16 juli 2014 tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] verleende verstek;

  • -

    de conclusie van antwoord van 8 oktober 2014 namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2];

  • -

    het comparitievonnis van 22 oktober 2014 en de beschikking datumbepaling van 17 november 2014 van de rechtbank;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 februari 2015.

1.2

De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag, 1 juli 2015.

De feiten

2.1

SNCU is in 2004 opgericht door werknemers- en werkgeversorganisaties in de uitzendbranche. Haar taken en bevoegdheden zijn neergelegd in de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. SNCU is in het leven geroepen om activiteiten te bevorderen die gericht zijn op het creëren van goede arbeidsverhoudingen in de uitzendbranche. Haar belangrijkste taken bestaan uit het geven van voorlichtingen en informatie, en op het (doen) uitvoeren van controles op correcte naleving van de CAO voor Uitzendkrachten en de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Deze beide CAO’s zijn door de Minister van SZW algemeen verbindend verklaard voor de periode van (voor zover in deze civiele procedure van belang) 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. Een en ander is tot in detail te raadplegen op de websites www.sncu.nl en www.cao.szw.nl.

2.2

[X] BV te Den Haag heeft in het verleden een uitzendbureau gedreven. Voor zover nu relevant waren de bestuurders van [X] BV blijkens het handelsregister: a) [gedaagde 1] van 28 april 2009 tot 30 juni 2011, b) [gedaagde 2] van 28 april 2009 tot 30 november 2011, c) [gedaagde 4] van 30 november 2011 tot 29 oktober 2012 en d) [gedaagde 3] van 30 januari 2012 tot 28 maart 2012. Op 29 oktober 2012 is de inschrijving van [X] BV in het handelsregister ambtshalve doorgehaald wegens “opheffing van de vestiging”. Voordien had [gedaagde 2] bij notariële akte van 30 november 2011 zijn aandelen in [X] BV voor € 1.300 verkocht en geleverd aan [gedaagde 4]. Daarna zijn de bedrijfsactiviteiten van [X] BV gestaakt.

2.3

Bij brief van 28 april 2011 heeft SNCU aan het toen nog actieve [X] BV gemotiveerd bericht dat zij bij [X] BV een controle instelde op de juiste naleving van de CAO voor Uitzendkrachten door de uitzendonderneming, en heeft SNCU aan [X] BV verzocht om daartoe een aantal specifieke administratieve gegevens aan haar te verstrekken. Bij brief van 2 juni 2011 heeft Administratiekantoor Mient namens [X] BV de gevraagde gegevens aan SNCU verstrekt.

2.4

Bij brief van 27 augustus 2011 heeft SNCU aan [X] BV bericht dat de verstrekte gegevens haar deden vermoeden dat de onderneming een groot aantal met name genoemde artikelen uit de CAO voor Uitzendkrachten niet had nageleefd en heeft zij een nadere controle door het externe bureau Providius bij [X] BV aangekondigd. Bij brief van 3 oktober 2011 heeft SNCU aan [X] BV bericht dat [X] BV de op 23 september 2011 geplande afspraak met Providius pas op 23 september 2012 heeft afgezegd en dat [X] BV daarom conform art. 5 lid 7 van Reglement II zoals opgenomen in de algemeen vernindend verklaarde CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche aan SNCU een bedrag van € 800 annuleringskosten moest betalen op het aangegeven rekeningnummer. Ook heeft SNCU [X] BV toen verzocht om per direct een nieuwe afspraak met Providius te maken. Op 3 november 2011 heeft het onderzoek naar [X] BV door Providius namens SNCU plaatsgevonden op kantoor bij Administratiekantoor Mient, destijds op hetzelfde Haagse adres gevestigd als [X] BV.

2.5

Bij brief van 15 november 2011 heeft Providius haar concept rapportage van diezelfde datum aan [X] BV per adres Administratiekantoor Mient te Den Haag gezonden, en haar daarbij een termijn gegeven om inhoudelijk op die concept-rapportage te reageren. Uit de concept-rapportage van 15 november 2011 bleek dat Providius in de onderzochte CAO-periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011 de daarin vermelde vele overtredingen door [X] BV heeft geconstateerd en dat Providius de zogenoemde “indicatieve materiële schadelast” als gevolg daarvan heeft berekend op € 101.822. Nadat door of namens [X] BV niet meer was gereageerd, heeft Providius bij brief van 23 december 2011 haar definitieve rapportage van diezelfde datum met een “indicatieve materiële schadelast” van € 101.822 verzonden aan [X] BV en SNCU.

2.6

Bij brief van 23 april 2012 heeft SNCU [X] BV op grond van de rapportage van Providius gesommeerd om binnen 14 dagen schriftelijk te verklaren dat [X] BV a) de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten voortaan volledig zal naleven, b) binnen 12 weken alsnog aan de betrokken (ex) medewerkers van [X] BV de krachtens de CAO verschuldigde achterstallige salarisbedragen van in totaal € 101.822 zal nabetalen en c) haar volledige medewerking zal verlenen aan een hercontrole na 12 weken door of namens SNCU. Ook heeft SNCU in die brief gesommeerd tot het binnen 14 dagen betalen van een forfaitaire schadevergoeding van € 22.313 krachtens artikel 6 van Reglement II bij de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. [X] BV had toen haar bedrijfsactiviteiten al zo’n tien maanden daarvoor gestaakt (zie daartoe nader bij 2.2) en heeft (dus) niet voldaan aan deze sommaties van SNCU.

2.7

De advocaat van SNCU heeft na raadpleging van het handelsregister en de GBA bij brieven van 15 oktober 2013 aan [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als de vier laatste bestuurders van [X] BV opnieuw gesommeerd om kort gezegd alle in de brief van SNCU van 23 april 2012 vermelde verplichtingen van [X] BV ten opzichte van SNCU alsnog na te (doen) komen en daarbij ook opheldering gevraagd over kort gezegd de details van de aandelenoverdracht van 30 november 2011 van [gedaagde 2] aan [gedaagde 4]. Een jurist van HBO Juristen heeft daarop namens [gedaagde 2] gereageerd. Bij brieven van 21 november 2013 aan [gedaagde 4] en aan deze jurist van [gedaagde 2] heeft de advocaat van SNCU inhoudelijk gereageerd, nadere vragen gesteld en gemeld dat wegens bestuurdersaansprakelijkheid jegens hen in privé ook aanspraak zal worden gemaakt op nabetaling van € 101.822 en betaling van
€ 22.313 schadevergoeding. Daarop is nog afwijzend gereageerd door [gedaagde 4] per e-mail van 3 december 2013 en door HBO Juristen namens [gedaagde 2] bij brief van 16 december 2013.

De geschillen

3.1

Bij dagvaarding van 9 april 2014 heeft de advocaat van SNCU (samengevat) gevorderd dat de rechtbank bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid hoofdelijk zal veroordelen:

  1. tot nabetaling van € 101.822 aan de werknemers die in dienst van [X] BV zijn geweest in de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011 en tot overlegging aan SNCU van (salaris)specificaties en betaalbewijzen waaruit die nabetaling blijkt, op straffe van een dwangsom van maximaal € 102.000;

  2. tot betaling van € 22.313 aan SNCU als forfaitaire schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van dagvaarding;

  3. tot betaling van € 800 aan SNCU als forfaitaire annuleringskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van dagvaarding;

  4. tot betaling van € 2.439,79 aan SNCU voor haar forfaitaire buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van de dag van dagvaarding;

  5. tot betaling van de proceskosten aan SNCU.

3.2

De advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft tegen die aldus ingestelde en onderbouwde vorderingen verweer gevoerd. Tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] is verstek verleend. De relevante stellingen komen hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde.

De beoordeling

4.1

De rechtbank stelt voorop dat dit vonnis op grond van art. 140 lid 3 Rv als een vonnis op tegenspraak moet worden beschouwd, ook ten aanzien van de [gedaagde 3] en [gedaagde 4] tegen wie verstek is verleend.

4.2

De advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft het formele verweer gevoerd dat SNCU niet-ontvankelijk moet worden verklaard in al haar vorderingen, omdat (verkort weergegeven) het onderzoek door SNCU bij [X] BV is aangevangen op 28 april 2011 en er toen geen sprake meer was van een algemeen verbindend verklaarde CAO op grond waarvan SNCU daartoe bevoegd was. De advocaat van SNCU heeft daar terecht tegenin gebracht dat dit verweer moet worden verworpen op grond van vaste rechtspraak, zoals relatief recent blijkt uit Hoge Raad 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3458. De rechtbank verwijst daartoe kortheidshalve naar de inhoud van rechtsoverweging 3.4 van dat arrest van de Hoge Raad.

4.3

De rechtbank verwerpt ook het algemene formele verweer dat SNCU eerst [X] BV in rechte behoorde te betrekken voordat zij de bestuurders van [X] BV op grond van onrechtmatige daad in rechte kan betrekken. Dit verweer vindt immers geen steun in het civiele recht. SNCU heeft voorts terecht betoogd dat het dagvaarden van [X] BV in dit geval praktisch zinloos is, omdat [X] BV geen bedrijfsactiviteiten meer heeft verricht sinds de aandelenoverdracht van 30 november 2011 van [gedaagde 2] aan [gedaagde 4] en omdat bovendien haar inschrijving in het handelsregister daarna op 29 oktober 2012 ambtshalve is doorgehaald wegens “opheffing van de vestiging”. [X] BV bestond sindsdien rechtens dus niet meer en SNCU kon haar derhalve op of na 29 oktober 2012 niet meer dagvaarden.

4.4

Tegen de eerste hoofdvordering die strekt tot nabetaling van in totaal € 101.822 aan de ex-werknemers van [X] BV en tot overlegging van de relevante bewijsstukken daarvan aan SNCU op straffe van een dwangsom van € 102.000, heeft de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onder meer het verweer gevoerd dat SNCU niet bevoegd is om deze vordering namens de ex-werknemers van [X] BV in te stellen, dat een dwangsom niet kan worden gesteld op een vordering tot betaling van een geldsom, en dat de gevorderde dwangsom van € 102.000 (voor zover wel toewijsbaar op grond van het niet verstrekken van bewijsstukken van nabetaling) in de praktijk slechts zal werken als een extra sanctie en niet als een prikkel tot nakoming. Dit laatste omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een eventuele veroordeling tot nabetaling van € 101.822 aan achterstallig salaris inclusief inhoudingen niet (meer) kunnen uitvoeren, onder meer omdat zij nu niet (meer) beschikken over de juiste namen en adressen en overige relevante (salaris)gegevens van die ex-werknemers van [X] BV.

4.5

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank. Zonder nadere toelichting van SNCU, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en op grond waarvan SNCU nu enkele jaren na het beëindigen van de onderneming van voormalig werkgever [X] BV alsnog een vordering zou kunnen instellen tegen de ex-bestuurders van [X] BV tot nabetaling aan de ex-werknemers van [X] BV van in totaal € 101.822 aan achterstallige CAO-salarissen, welke vordering in wezen strekt tot alsnog nakoming door [X] BV van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten in de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. [X] BV bestaat immers al sinds in ieder geval 29 oktober 2012 niet meer en kan dus met andere woorden uit de aard der zaak deze gevorderde nabetalingen als ex-werkgever aan haar ex-werknemers (uitzendkrachten) zelf niet meer doen. In de door SNCU genoemde gevallen uit de rechtspraak (zie daartoe bijvoorbeeld Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY9449) was dit telkens anders. In die andere gevallen bestonden de desbetreffende ondernemingen nog wel en had SNCU dus zelf belang bij de gevorderde naleving van de algemeen verbindend verklaarde CAO door nabetaling aan de desbetreffende werknemers van die nog bestaande werkgevers in de uitzendbranche.

4.6

Ook indien de rechtbank bij wijze van veronderstelling uitgaat van de juistheid van de – door de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemotiveerd betwiste - stelling van de advocaat van SNCU dat [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] op grond van onrechtmatige daad als ex-bestuurders van [X] BV jegens SNCU ondanks hetgeen de rechtbank hiervoor bij 3.5 heeft overwogen rechtens gehouden zijn om alsnog de algemeen verbindend verklaarde CAO na te komen door de gevorderde nabetalingen van € 101.822 alsnog zelf in privé te doen aan de ex-werknemers van [X] BV, moet de rechtbank constateren dat deze ex-bestuurders zonder nadere toelichting van SNCU, die ontbreekt, nu in 2015 eenvoudigweg niet meer aan een dergelijke veroordeling zoals door SNCU gevorderd kunnen voldoen. Dit bij gebreke van alle daartoe benodigde gegevens van de ex-werknemers van [X] BV uit de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. In dat geval zou de gevorderde dwangsom van € 102.000 op het niet verstrekken van de desbetreffende betalingsbewijzen aan de ex-werknemers in de praktijk slechts werken als een extra sanctie en niet als een prikkel tot nakoming door die ex-bestuurders, hetgeen in strijd is met de ratio van het opleggen van een dwangsom zoals bepaald in de wetsartikelen 611a Rv en verder.

4.7

Reeds om deze twee redenen moet deze eerste ingestelde vordering van SNCU worden afgewezen, nog daargelaten de overige daartegen gevoerde verweren namens [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De rechtbank acht het bij deze stand van zaken gepast dat de niet-verschenen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] meeprofiteren van dit door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevoerde terechte verweer tegen de eerste vordering die strekt tot nakoming van de beide algemeen verbindend verklaarde CAO’s door nabetalingen te doen met productie van betalingsbewijzen en op straffe van de gevorderde dwangsom.

4.8

De tweede hoofdvordering strekt tot hoofdelijke veroordeling tot betaling van een forfaitaire schadevergoeding van € 22.313 door de gedaagde vier ex-bestuurders van [X] BV aan SNCU. Deze gevorderde forfaitaire schadevergoeding van in dit geval

€ 22.313 is volgens SNCU gebaseerd op artikel 6 van Reglement II, zoals te vinden in de algemeen verbindend verklaarde CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche en zoals nader gebaseerd op de staffel van het beleid methodiek forfaitaire schadevergoeding SNCU, welk beleid is te vinden in haar productie 3 en ook op haar website www.sncu.nl.

4.9

Naar het oordeel van de rechtbank moet op grond van de niet of onvoldoende weersproken en aldus vaststaande inhoud van het eindrapport van Providius van 23 december 2011 in deze procedure worden aangenomen dat [X] BV de in het rapport van Providius vermelde bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten heeft overtreden in de periode van 1 juli 2009 tot 27 maart 2011 en dat de “indicatieve materiële schadelast” als gevolg daarvan moet worden vastgesteld op
€ 101.822 in totaal. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarvan per definitie een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt aan haar toenmalige bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in diezelfde periode. Indien men zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bestuurder van een door een rechtspersoon gedreven onderneming in de uitzendbranche wenst te zijn, moet men er als verantwoordelijk bestuurder eenvoudigweg voor zorgen en op toezien dat die onderneming de door de minister algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten in de desbetreffende periode naleeft. De als verweer nog aangevoerde omstandigheden dat [gedaagde 1] anders dan [gedaagde 2] geen leidinggevende rol had bij [X] BV en dat [gedaagde 2] alle relevante administratie van [X] BV had uitbesteed aan deskundige boekhouders van Administratiekantoor Mient, kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] jegens SNCU niet disculperen. Daarom zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de op artikel 6 lid 2 Reglement II gebaseerde forfaitaire schadevergoeding, die gebaseerd is op aard, omvang en duur van de niet-naleving en de loonsom van de onderneming van de betrokken werkgever.

4.10

Wel slaagt gedeeltelijk het verweer van de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de advocaat van SNCU het gevorderde forfaitaire bedrag van in dit geval € 22.313 niet heeft onderbouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is de juistheid van dit gemotiveerd betwiste bedrag van € 22.313 immers in dit specifieke geval niet of onvoldoende te controleren en/of te herleiden tot de staffel die daartoe is gepubliceerd op de website van SNCU en zoals die ook volgt uit productie 3 van de advocaat van SNCU in deze procedure. De rechtbank zal de jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van artikel 6 lid 2 van Reglement II toewijsbare forfaitaire schadevergoeding daarom nu alles afwegende vaststellen op

€ 21.000, zulks gelet op de afgeronde periode van 21 maanden waarin zij als de toen verantwoordelijk bestuurders van [X] BV die onderneming persoonlijk ernstig verwijtbaar de bepalingen van de algemeen verbindend verklaarde CAO voor Uitzendkrachten lieten overtreden met een zogenoemde “indicatieve materiële schadelast” van € 101.822 tot gevolg. De gevorderde wettelijke rente over deze toe te wijzen € 21.000 is als onweersproken toewijsbaar met ingang van de gevorderde dag van dagvaarding, dat is 9 april 2014. De nog door de advocaat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij conclusie van antwoord verzochte betaling in termijnen vindt geen steun in het civiele recht en wordt verworpen.

4.11

De in deze procedure niet-verschenen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren geen bestuurder van [X] BV in de in dit geval relevante CAO-periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de advocaat van SNCU geen relevante feiten gesteld, die kunnen leiden tot de vergaande conclusie dat aan hen als opvolgend bestuurders van [X] BV na 27 maart 2011 persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de onderhavige overtredingen door [X] BV van de algemeen verbindend verklaarde CAO’s in de periode van 1 juli 2009 t/m 27 maart 2011. Daarom zal de rechtbank de tweede hoofdvordering met nevenvordering van SNCU tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] afwijzen.

4.12

De derde hoofdvordering van € 800 betreft de forfaitaire annuleringskosten die zijn gebaseerd op artikel 5 lid 7 van Reglement II, zoals te vinden en gepubliceerd in de algemeen verbindend verklaarde CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche. Het gevorderde bedrag van € 800 is vermeld in dat artikel 5 lid 7 en is gebaseerd op het (veel) te laat annuleren door of namens [X] BV van de door Providius namens SNCU gemaakte controle-afspraak op 23 september 2011, zie daartoe ook hiervoor bij 2.4.

4.13

Voor deze derde hoofdvordering gelden soortgelijke argumenten als hiervoor overwogen bij 4.8 t/m 4.11 over de tweede hoofdvordering. De rechtbank zal daarom € 800 toewijzen ten laste van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met de daarover gevorderde rente, maar niet ten laste van [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

4.14

De vierde hoofdvordering van SNCU van € 2.439,78 inclusief BTW is gebaseerd op de stelling dat SNCU relevante buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en dat deze moeten worden gebaseerd op “de staffel BIK”. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat relevante buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.

4.15

Naar het oordeel van de rechtbank zijn namens SNCU in dit geval wel degelijk relevante buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder b en c gemaakt. De rechtbank wijst daartoe kortheidshalve op de door haar hiervoor bij 2.7 vastgestelde feiten. Ambtshalve merkt de rechtbank op dat de advocaat van SNCU het gevorderde bedrag van
€ 2.439,78 inclusief BTW blijkbaar heeft gebaseerd op de wettelijke tarieven van het per 1 juli 2012 geldende Besluit BIK, maar dat dit Besluit en haar tarieven niet van toepassing zijn op de onderhavige vorderingen uit onrechtmatige daad tegen de ex-bestuurders [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De rechtbank zal de gevorderde buitengerechtelijke kosten daarom toewijzen tot het wel geldende rechterlijke forfaitaire tarief van in dit geval € 1.401,18 inclusief 21% BTW, vermeerderd met de daarover gevorderde rente. Omdat de eerste drie vorderingen tegen [gedaagde 3] en [gedaagde 4] blijkens al het voorgaande worden afgewezen, moeten de jegens deze twee niet-verschenen gedaagden gevorderde buitengerechtelijke kosten ook worden afgewezen.

4.16

De overige stellingen van de verschenen partijen behoeven na het voorgaande geen beoordeling door de rechtbank meer, omdat zij niet kunnen leiden tot andere beslissingen dan hierna vermeld. Als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van SNCU, die zullen worden gebaseerd op het blijkens het voorgaande in hoofdsom toe te wijzen bedrag van in totaal

€ 23.201,18, dat is de optelsom van de drie hiervoor vetgedrukte toewijsbare bedragen.

4.17

De rechtbank begroot die proceskosten op € 1.158 forfaitair salaris advocaat plus
€ 103,80 inclusief BTW deurwaarderskosten dagvaarding plus € 1.892 voor door SNCU verschuldigd griffierecht bij een toewijsbare vordering van € 23.201,18 minus € 651 (1.519 - 868) voor door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] teveel betaald griffierecht bij een toegewezen hoofdsom van in totaal € 23.201,18 in plaats van zoals in totaal gevorderd € 127.374,78, dat is per saldo dus een bedrag € 2.502,80. Dit alles brengt de rechtbank tot de hierna volgende beslissingen.

De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan SNCU van in totaal € 23.201,18, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag met ingang van 9 april 2014;

- veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan SNCU van in totaal € 2.501,80 voor de proceskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af al hetgeen SNCU meer of anders heeft gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.