Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7359

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1025
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2084
FutD 2015-2451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 15/1025 en SGR 15/1027

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
25 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.C.A. van Wessel),

en

[P] , verweerder.

De bestreden beslissing op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 22 december 2014 op het bezwaar van eiser tegen de hierna onder 5 te noemen herziene voorschotbeschikkingen kinderopvangtoeslag voor de berekeningsjaren 2013 en 2014.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 16 juli 2013 heeft eiser een aanvraag kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2013 ingediend. Op grond van artikel 15, vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt deze aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de daaropvolgende berekeningsjaren.

2. Met dagtekening 30 april 2014 is aan eiser voor het berekeningsjaar 2013 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 9.884.

3. Met dagtekening 22 april 2014 is aan eiser voor het berekeningsjaar 2014 een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend van € 10.262.

4. Bij brief van 26 mei 2014 heeft verweerder eiser verzocht om informatie. In antwoord hierop heeft eiser bij brief van 12 juni 2014, ontvangen door verweerder op 20 juni 2014, facturen van het kinderdagverblijf overgelegd, alsmede een overzicht betalingen 2013 en een jaaropgave 2013.

5. Met dagtekening 21 augustus 2014 en 5 september 2014 zijn de voorschotten kinderopvangtoeslag 2013 en 2014 herzien naar nihil. Bij beschikkingen van 19 augustus 2014 en 29 augustus 2014 zijn de betaalde voorschotten kinderopvangtoeslag voor beide jaren teruggevorderd.

6. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

7. Bij brief van 26 november 2014 heeft verweerder verzocht om aanvullende informatie, waarin (nogmaals) wordt verzocht om bewijsstukken waaruit blijkt dat de kosten voor kinderopvang door eiser zijn betaald. Ook wordt er gevraagd naar de facturen die betrekking hebben op het jaar 2014 en naar de opvangcontracten gesloten tussen eiser en de kinderopvanginstelling. Tot slot wordt gevraagd om gegevens waaruit blijkt dat eiser in 2013 en 2014 heeft gewerkt. De brief is bij verweerder onbestelbaar retour gekomen. Met dezelfde dagtekening is aan eiser verzocht om instemming met verlenging van de beslistermijn op het bezwaar. Ook die brief is bij verweerder onbestelbaar retour gekomen.

8. Met dagtekening 22 december 2014 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

9. In geschil is of verweerder de onder 5 genoemde besluiten terecht heeft genomen.

10. Omdat eiser aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, zal hij moeten voldoen aan de daarvoor in de wet gestelde eisen. De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende informatie aan verweerder heeft verstrekt waaruit kan blijken dat eiser inderdaad recht heeft op de kinderopvangtoeslag. Ter zitting heeft de gemachtigde desgevraagd verklaard dat er niet meer informatie is dan de informatie die door eiser aan verweerder is verstrekt. Daarvan uitgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat eiser voldoet aan de vereisten om recht te hebben op kinderopvangtoeslag. Zo zijn geen betaalbewijzen en geen contracten met het kinderdagverblijf overgelegd, en heeft eiser geen inzicht vertrekt in zijn werksituatie. Daarom heeft verweerder de kinderopvangtoeslag voor de berekeningsjaren 2013 en 2014 terecht herzien naar nihil en de uitbetaalde voorschotten terecht teruggevorderd.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van

mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,

2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)