Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:7200

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-06-2015
Datum publicatie
24-06-2015
Zaaknummer
AWB 14/27445
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag is afgewezen omdat, hoewel een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter wordt aangenomen, het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder dient te wegen dan het belang van eiseres. Hierbij is met name in aanmerking genomen dat er geen sprake is van inmenging in het gezinsleven en dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst. De verklaring van referente dat zij haar financieel zullen onderhouden, met inbegrip van medische zorg, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat aan het belang van de Nederlandse samenleving bij afwijzing van de aanvraag meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiseres bij inwilliging ervan. Verweerder heeft daarbij veel gewicht mogen toekennen aan het feit dat met de afwijzing geen sprake is van inmenging in het gezinsleven en kan voorts gevolgd worden in zijn standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gezinsleven niet in het land van herkomst kan worden uitgeoefend en dat voor eiseres zorg aanwezig is in het land van herkomst. De problemen die referente en haar echtgenoot stellen te zullen ondervinden (bij vestiging) in Rusland betreffen slechts stellingen waarvan een concrete onderbouwing ontbreekt. Het beroep slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14 / 27445

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Russische nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.S. Hulster, rechtshulpverlener te Alkmaar),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Kersten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM bij dochter [referente] (hierna: referente)” afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar ingediend. Bij besluit van 2 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Op 26 september 2014 is dit besluit ingetrokken door verweerder.

Bij besluit van 27 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 15 april 2015 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2015. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde (…). Voorts is verschenen referente. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op de volgende gronden. Gezien de huidige medische en psychische situatie van eiseres wordt een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid van haar dochter aangenomen. Deze afhankelijkheid leidt er echter niet toe dat verblijf moet worden toegestaan aan eiseres. Het belang van de Nederlandse Staat bij afwijzing van de aanvraag, gelegen in het restrictieve toelatingsbeleid en het handhaven van de economische orde, dient zwaarder te wegen dan het belang van eiseres bij inwilliging ervan. Daarbij heeft verweerder van groot belang geacht dat sprake is van een eerste toelating, waardoor geen sprake is van inmenging in het gezinsleven, voorts niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in het land van herkomst en gebleken is dat het gezinsleven tussen eiseres en haar dochter kan worden voortgezet zoals dat thans wordt uitgeoefend. Het uitoefenen van gezinsleven is derhalve niet aan Nederland gebonden. Referente heeft in 2009 zelf de keuze gemaakt om gezinsleven te gaan uitoefenen in Nederland en nu heeft zij de keuze om haar moeder te gaan verzorgen in Rusland. Dat haar echtgenoot geen visum zal verkrijgen is niet aannemelijk gemaakt. Het feit dat eiseres zich niet zelfstandig kan handhaven zonder zorg maakt dit alles niet anders. Er is immers zorg aanwezig in het land van herkomst. Dat zorg in een opvangtehuis in Rusland niet wenselijk is, maakt dit niet anders. De verklaring van referente dat zij en haar echtgenoot eiseres financieel zullen onderhouden en dat zij geen beroep zal doen op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, is onvoldoende om aan het economisch welzijn van Nederland niet een groter belang toe te kennen dan aan het belang van eiseres. Eiseres zal bij toelating in Nederland immers ook een beroep kunnen doen op voorzieningen die worden gefinancierd uit de openbare kas, zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg. Het is aannemelijk dat eiseres een beroep zal doen op de gezondheidszorg in de zin van medicijnen en eventuele andere kosten.

2.1

Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het algemeen belang wordt geschaad bij toelating van eiseres. Verweerder heeft gesteld dat aan het economisch welzijn van Nederland een groter gewicht toegekend dient te worden, omdat het bij toelating van eiseres aannemelijk is dat zij een beroep zal doen op de gezondheidszorg in de zin van medicijnen en eventuele andere kosten. Reeds tijdens de hoorzitting op 30 oktober 2014 heeft eiseres te kennen gegeven dat de medicijnen in Rusland op eigen kosten worden aangeschaft. Voorts is volstrekt onduidelijk op welke eventuele andere kosten verweerder doelt. In een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 maart 2010 (JV 2010/177) heeft het Hof overwogen dat “bepalend dient te zijn of een reëel, concreet risico bestaat dat er een beroep wordt gedaan op de openbare kas.” Tijdens de hoorzitting heeft referente verklaard dat zij eiseres niet zal onderbrengen in een bejaarden- of verzorgingstehuis. Daarbij is referente arts en kan zij indien nodig zelf extra zorg inkopen. Bovendien is volgens verzoeker de argumentatie van verweerder in strijd met zijn eigen beleid zoals onder meer blijkt uit zijn brief van 18 november 2009 aan de Tweede Kamer inzake Uitvoering motie lid Van de Camp inzake ouderenbeleid en garantstelling. Het beleid is er juist op gericht dat ouder en kind geen beroep kunnen doen op de openbare kas. Hoewel dit beleid is van voor de Wet modern migratiebeleid is het niet aannemelijk dat dit thans anders zal zijn. Uit artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt immers dat aan een verblijfsvergunning de voorwaarde gesteld kan worden dat een beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
Ook voert eiseres aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. Verweerder stelt dat referente de keuze heeft om haar moeder te volgen naar het land van herkomst. Dit is tegenstrijdig met de stelling van verweerder dat eiseres gebaat is bij de aanwezigheid van haar dochter. Bovendien ontbreekt deze vrijheid omdat zij hierbij de facto een keuze zal moeten maken tussen haar moeder en haar echtgenoot, nu de kans dat hij een tijdelijke verblijfsvergunning zal krijgen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nihil is. Daarbij komt dat er volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geen sprake hoeft te zijn van objectieve belemmeringen. Criteria als ‘insurmountable obstacles’ (Konstantinov t. Nederland, 14 april 2009, no. 38165/07), ‘the seriousness of the difficulties’ dan wel ‘significant difficulties’ (bijvoorbeeld Omojudi t. Verenigd Koninkrijk, 24 november 2009, no. 1820/08) duiden op een minder absolute benadering.

2.2

In het verweerschrift heeft verweerder zich in reactie op de beroepsgronden op het standpunt gesteld dat van referente verlangd mag worden dat zij de zorg voor eiseres in Rusland verleent, nu er geen objectieve belemmeringen zijn voor zowel haar, als haar echtgenoot, om enige tijd in Rusland te verblijven. Dat de omstandigheden in Rusland niet optimaal, noch hetzelfde zijn als in Nederland, dat het wellicht moeilijk is om een baan te vinden en dat referente en haar echtgenoot er daarom de voorkeur aan geven de zorg in Nederland te verlenen, is begrijpelijk, maar maakt niet dat de belangenafweging in het voordeel van eisers uitvalt. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM (waaronder Muradeli tegen Rusland, 9 april 2015, 72780/12, r.o. 70) volgt dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet het recht op woonplaatskeuze omvat. Ter zitting heeft verweerder voorts aangegeven dat de problemen die referente en haar echtgenoot stellen in Rusland te zullen ondervinden, alsmede het betoog dat er geen plaats voor eiseres zou zijn in een opvangtehuis, slechts zijn gesteld, maar niet nader zijn onderbouwd met stukken.

2.3

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich met voorgaande motivering niet ten onrechte op het standpunt dat aan het belang van de Nederlandse samenleving bij afwijzing van de aanvraag meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiseres bij inwilliging ervan. Verweerder heeft daarbij veel gewicht mogen toekennen aan het feit dat met de afwijzing geen sprake is van inmenging in het gezinsleven en kan voorts gevolgd worden in zijn standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gezinsleven niet in het land van herkomst kan worden uitgeoefend en dat voor eiseres zorg aanwezig is in het land van herkomst. De problemen die referente en haar echtgenoot stellen te zullen ondervinden (bij vestiging) in Rusland betreffen slechts stellingen waarvan een concrete onderbouwing ontbreekt. Een objectieve belemmering of serieuze problemen, zoals ook wel geduid in de uitspraken van het EHRM, heeft verweerder aldus niet aannemelijk gemaakt hoeven achten. Dat eiseres geen beroep zal hoeven doen op de openbare kas, zoals is betoogd, heeft verweerder, mede gelet op het voorgaande, niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging hoeven brengen.

Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 10 oktober 2002 (ECLI:NL:RBSGR:2002:AF0988) maakt het voorgaande niet anders, nu deze zaak niet vergelijkbaar is met de zaak van eiseres. Uit deze uitspraak kan voorts niet worden afgeleid dat op verweerder de positieve verplichting rust het verblijf van eiseres toe te staan. De beroepsgrond faalt.

3. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid.

3.1

De rechtbank stelt vast dat eiseres in het bezwaarschrift heeft vermeld dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Reeds omdat eiseres niet nader heeft geconcretiseerd waarom verweerder van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik zou moeten maken, bestond voor verweerder geen verplichting om hierop in te gaan in de beslissing op bezwaar. Verweerder kan overigens gevolgd worden in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat geen sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat verblijf dient te worden toegestaan. Deze beroepsgrond faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2015.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.