Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7245

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
09-797446-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fietser door vrachtwagen overreden en overleden. Geen veroordeling wegens overtreding van artikel 6 WVW, wel wegens overtreding van artikel 5 WVW. De bestuurder van de vrachtwagen werd bij het rechtsaf slaan afgeleid door fietsers die van links kwamen en waarschijnlijk door rood reden. Vervolgens heeft hij verzuimd om wederom goed in zijn spiegels te kijken met de fatale gevolgen vandien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797446-14

Datum uitspraak: 19 juni 2015

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1956 te [geboorteplaats],

adres: [adres] [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. J.H. Pelle, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 juli 2014 te Voorhout, gemeente Teylingen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg(en), de kruising van de Rijnsburgerweg met Leidsevaart, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- ( stilstaande op de Rijnsburgerweg voor een rood verkeerslicht) is opgetrokken nadat dat verkeerslicht groen licht uitstraalde en vervolgens op die kru1sing rechtsaf is geslagen, waarbij hij

- geen afstand/voorrang heeft verleend aan een fietser en/of

- tegen die fietser is aangereden (waardoor die fietser ten val is gekomenen/of (vervolgens)

- is doorgereden over een afstand van eenentwintig meter, althans enige afstand (terwijl die fietser onder de vrachtwagen over enige afstand werd meegesleept)

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 juli 2014 te Voorhout, gemeente Teylingen, als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg(en), de kruising vande Rijnsburgerweg met de Leidsevaart, als volgt heeft gehandeld:

- ( stilstaande op de Rijnsburgerweg voor een rood verkeerslicht) is opgetrokken nadat dat verkeerslicht groen licht uitstraalde en vervolgens op die kru1sing rechtsaf is geslagen, waarbij hij

- geen afstand/voorrang heeft verleend aan een fietser en/of

- tegen die fietser is aangereden (waardoor die fietser ten val is gekomen en/of (vervolgens)

- is doorgereden over een afstand van eenentwintig meter, althans enige

afstand (terwijl die fietser onder de vrachtwagen over enige afstand werd

meegesleept) waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 17 juli 2014 is [slachtoffer] in Voorhout, gemeente Teylingen, aangereden door een vrachtauto die werd bestuurd door verdachte. [slachtoffer] is ten gevolge van deze aanrijding overleden.

De door de rechtbank primair te beantwoorden vraag is of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd als bedoeld in artikel 5 WVW 1994.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er, gelet op de gedragingen van verdachte, sprake is geweest van aanmerkelijk onoplettend handelen aan de kant van verdachte en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een aanmerkelijke verkeersfout.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak verzocht van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De vrachtauto, bestuurd door verdachte, stond op 17 juli 2014 voorafgaand aan de aanrijding op de Rijnsburgerweg te Voorhout als eerste voertuig opgesteld voor een rood verkeerslicht. Een fietser, mevrouw [slachtoffer], stond achter de vrachtauto op de Rijnsburgerweg voor het rode verkeerslicht te wachten om het kruispunt in de richting van de Herenweg over te steken. Verdachte is, nadat het voor hem geldende verkeerslicht op groen sprong, rechtsaf geslagen en heeft bij het oprijden van de rijbaan van de Leidsevaart de intussen langs de vrachtwagen naar de voorzijde van de vrachtwagen gefietste fietser van achteren aangereden waardoor zij ten val kwam. Vervolgens is de fietser met haar fiets onder de vrachtauto terecht gekomen waar zij deels door het linker voorwiel werd overreden. De fietser is ten gevolge van de aanrijding ter plaatse aan haar verwondingen overleden. Uit de verkeersongevalsanalyse blijkt dat noch de vrachtwagen noch de fiets gebreken vertoonden die van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Verdachte reed ten tijde van het ongeval ten hoogste 20 km/u. Ook overigens zijn er geen bijkomende omstandigheden gebleken die hebben bijgedragen aan het ongeval.2

Getuige [getuige 1] fietste op 17 juli 2014 op de Rijnsburgerweg te Voorhout toen verdachte met zijn vrachtauto voor het rode verkeerslicht voor de kruising stond. Voor de stopstreep voor de auto’s bevindt zich een stopstreep voor fietsers. [getuige 1] is voor de vrachtwagen langs gereden en is met zijn fiets voor de stopstreep aan de linkerzijde van de weg gaan staan, waar nog meer fietsers stonden. Toen [getuige 1] wegfietste, hoorde hij de vrachtauto achter zich veel gas geven. Hij keek achter zich en zag dat de vrachtauto ongeveer 4 à 5 meter achter hem reed. [getuige 1] zag dat er een vrouw naast de vrachtauto fietste. Zij reed ongeveer twee meter naast de vrachtauto; schuin voor de vrachtauto aan de rechterzijde. [getuige 1] dacht meteen dat het niet goed zou gaan. Hij zag dat de vrouw niet naar de vrachtauto keek, maar in één rechte lijn overstak. Vervolgens zag hij de vrouw tegen het midden van de vrachtauto aan komen met de linkerzijde van haar lichaam en haar fiets. [getuige 1] hoorde haar hard ‘au’ schreeuwen en zag haar omvallen en onder de vrachtauto terecht komen. Hij zag de fiets onder de vrachtwagen hangen. De vrachtauto reed nog zeker tien meter door en kwam toen tot stilstand.3

Getuige [getuige 2] stond op 17 juli 2014 op de Rijnsburgerweg te Voorhout, als bijrijder in een personenauto, achter de vrachtauto van verdachte voor het rode verkeerslicht. Zij zag dat een vrouw op een fiets, die twee honden bij zich had, rechts voor hun auto kwam staan. De vrouw stond bij de rechter achterkant van de vrachtauto. Op het moment dat zij gingen rijden, hoorde [getuige 2] haar man , de bestuurder van hun auto, schelden op een fietser. Zij hoorde later van haar man dat er 2 à 3 fietsers, van links, waarschijnlijk door rood waren gekomen terwijl de auto’s al groen licht hadden en reden. [getuige 2] heeft verklaard dat zij zich goed kan voorstellen dat dit de vrachtwagenchauffeur heeft afgeleid.4

Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 juli 2014 is gestopt voor het rode verkeerslicht op de Rijnsburgerweg te Voorhout. Er kwamen fietsers voor hem staan. Hun stoplicht ging iets eerder op groen dan zijn stoplicht. Toen zijn stoplicht op groen ging, is verdachte langzaam opgetrokken. Er kwam een fietser van links die door rood moet zijn gereden. Toen deze fietser voor hem langs reed, heeft verdachte iets ingehouden. Daarna heeft hij de bocht naar rechts genomen. Hij heeft daar niemand gezien. Na het optrekken hoorde verdachte een schavend geluid. Toen is hij gestopt en uitgestapt. Verdachte had, toen hij voor het verkeerslicht stond te wachten, achter zijn vrachtwagen iemand op een fiets zien staan. Hij heeft diegene daarna niet meer gezien. Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn spiegel heeft gekeken alvorens hij de bocht naar rechts inzette, maar dat hij desondanks geen fietser heeft gezien.5

Volgens de verkeersongevalsanalyse werd het uitzicht vanaf de bestuurderszitplaats van de vrachtauto, en met name het directe zicht kort voor de cabine, belemmerd door op het dashboard geplaatste monitoren. Desondanks zal de fietser vanaf de bestuurderszitplaats direct of via de frontspiegel zichtbaar moeten zijn geweest.6

De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte werd afgeleid door een of meer fietsers die, toen hij optrok, van links kwamen en waarschijnlijk door rood reden. De rechtbank gaat ervan uit dat, toen verdachte inhield voor deze fietser(s), het slachtoffer, dat eerst achter de vrachtauto van verdachte en voor de auto van getuige [getuige 2] heeft staan wachten, rechts langs de vrachtauto van verdachte het kruispunt op is gefietst. De rechtbank gaat er verder van uit dat verdachte, nadat hij was afgeleid maar vóórdat hij de bocht naar rechts verder inzette, onvoldoende in de spiegels heeft gekeken. Het slachtoffer kwam immers vanuit dezelfde richting en moet op enig moment, toen verdachte inhield voor de door rood rijdende fietser(s) van links, zichtbaar zijn geweest. Dit volgt uit de verkeersongevallen-analyse, en meer specifiek uit het zicht in de frontspiegel van de vrachtauto, zoals gefotografeerd bij stilstand.7 Op het moment van de aanrijding bevond het slachtoffer zich voor de vrachtauto van verdachte en hij zou haar in zijn frontspiegel gezien moeten kunnen hebben.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf dat het rijgedrag van verdachte niet als roekeloos kan worden gekwalificeerd. Tegen die achtergrond kan bewezenverklaring van artikel 6 WVW 1994 slechts nog volgen indien verdachte zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld. De rechtbank is echter, gelet op de hierboven beschreven omstandigheden, van oordeel dat de door verdachte begane verkeersovertreding niet van dien aard en ernst is dat daaruit kan worden afgeleid dat hij zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de situatie, die uiteindelijk heeft geleid tot de aanrijding, zich in slechts enkele seconden heeft afgespeeld en dat verdachte daarbij afgeleid is geweest door waarschijnlijk door rood rijdende fietsers. Verder volgt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet dat verdachte direct voorafgaand aan het ongeval opvallend of gevaarlijk verkeersgedrag heeft vertoond.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van iemand die handelt in de uitoefening van een beroep meer wordt gevergd dan van een verkeersdeelnemer in het algemeen. Dat betekent echter niet dat reeds van culpa kan worden gesproken wanneer een beroeps-beoefenaar niet voldoet aan de eisen waaraan alleen de meest uitmuntende beroeps-beoefenaar kan voldoen. De zogenaamde Garantenstellung gaat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet verder dan hetgeen in het algemeen van een beoefenaar van een bepaald beroep kan worden geëist.

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De door de rechtbank aannemelijk geachte en te bewijzen verkeersgedragingen van verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank wel schuld op in de zin van artikel 5 WVW 1994. Verdachte heeft de fietser (die hij, toen hij voor de tweede keer optrok, bij goed gebruik van zijn spiegels had kunnen opmerken) geen voorrang verleend en daarmee gevaar op de weg veroorzaakt.

De rechtbank komt dan ook tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 17 juli 2014 te Voorhout, gemeente Teylingen, als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de kruising van de Rijnsburgerweg met de Leidsevaart, als volgt heeft gehandeld:

- ( stilstaande op de Rijnsburgerweg voor een rood verkeerslicht) is opgetrokken nadat dat verkeerslicht groen licht uitstraalde en vervolgens op die kruising rechtsaf is geslagen, waarbij hij

- geen voorrang heeft verleend aan een fietser en

- tegen die fietser is aangereden (waardoor die fietser ten val is gekomen en (vervolgens)

- is doorgereden over een afstand van eenentwintig meter, terwijl die fietser onder de vrachtwagen over enige afstand werd meegesleept, waardoor [slachtoffer] werd gedood,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

t.a.v. subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman aangevoerd dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal leiden tot ontslag van verdachte door zijn werkgever.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en is gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte, werkzaam als vrachtwagenchauffeur, heeft met een vrachtwagen een verkeersongeval veroorzaakt door bij het rechtsafslaan, nadat hij was opgetrokken en had ingehouden op het moment dat (een) door het rode licht rijdende fietser(s) van links was opgedoken, bij het wederom optrekken niet voldoende in zijn (front)spiegel te kijken. Verdachte heeft een zich naast of voor zijn vrachtwagen bevindende fietser niet gezien en haar bij het naar rechts afslaan geen voorrang verleend. De fietser is vervolgens ten val gekomen, over enige afstand door de vrachtauto meegesleept en overleden.

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden gesproken van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen – de rechtbank spreekt verdachte vrij van hetgeen primair ten laste is gelegd – valt verdachte aan te rekenen dat hij geen voorrang heeft verleend aan de fietser. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring van de weduwnaar van het slachtoffer heeft het overlijden van zijn vrouw, de moeder van hun drie jonge kinderen, gezorgd voor intens veel verdriet. Het gemis is groot en het leven van de nabestaanden is ingrijpend veranderd door dit verkeersongeval.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, blijkens een op zijn naam staand uittreksel justitiële documentatie, een blanco strafblad heeft. In de ruim veertig jaar dat verdachte werkzaam is als vrachtwagenchauffeur, is hij niet eerder betrokken geweest bij een verkeersongeval. De rechtbank vreest dan ook niet voor recidive.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte na het ongeval heeft getracht contact op te nemen met de nabestaanden en dat hij ter terechtzitting heeft verklaard hoe triest hij het voor hen vindt.

Tenslotte neemt de rechtbank in overweging dat dit verkeersongeval ook voor verdachte ingrijpende gevolgen heeft gehad; hij zal ermee moeten leven dat het slachtoffer door zijn gedraging om het leven is gekomen.

Met name omdat de rechtbank minder dan de officier van justitie bewezen acht (een overtreding in plaats van een misdrijf), zal de straf aanzienlijk lager uitvallen. De rechtbank acht oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet geïndiceerd. De rechtbank acht een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 9, 22 c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 5, 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

t.a.v. subsidiair:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN, subsidiair 40 (VEERTIG) DAGEN hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. J. Louwinger-Rijk, rechter,

mr. I.C. Kranenburg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp en mr. A.M. van der Wal, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2014155692, van de politie eenheid Den Haag, district Duin- en bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd blz. 01 t/m 107).

2 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, blz. 12.

3 Proces-verbaal verhoor getuige, blz. 80-81.

4 Proces-verbaal verhoor getuige, blz. 84-85.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting.

6 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, blz. 12.

7 Proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse, Fotoreportage Reconstructie Uitzicht, blz. 65-67.